Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:33

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-05-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
Gaza nr. 914 van 2015
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bevorderingsverzoek afgewezen

Volgens vaste jurisprudentie is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een verzoek om terug te komen op een eerder genomen beschikking inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beschikking in volle omvang te heroverwegen. De ambtenarenrechter dient dan ook de oorspronkelijke beschikking tot uitgangspunt te nemen en zich bij de toetsing van de nieuwe beschikking in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die voor het bestuursorgaan aanleiding hadden moeten vormen op de oorspronkelijke beschikking terug te komen.

Verder is het zo dat, op grond de hiervoor bedoelde jurisprudentie, wat de periode betreft, gelegen na het herhaalde bevorderingsverzoek, een minder terughoudende toets dient te worden gehanteerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat de aanspraak op een bevordering een duuraanspraak is.

Het gerecht is van oordeel dat welk van beide toetsingsmaatstaven ook wordt aangelegd, hetgeen klager heeft aangevoerd niet tot vernietiging van de bestreden beschikking kan leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 30 mei 2016

Gaza nr. 914 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende te Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

[verweerder],

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 31 maart 2015 heeft verweerder aan het hoofd van de Dienst [X] ([X]) medegedeeld dat zijn voorstel om klager te bevorderen naar de rang van hoofdingenieur 1ste klasse niet voor inwilliging vatbaar is.

Tegen deze brief heeft klager op 30 april 2015 bij gerecht bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft een contramemorie ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 9 november 2015, waar klager is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder is verschenen bij gemachtigde. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is verweerder in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over een negental door klager ter zitting, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, overlegde landsbesluiten. Van deze mogelijkheid heeft verweerder bij akte van 7 december 2015 gebruik gemaakt.

Uitspraak is vervolgens nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Verweerder heeft allereerst betoogd dat zijn brief van 31 maart 2015 niet als een voor bezwaar vatbare beschikking kan worden aangemerkt, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat deze brief geen beslissing op een door klager ingediend verzoek betreft, doch slechts een feitelijke mededeling aan diens diensthoofd omtrent de inwilligbaarheid van een door deze ingediend voorstel tot bevordering van klager. Daarbij is volgens verweerder van belang dat het door klager op 19 juni 2012 zelf ingediende bevorderingsverzoek reeds bij rechtens onaantastbare beschikking van 28 juli 2013 is afgewezen.

2.2

Het gerecht stelt voorop dat een afwijzende beslissing op een herhaald bevorderingsverzoek niet slechts een mededeling van informatieve aard is, doch evenzeer het karakter heeft van een beschikking waartegen bezwaar kan worden gemaakt bij de ambtenarenrechter. Naar het oordeel van het gerecht dient de brief van verweerder van 31 maart 2015 als een beslissing op een herhaald, door diens diensthoofd namens klager, gedaan verzoek om bevordering (bevorderingsvoorstel) te worden aangemerkt. Dit betekent dat deze brief het karakter heeft van een afwijzende, voor bezwaar vatbare beschikking. Nu klagers bezwaarschrift binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend, kan hij in zijn bezwaar worden ontvangen.

2.3

Het gerecht gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Klager is als hoofd van de afdeling [Y] werkzaam bij de Dienst
[X] ([X]) in de rang van Hoofdfingenieur (schaal 13). Bij beschikking van 28 juli 2013 heeft verweerder afwijzend beslist op een door klager op 18 april 2012 ingediend verzoek om bevordering naar schaal 14. Tegen deze beschikking heeft klager geen rechtsmiddel aangewend, zodat zij rechtens onaantastbaar is geworden. Bij brief van 11 april 2014 heeft klagers hoofd van dienst aan verweerder voorgesteld om klager te bevorderen naar schaal 14.

2.4

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder, evenals aan zijn beschikking van 28 juli 2013, als motivering ten grondslag gelegd dat klagers verzoek om bevordering niet kan worden ingewilligd, aangezien de door hem beklede functie van hoofd [Y] maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 13 en klager dit niveau al heeft bereikt.

