Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:20

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
GAZA nr. 1518 van 2015
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Disciplinair ontslag politieambtenaar, samen met twee collega’s heeft klaagster gekozen voor eigenrichting door een bij woning behorend erf zonder toestemming te betreden om deze te doorzoeken naar een gestolen motorfiets die toebehoort aan een van de collega’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 29 februari 2016

GAZA nr. 1518 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[ klaagster ],

wonende in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Illes,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 16 juni 2015, no. 4 (hierna: het ontslagbesluit), heeft verweerder besloten:

I aan klaagster, met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder i, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) de disciplinaire straf van ontslag op te leggen en te bepalen dat met toepassing van artikel 85, eerste lid, van de Lma, wegens dienstbelang, de disciplinaire straf van ontslag onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd;

II althans, voor zover de onder punt I genoemde ontslaggrond komt te vervallen, aan verzoekster met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder f, van de Lma eervol ontslag te verlenen met ingang van de dag van dagtekening van het besluit .

Op 14 juli 2015 heeft klaagster tegen het ontslagbesluit bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Bij uitspraak van dit gerecht van 31 augustus 2015, is het ontslagbesluit geschorst, totdat op het daartegen gemaakte bezwaar zal zijn beslist.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van 23 november 2015, alwaar zijn verschenen klaagster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

Standpunt klaagster

2.1

Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontslagbesluit niet in stand kan blijven, nu deze op onjuiste feiten is gebaseerd en zodoende aan een motiveringsgebrek lijdt. Volgens klaagster heeft verweerder zich compleet laten leiden door het strafvonnis in eerste aanleg, waarbij klaagster is veroordeeld ter zake van bedreiging en het wederrechtelijk binnentreden van een woning, terwijl dit inmiddels in hoger beroep is vernietigd en klaagster ter zake van die feiten is vrijgesproken. Klaagster betoogt voorts dat verweerder niet heeft aangegeven op grond waarvan gemeend wordt dat er sprake is van plichtsverzuim zijdens klaagster.

Het ontslagbesluit

2.2

Aan het aan klaagster opgelegde disciplinaire ontslag is ten grondslag gelegd dat zij “samen met haar collega’s de bewoner(s) van de woning te Sabana Basora 157 H, onder bedreiging met hun van dienstwege verstrekte vuurwapen hebben gedwongen hen toe te laten hun woning teneinde naar een motor (…) te onderzoeken”, en dat zij door het Gerecht in Eerste Aanleg (hierna: het GEA) bij vonnis van 12 februari 2015, wegens medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en het medeplegen van het wederrechtelijk binnendringen in een woning of een bij een woning behorend erf, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden en is ontzet uit het ambt van politieambtenaar voor de duur van drie jaren.

Verweerder overweegt dat, gelet hierop, klaagster tekort is geschoten in haar verantwoordelijkheden en verplichtingen als goed ambtenaar en zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Het vertrouwen in klaagster is in ernstige mate geschonden, waardoor zij tevens ongeschikt en onbekwaam moet worden geacht voor verdere uitoefening van haar ambt. Verweerder erkent voorts dat voormeld vonnis ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking nog niet onherroepelijk was, doch acht dat uit de vastgestelde feiten, klaagster zonder meer verweten kan worden in strijd te hebben gehandeld met haar uit haar ambt voortvloeiende plichten.

Het wettelijk kader

2.3

Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolgde het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel sluit een strafvervolging wegens een feit dat mede een plichtsverzuim inhoudt, een disciplinaire strafoplegging wegens datzelfde feit niet uit.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, onder i van de Lma kan de disciplinaire straf van ontslag worden toegepast.

De feiten

2.4

Bij de beantwoording van de vraag of klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, gaat het gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.4.1

In haar bezwaarschrift en ter zitting heeft klaagster ten aanzien van hetgeen zich op 16 maart 2013 heeft voorgedaan, het volgende verklaard.

Zij wist dat van haar collega [ collega 1 ], een motorfiets was gestolen en dat [ collega 1 ] naar die motorfiets op zoek was. Op 16 maart 2013 waren klaagster en haar echtgenoot, die ook politieambtenaar is, (hierna: [ collega 2 ]) onderweg naar huis, toen zij door [ collega 1 ] werden gebeld. [ collega 1 ] verzocht hen om met haar naar een woning te Sabana Basora te gaan, omdat [ collega 1 ] een tip had gekregen dat haar gestolen motorfiets bij die woning was gezien. Klaagster en [ collega 2 ] hebben aan het verzoek van [ collega 1 ] voldaan, en zij gingen in één auto. Bij de betreffende woning aangekomen reden zij het erf op en stapten met z’n allen uit. [ collega 1 ] en [ collega 2 ] spraken de bewoner(s) van de woning, die buiten zaten, aan, terwijl zij hun dienstwapen in handen hadden. Zij hebben de bewoner(s) bewogen om hen toegang tot de woning te verschaffen. Terwijl [ collega 2 ] en [ collega 1 ] binnen de woning aan het zoeken waren, heeft klaagster om de woning gelopen op zoek naar de motor.

