Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:51

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
GAZA nrs. 2953 van 2015 en 288 van 2016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuur - Gerecht in ambtenarenzaken (GAZA) - schorsing en ontslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 29 augustus 2016

GAZA nrs. 2953 van 2015 en 288 van 2016

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. H.S. Croes,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. G.M. Sjiem Fat.

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 1 december 2015, no. 1, heeft verweerder klager met ingang van de dagtekening van dit Landsbesluit met toepassing van artikel 87 sub c van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) in zijn ambt geschorst, tot op de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent de disciplinaire strafoplegging. Dit Landsbesluit zal hierna ‘het schorsingsbesluit’ worden genoemd.

Tegen dit besluit heeft klager op 30 december 2015 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Bij Landsbesluit van 14 januari 2016, no. 1, is aan klager primair met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder i, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd; daarbij is tevens bepaald dat deze straf met toepassing van artikel 85, eerste lid, van de Lma wegens dienstbelang onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Subsidiair is aan klager met toepassing van artikel 98 lid 1 sub f van de Lma eervol ontslag verleend met ingang van dagtekening van het Landsbesluit. Dit Landsbesluit zal hierna ‘het ontslagbesluit’ worden genoemd.

Klager heeft hiertegen op 15 februari 2016 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft op 6 april 2016 een contra-memorie ingediend.

De bewaarschriften zijn op 13 juni 2016 ter terechtzitting behandeld, waar klager is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

Het ontslagbesluit

2.1

Aan het aan klager opgelegde disciplinair ontslag is -onder meer- ten grondslag gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, door:

- op 31 augustus 2015 samen met twee andere collega’s, zonder toestemming de dienst te verlaten en zich te begeven naar het restaurant Aquarius alwaar op dat moment medewerkers van de Dienst Openbare Werken (DOW) die hebben meegewerkt aan het project “Vision” met een ontbijt werden beloond;

- op 4 september 2015 te weigeren voor de ontvangst te tekenen van een brief van de chef personeelszaken en het hoofd beleid en toezicht en een agressieve houding jegens hen te nemen en hen uit te schelden en te bedreigen;

- zijn leidinggevenden openlijk, ook naar derden toe en op sociale media, te beschuldigen van corruptie.

Verweerder is van oordeel dat deze gedragingen ertoe hebben geleid dat er sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk tussen de leiding van de DOW en klager, dat het gedrag van klager het imago van de DOW ernstig heeft beschadigd, dat klager met zijn gedrag een tekort aan plichts- en normbesef heeft getoond en de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden en dat hij daarmee het bepaalde in artikel 47, lid 1 (de ambtenaar is gehouden zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt) heeft overtreden.

2.2

Klager heeft betoogd dat er geen sprake was van een ongeoorloofde afwezigheid op 31 augustus 2015, omdat hij en drie andere collega’s van hun waarnemend chef toestemming hadden gekregen om de dienst te mogen verlaten. Klager ontkent, met uitzondering van de hem verweten bedreigingen, niet de overige onder 2.1 genoemde gedragingen te hebben begaan, doch stelt zich op het standpunt dat deze geen plichtsverzuim opleveren, althans geen plichtsverzuim dat de disciplinaire maatregel van ontslag rechtvaardigt. Klager meent dat omdat hij en zijn collega [naam] – die ook disciplinair is ontslagen – de “ernstige ambtelijke tekortkomingen” van zijn directe chef bij diens leidinggevende hebben aangekaart, zij als een soort klokkenluiders hiervan slachtoffers zijn geworden. Wat betreft zijn uitingen op Facebook, meent klager dat hij het recht heeft om zijn mening te uiten.

2.3

Naar het oordeel van het gerecht vormen met name de door verweerder aangedragen gedragingen op en omstreeks 4 september 2015 een voldoende grondslag voor het oordeel dat sprake is van ernstig plichtsverzuim gepleegd door klager. Daarbij is in aanmerking genomen dat klager het door hem gepleegde plichtsverzuim bagatelliseert en de ernst van de hem verweten gedragingen kennelijk niet inziet. Zo blijkt uit het rapport van 7 oktober 2015 van de personeelsmanager van de DOW, dat klager hem en het hoofd beleid en toezicht op 4 september 2015 schreeuwend heeft uitgemaakt voor “clowns”, “valse en stinkende mensen”, “macamba stinki” (gerecht: vuile Nederlander), “alcoholist” en “corrupt”. Met de voorzieningenrechter is het gerecht van oordeel dat dit niet zomaar opmerkingen zijn die beter achterwege gelaten hadden moeten worden, zoals klager heeft betoogd, doch ernstige aantijgingen en scheldwoorden jegens een collega en een leidinggevende. Ook de door klager op facebook geplaatste berichten over zijn werkgever zijn naar het oordeel van het gerecht ongepast. Tenslotte acht het gerecht aannemelijk geworden dat klager op 4 september 2015 bij het verlaten van het kantoor van de heer M. Croes, directeur van DOW, bedreigende woorden heeft geuit.

2.4

Gelet op het vorenstaande is het gerecht van oordeel dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, dat dit plichtsverzuim hem is toe te rekenen en dat de gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim de opgelegde disciplinaire straf van ontslag hieraan niet onevenredig is en verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het ontslag door het dienstbelang wordt gevorderd.

Het schorsingsbesluit

2.5

De in de bestreden beschikking vervatte schorsing is gebaseerd op artikel 87, aanhef en onder c van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma). Volgens deze bepaling kan, onverminderd het bepaalde in artikel 82 van de Lma, de ambtenaar door het bevoegde gezag worden geschorst in zijn ambt wanneer, naar het oordeel van het bevoegde gezag, het belang van de dienst dat vordert. Het gaat hier derhalve om de bevoegdheid van het bevoegde gezag om een ordemaatregel te treffen. Naar vaste jurisprudentie vindt het bevoegde gezag in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim van een ambtenaar waardoor aan diens integriteit moet worden getwijfeld en waardoor het noodzakelijk in de ambtenaar te stellen vertrouwen dermate is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten, in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel.

2.6

Klager heeft ter zake van de schorsing geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het gerecht is van oordeel dat er, gegeven hetgeen onder 2.3. is overwogen, voldoende grond was om klager in afwachting van de uitkomst van het disciplinaire onderzoek in het belang van de dienst te schorsen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart de bezwaren ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.T. Paulides, ambtenarenrechter, en uitgesproken op 29 augustus 2016 aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).