2.5.1

Volgens vaste jurisprudentie is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een verzoek om terug te komen op een eerder genomen beschikking inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beschikking in volle omvang te heroverwegen. Indien het bestuursorgaan de beschikking handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het de oorspronkelijke beschikking. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen. De ambtenarenrechter dient dan ook de oorspronkelijke beschikking tot uitgangspunt te nemen en zich bij de toetsing van de nieuwe beschikking in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die voor het bestuursorgaan aanleiding hadden moeten vormen op de oorspronkelijke beschikking terug te komen1.

2.5.2

Verder is het zo dat, op grond de hiervoor bedoelde jurisprudentie, wat de periode betreft, gelegen na het herhaalde bevorderingsverzoek, een minder terughoudende toets dient te worden gehanteerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat de aanspraak op een bevordering een duuraanspraak is. In het algemeen zal het niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een beschikking waarbij een dergelijke aanspraak ten onrechte niet of niet ten volle is toegekend, blijvend aan de belanghebbende wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het betrokken bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

2.6

Het gerecht is van oordeel dat welk van beide toetsingsmaatstaven ook wordt aangelegd, hetgeen klager heeft aangevoerd niet tot vernietiging van de bestreden beschikking kan leiden. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.6.1

Aan zijn bezwaar heeft klager – zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat verweerder heeft miskend dat zijn bevorderingsverzoek getoetst dient te worden aan het nieuwe formatierapport voor [X], dat blijkens diverse landsbesluiten, genomen ten aanzien andere ambtenaren werkzaam bij deze dienst, kennelijk met ingang van 1 augustus 2008 in werking is getreden. In dit nieuwe formatierapport is klagers functie maximaal gewaardeerd op schaal 14. Voor zover dit formatierapport niet daadwerkelijk in werking is getreden, dient hij op grond van het gelijkheidsbeginsel voor de door hem gewenste bevordering in aanmerking te worden gebracht, aldus klager.

2.6.2

Verweerder heeft aan de hand van een door het Departamento Recurso Humano (DRH) opgesteld rapport, getiteld ‘Analyse [X] documenten’ uiteengezet dat in augustus 2009 door [X] en de voorganger van DRH, de dienst P&O, een gezamenlijk concept-formatierapport tot stand is gebracht. Dit concept-formatierapport is volgens DRH echter nimmer door de ministerraad goedgekeurd, nu daaromtrent, conform de gebruikelijke procedure, nog commentaar van de vakbond en de Centrale Accountantsdienst moest worden ingewonnen. DRH heeft voorts geconstateerd dat in het concept-formatierapport nadien door [X] wijzigingen zijn aangebracht die niet beantwoorden aan de daarvoor geldende richtlijnen en leiden tot discrepanties met de functiewaardering van andere overheidsdiensten en een zeer aanzienlijke stijging (39%) van de personeelskosten van [X]. Enige besluitvorming tot formalisering van het aldus gewijzigde concept-formatierapport heeft evenmin plaatsgevonden, aldus DRH. Dat niettemin enige landsbesluiten tot stand zijn gekomen, waarin melding is gemaakt van het nieuwe, eenzijdig door [X] gewijzigde formatierapport – dat met ingang van 1 augustus 2008 in werking zou zijn getreden – berust volgens verweerder derhalve op een ambtelijke fout, waaraan geen aanspraak kan ontleden.

2.6.3

Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder door overlegging van het rapport van DRH voldoende aannemelijk gemaakt dat de verwijzing in de door klager overgelegde landsbesluiten naar het nieuwe formatierapport voor [X] op een ambtelijke fout berust. Klager kan aan die fout geen aanspraak ontlenen op toepassing van voornoemd, nimmer geformaliseerd, formatierapport, zoals dat door [X] is gewijzigd en waarin de door hem beklede functie op maximaal schaal 14 is toegekend. Daarbij is in aanmerking genomen dat van schending van het gelijkheidsbeginsel evenmin sprake is. De door klager ter onderbouwing daarvan overgelegde landsbesluiten hebben geen van alle betrekking op benoemingen in, dan wel bevorderingen tot schaal 14, zodat zij reeds daarom niet als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt.

2.7

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar ongegrond is.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar van klager ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken te Aruba, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, 2e lid, La).

1 Zie ook Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, 17 maart 2009, ECLI:NL:ORBANAA:2009:BJ6641