Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:30

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-05-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
GAZA nr. 3107 van 2014
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bevorderingsverzoek afgewezen

Het gerecht heeft in hetgeen klaagster heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder de bestreden beslissing in redelijkheid niet heeft kunnen baseren op betreffende functiebeschrijving en waardering. De (enkele) waarneming van een functie biedt geen grondslag voor een bevordering.

Het door klaagster gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat voorschrijft dat gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden, faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 30 mei 2016

GAZA nr. 3107 van 2014

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster],

wonende in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. Z.T.M. Arendsz-Marchena,

gericht tegen:

[verweerder],

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de tussen partijen gewezen tussenuitspraak van 28 september 2015, waarbij klaagster in de gelegenheid is gesteld zich bij akte uit te laten over de door verweerder bij akte overgelegde stukken. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de akte uitlating van klaagster, ingediend op 19 oktober 2015.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klaagster heeft bij brief van 23 april 2012, met als onderwerp “verzoek bevordering” (overgelegd als productie 13 bij de contramemorie), verweerder verzocht haar te bevorderen naar schaal 4. Dit verzoek is bij de bestreden beslissing afgewezen. Klaagster kan zich niet verenigen met die beslissing en stelt zich daarbij op het standpunt dat zij vanaf 2010 naast haar functie van [functie] ook de functie van [functie] uitvoert, hetgeen een bevordering rechtvaardigt. Klaagster doet ook – zo begrijpt het gerecht haar betoog – een beroep op het gelijkheidsbeginsel, stellende dat haar collega [A], die net als klaagster de functie van [functie] verricht, is bevorderd naar schaal 4. Klaagster beklaagt zich tevens over het feit dat verweerder bij de bestreden beslissing geen beslissing heeft genomen op haar verzoek om benoeming in vaste pensioengerechtigde dienst.

2.2

Het gerecht stelt voorop dat de grenzen van het onderhavige geding worden bepaald door de inhoud van de bestreden beslissing, voor zover daartegen bij het bezwaarschrift is opgekomen. Nu de bestreden beslissing van 19 november 2014 niets bepaalt omtrent een benoeming in vaste (pensioengerechtigde) dienst gaat het daarop gerichte deel van het bezwaar en het petitum dit geding te buiten. In zoverre is het beroep voor zover het betreft de benoeming in vaste dienst, reeds om die reden ongegrond.

2.3

In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder op goede grond heeft geweigerd klaagster te bevorderen naar schaal 4. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het gerecht voorop dat bevordering geen recht van de betrokken ambtenaar is noch een automatisme, doch een discretionaire bevoegdheid van de Gouverneur. Dit betekent dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beslissing heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.4

Ingevolge artikel 13, eerst lid van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: LMA) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

Ingevolge artikel 4, lid 2 van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (hierna: BRA), dient de ambtenaar om in aanmerking te kunnen komen voor een bevordering aan de voor de desbetreffende betrekking bedoelde eisen te voldoen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht.

Ingevolge de aanstellings- en bevorderingseisen is voor een bevordering naar de rang van klerk 1ste klasse (schaal 4) vereist, dat de betrokkene reeds ten minste vier jaar dienst in de rang van klerk moet hebben volbracht en dat er een vacature op dat niveau bestaat. Aangenomen moet worden dat met vacature wordt bedoeld dat de functie die de betrokken ambtenaar bekleedt een waardering op het niveau van schaal 4 rechtvaardigt.

2.5

Voornoemde wettelijke bevorderingseisen zijn cumulatief en niet zoals klaagster heeft betoogd, alternatief. Klaagster dient dan ook aan alle eisen te voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een bevordering.

In dit geval is het verzoek om bevordering afgewezen, omdat de functie die klaagster bekleedt maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 3, en klaagster dat niveau reeds heeft bereikt.

2.6

Uit de door verweerder overgelegde functiebeschrijving en waardering van de functie [functie] blijkt dat deze is gewaardeerd op maximaal het niveau van schaal 3. Voor zover klagers bezwaar zich richt tegen deze waardering, overweegt het gerecht dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, functiewaarderingsbesluiten, mede vanwege hun functie-overstijgend karakter, en de daaraan ten grondslag liggende functie- of organisatiebeschrijvingen op één lijn moeten worden gesteld met besluiten van algemene strekking. Daarom kunnen zij, gelet op het bepaalde in artikel 35, vierde lid van de LA, niet door de ambtenarenrechter worden beoordeeld.

2.7

Het gerecht heeft in hetgeen klaagster heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder de bestreden beslissing in redelijkheid niet heeft kunnen baseren op betreffende functiebeschrijving en waardering.

2.8

Uit de overgelegde stukken is voorts niet gebleken dat klaagster naast de functie van [functie], die zij vanaf 1 mei 2008 vervult, tevens definitief belast is met de functie van [functie]. De (enkele) waarneming van een functie biedt – anders dan klaagster kennelijk meent – geen grondslag voor een bevordering.

2.9

Naar het oordeel van het gerecht faalt voorts het door klaagster gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat voorschrijft dat gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden.

Verweerder heeft betoogd dat de bevordering van [A] met ingang van 1 augustus 2006 naar schaal 4 op een fout berust, omdat destijds abusievelijk was aangegeven dat de functie van [functie] was gewaardeerd op het niveau van schaal 4, welke fout hij ten aanzien van klaagster niet hoeft te herhalen. Wat hier ook van zij, uit de overgelegde stukken blijkt dat de functies binnen de Voogdijraad in juni 2009 zijn beschreven en gewaardeerd, waarbij de functie van [functie] – voor zover deze in augustus 2006 nog op het niveau van schaal 4 was gewaardeerd – inmiddels maximaal het niveau van schaal 3 bereikt. Nu deze functie vanaf in ieder geval juni 2009 maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 3, en de collega ([A]) reeds drie jaar daarvoor was bevorderd naar schaal 4, is naar het oordeel geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Bij de vaststelling van een functiebeschrijving komt het bevoegde gezag immers de nodige beoordelingsvrijheid toe, terwijl ook de waardering van werkzaamheden na verloop van tijd kan veranderen. Nu de functie van [functie] sedert juni 2009 maximaal is gewaardeerd op schaal 3, komt klaagster niet in aanmerking voor een bevordering naar schaal 4.

2.10

Gelet op het bovenstaande is het gerecht van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd haar naar schaal 4 te bevorderen. Dit leidt tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard.

2.11

Voor een kostenveroordeling is gelet op dit resultaat geen aanleiding.

3 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 30 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).