2.4.2

Uit de aangifte van de bewoner blijkt dat hij zich door het handelen van de drie politieambtenaren, die volgens de aangever allen een vuurwapen in handen hadden, bedreigd voelde en voor zijn eigen veiligheid en die van zijn familieleden vreesde.

2.4.3

Bij brief van 30 augustus 2013 is klaagster in de gelegenheid is gesteld zich te verantwoorden ter zake van mogelijk plichtsverzuim. In die brief staat – voor zover hier van belang – het volgende:

“Uit het onderzoek naar uw gedragingen dat door het onderzoeksteam bestaande uit een medewerker van het Bureau Integriteit en Veiligheid van het Korps Politie Aruba en het personeel van de Landsrecherche werd verricht, is gebleken:

- dat u ervan wordt verdacht dat u op 16 maart 2013 buiten dienst op eigen gezag samen met de politieagenten de heer [ collega 2 ] (…) en mevrouw [ collega 1 ] (…) een woning zijnde perceel Sabana Basora 157H, wederrechtelijk binnen was gedrongen;

- dat u samen met bovenvermelde collega’s de bewoner(s) daarvan onder bedreiging met uw van dienstwege verstrekte dienstpistolen hebben gedwongen hen toe te laten hun woning naar een motor toebehorende aan mevrouw [ collega 1 ] (…) te onderzoeken. (…).”

2.4.4

Klaagster heeft geen gebruik gemaakt van deze haar geboden gelegenheid zich te verantwoorden.

2.4.5

Bij vonnis van het GEA van 12 februari 2015 is klaagster ter zake van het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en het medeplegen van het wederrechtelijk binnendringen in een woning of bij een woning behorend erf bij een ander in gebruik, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden. Tevens is zij bij dat vonnis ontzet van het recht om het ambt van politieambtenaar te bekleden voor de duur van drie jaren.

2.4.6

Bij vonnis van het Hof van 6 juli 2015 is bovenvermeld vonnis vernietigd en is klaagster in hoger beroep veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, wegens het medeplegen van het wederrechtelijk binnendringen in het bij een woning behorend erf bij een ander in gebruik.

Daarbij heeft het Hof overwogen dat klaagster samen met de medeverdachten, heeft gekozen voor eigenrichting – door zonder toestemming van de bewoner(s) een bij een woning behorend erf op te rijden, daar uit te stappen en over het erf heen en weer te lopen op zoek naar een motorfiets die van een van de medeverdachten was gestolen – waarbij zij misbruik heeft gemaakt van haar training en ervaring als politieagent, hetgeen een verkeerd signaal afgeeft aan de Arubaanse samenleving.

De beoordeling

2.5

Voor zover aan het ontslagbesluit de strafrechtelijke veroordeling van klaagster in eerste aanleg ten grondslag ligt, kan deze motivering de beslissing niet dragen nu die veroordeling in hoger beroep is vernietigd. In zoverre is het bezwaar gegrond.

2.6

Blijft over de vraag of verweerder op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging heeft verkregen dat klaagster zich aan de haar verweten gedraging, namelijk dat zij “samen met haar collega’s de bewoner(s) van de woning te Sabana Basora 157 H, onder bedreiging met hun van dienstwege verstrekte vuurwapen hebben gedwongen hen toe te laten hun woning te onderzoeken”, heeft schuldig gemaakt, en zo ja, of dit plichtsverzuim de opgelegde straf van ontslag rechtvaardigt.

2.7

Het gerecht beantwoordt deze vragen bevestigend en overweegt daartoe als volgt, Voorop wordt gesteld dat aan de integriteit en betrouwbaarheid van een politieambtenaar hoge eisen mogen worden gesteld en van een politieambtenaar - zeker in zijn functie maar ook daarbuiten -, gezien zijn voorbeeldfunctie, mag worden verwacht dat hij zichzelf niet in een positie brengt waarin zijn persoonlijke integriteit dan wel de integriteit van het korps ter discussie komt te staan.

In dit geval is vast komen te staan, uit de eigen verklaring van klaagster, de bewijsmiddelen zoals deze zijn opgenomen in het vonnis van het GEA, en het vonnis van het Hof in de zaak van klaagster als verdachte, dat klaagster zich met haar handelen schuldig heeft gemaakt aan eigenrichting, door samen met nog twee collega’s zonder toestemming van de bewoners een bij een woning behorend erf te betreden en te doorzoeken, waarbij zij en haar collega’s een voor de bewoners bedreigende situatie en intimiderende sfeer hebben gecreëerd. Dit levert plichtsverzuim op, waarvoor klaagster disciplinair kan worden gestraft.

2.8

Gelet op de aard en de ernst van het door klaagster gepleegde plichtsverzuim, acht het gerecht het gegeven disciplinair ontslag niet onevenredig zwaar.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het bezwaar gedeeltelijk gegrond, en vernietigt het Landsbesluit van 16 juni 2015 no. 4, voor zover daarin wordt vermeld dat betrokkene op 12 februari 2015 is veroordeeld ter zake van strafbare feiten;

- verklaart het bezwaar voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter zitting van maandag 29 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).