Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2016:15

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
15-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
GAZA nr. 1698 van 2015
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitblijven van een beslissing op een verzoek tot bevordering. Bezwaar is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 15 februari 2016

GAZA nr. 1698 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[ Klaagster ],

wonende in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: dhr. mr. L.A. Hernandis,

gericht tegen:

de minister van Economische Zaken, Communicatie, Energie en Milieu,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigden: mr. J.O. Senchi (DWJZ)

1 HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1

Bij brief van 17 mei 2010 heeft klaagster, ambtenaar in de rang van hoofdklerk (schaal 5) bij de Directie Economische Zaken, Handel en Industrie (hierna: DEZH), verweerder verzocht om haar met ingang van 1 oktober 2007 naar schaal 6 en met ingang van 1 oktober 2009 naar schaal 7 te bevorderen. Dit verzoek heeft klaagster bij brief van 6 mei 2011 en 16 januari 2015 herhaald.

1.2

Op 6 augustus 2015 heeft klaagster bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op haar bevorderingsverzoek.

1.3

De behandeling van het bezwaar van klaagster heeft plaatsgevonden op 7 december 2015, alwaar zijn verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

1.4

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE OVERWEGINGEN

2.1

Klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder geacht moet worden het nemen van een beschikking op haar verzoek om haar te bevorderen te hebben geweigerd, nu een beslissing op haar verzoek is uitgebleven.

2.2

Voor zover hier van belang bepaalt artikel 35, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: de La) dat een bezwaarschrift kan worden ingediend tegen een weigering om te beschikken. Blijkens de memorie van toelichting op deze bepaling is hiermee beoogd de ambtenaar niet alleen te beschermen tegen daden, maar ook tegen verzuim, nalatigheid, achterwege blijven van handelingen of beschikkingen, opzettelijk of uit zorgeloosheid.

Artikel 41, eerste lid van de La bepaalt, zover hier van belang, dat het bezwaarschrift moet worden ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen weigering is uitgesproken. Het tweede lid bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.

2.3

Volgens vaste jurisprudentie van dit gerecht wordt in het algemeen als redelijke termijn, waarin een orgaan geacht wordt een weigering om te beschikken op een bevorderingsverzoek te hebben uitgesproken, aangenomen een termijn van één jaar nadat het (schriftelijk) verzoek is ingediend. In de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 2 juni 2000 met nummer RvB 2006/60, is door de Raad onder meer overwogen dat een factor die bij bepaling van de duur van de beslistermijn een rol kan spelen is de mate waarin het bestuursorgaan reeds op de hoogte is van de zaak, bijvoorbeeld omdat in die zaak eerder (soortgelijke) verzoeken zijn gedaan of eerdere correspondentie heeft plaatsgevonden.

2.4

In de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken d.d. 21 oktober 2009 in de procedure RvBAz 2008/66, heeft de Raad geoordeeld dat de mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken primair een procedureel middel is dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming. Dit betekent dat wanneer een ambtenaar geen rechtsmiddelen heeft ingesteld dan wel buiten de bezwaar termijn (te vroeg of te laat) een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing na verloop van één jaar nadat een schriftelijk verzoek is ingediend, er geen rechtens onaantastbare met een afwijzing gelijk te stellen beslissing is ontstaan. De betrokken ambtenaar is nog steeds in staat om een nieuw (herhaald) verzoek in te dienen waarna er wederom binnen een redelijke termijn op het verzoek dient te worden beslist.

In de uitspraak Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 7 maart 2005 in de procedure RvBAz 2003/38 heeft de Raad onder meer het volgende overwogen: “Het Gerecht heeft geoordeeld dat daarbij als richtsnoer geldt dat die termijn voor de ambtenaar die heeft verzocht om een beschikking te geven en die op dat verzoek geen bericht ontvangt, aanvangt een jaar na dat (eerste) verzoek. Van de administratie kan en mag worden verwacht dat op veel verzoeken veel eerder dan na ommekomst van een jaar een beslissing wordt genomen. Het antwoord op de vraag wanneer het verzoek geldt als afgewezen, met andere woorden wanneer de beroepstermijn aanvangt, dient daarom naar het oordeel van de Raad zoals reeds meerdere malen uitgesproken van meerder factoren af te hangen. Onder meer, maar niet uitsluitend, dienen een rol spelen de aard van de zaak en de eenvoudigheid of ingewikkeldheid daarvan. Daarbij geldt dat voor bijzonder ingewikkelde verzoeken waarbij informatie bij meer dienstonderdelen moet worden ingewonnen, een beslistermijn van één jaar gehanteerd kan worden. Een andere factor die bij bepaling van de duur van de beslistermijn een rol kan spelen is de mate waarin de administratie reeds op de hoogte is van de zaak, bijvoorbeeld doordat in die zaak eerdere (soortgelijke) verzoeken zijn gedaan of eerdere correspondentie heeft plaatsgevonden“.

2.4.1

In het algemeen wordt er dan een termijn van zes maanden gehanteerd, maar dit dient per geval te worden overwogen. In het onderhavige geval was verweerder reeds sedert 17 mei 2010 bekend met het bevorderingsverzoek. Bij brief van 16 januari 2015 heeft klaagster voor het laatst gerappelleerd op haar bevorderingsverzoek. De weigering om te beslissen wordt derhalve geacht te zijn ontstaan op 17 juli 2015. Het bezwaar van klager, ingediend op 6 augustus 2015, is derhalve binnen 30 dagen na verloop van de termijn van zes maanden na indiening van het herhaalde bevorderingsverzoek van 16 januari 2015 ingediend. Het bezwaar is dan ook ontvankelijk.

2.5

Het gerecht stelt op grond van het vorenstaande voorts vast verweerder dat ten tijde van de indiening van het voorliggende bezwaarschrift nalatig was om tijdig te beslissen op het verzoek van klaagster. Hierin ligt besloten dat het bezwaar van klager gegrond is. Verweerder zal alsnog een beslissing moeten nemen op het verzoek van klager.

2.6

Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

3 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar gegrond;

vernietigt de weigering van verweerder om te beslissen op het (herhaalde) bevorderingsverzoek van klaagster van 16 januari 2015;

bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een beslissing dient te nemen op voornoemd verzoek van klaagster.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 15 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).