Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:7

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
15-06-2015
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
GAZA nr. 1849 van 2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 15 juni 2015

GAZA nr. 1849 van 2014

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

A,

wonende in Aruba,

KLAGER,

procederende in persoon,

gericht tegen:

De minister van Financiën en Overheidsorganisatie,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: J.O. Senchi en mr. I.L. Ras-Orman (DWJZ)

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 8 juli 2014 (hierna: de bestreden beslissing) heeft verweerder het verzoek van klager, gedaan bij brief van 16 april 2013 en herhaald bij brief van 12 maart 2014, tot toekenning aan hem van een toelage gekwalificeerde krachten met ingang van 1 september 2009, afgewezen.

Hiertegen is klager in bezwaar gekomen door indiening van een bezwaarschrift bij dit gerecht op 7 augustus 2014.

Verweerder heeft op 10 oktober 2014 een contramemorie ingediend en op 14 januari 2015 nadere producties.

De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 19 januari 2015, alwaar klager is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klager kan zich niet verenigen met de weigering aan hem de schaarstetoelage wederom toe te kennen en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij voldoet aan de toekenningsvoorwaarden voor die toelage. Tevens heeft klager een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, stellende dat aan zijn voorganger, X, over de periode waarin hij de functie van .... van de Directie Financiën heeft bekleed (november 2001 – april 2003) zowel een toelage conform de regeling gekwalificeerde krachten (schaarstetoelage) als een toelage conform artikel 25 van de Lma (diensthoofdentoelage) is toegekend en dat ook de huidige Directeur van de Centrale Accountantsdienst en de huidige Secretaris van de Raad van Advies beide toelagen ontvangen.

2.2

Bij Landsbesluit van 21 januari 2004 is aan klager, met toepassing van de regeling accountancytoelage gekwalificeerde krachten, met ingang van 1 juli 2003 een toelage, hierna te noemen: schaarstetoelage, toegekend. Bij Landsbesluit van 3 maart 2010 is klager met ingang van 1 september 2009 benoemd tot .... van de Directie Financiën onder toekenning aan hem van een tijdelijke toelage ex artikel 25 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma), vooruitlopend op de herziening van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (hierna: BRA) ter grootte van 25% van zijn bezoldiging. Daarbij is de schaarstetoelage stopgezet.

Tegen laatstgenoemd Landsbesluit van 3 maart 2010 heeft klager geen rechtsmiddelen aangewend, zodat de daarin opgenomen beslissingen inmiddels rechtens onaantastbaar zijn.

2.3

Klager heeft vervolgens verzocht om hem wederom de schaarstetoelage toe te kennen. In zijn verzoek van 16 april 2013 heeft klager gesteld dat hij recentelijk werd verwittigd van het feit dat kennelijk een aantal collega hoofden van Dienst in het genot zijn gesteld van twee gelijktijdig lopende persoonlijke toelagen, namelijk de diensthoofdentoelage ex artikel 25 Lma en de schaarstetoelage. Klager heeft daarbij het geval van de Secretaris van de Raad van Advies genoemd. Klager verbindt vervolgens hieraan de conclusie dat het beleid inzake toelagen met ingang van 2009 kennelijk is gewijzigd en verzoekt op grond hiervan en op grond van het beginsel van gelijke behandeling toekenning van de schaarstetoelage .

In zijn bezwaarschrift heeft klager het geval van zijn voorganger, X, genoemd. Ter zitting heeft klager vervolgens het geval van de .... van de Centrale Accountantsdienst genoemd.

2.4

Bij de bestreden beslissing heeft verweerder klager het volgende bericht:

“ (…) De schaarste toelage is met ingang van 1 september 2009 stopgezet wegens uw benoeming als .... van de Directie Financiën.

Verder zij vermeld dat indien aan u naast de 25% ex artikel 25 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht een schaarste toelage wordt toegekend, dit neerkomt op een dubbele beloning, hetgeen in strijd is met het vigerende personeelsbeleid alsook het financiële beleid dat ondermeer gericht is op beheersing van de personeelskosten. Afwijking hiervan zal een precedentscheppende werking hebben met aanzienlijke financiële consequenties en zal tegenstrijdig zijn aan het stringente monetaire beleid die het Land nu volgt.

Ten overvloede zij verwezen naar artikel 25, lid 2 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht waarbij wordt bepaald dat de toelage ten hoogste vijfentwintig ten honderd van de genoten bezoldiging mag bevatten.

Derhalve is uw verzoek voor schaarste toelage niet voor inwilliging vatbaar.”

2.5

Het gerecht stelt vast dat het verzoek van klager om wederom toekenning van de schaarstetoelage, ziet op herziening van de inmiddels rechtens onaantastbaar beslissing van verweerder van 3 maart 2010, om deze toelage stop te zetten. Ingevolge vaste jurisprudentie dient het gerecht de weigering van het bevoegde gezag om terug te komen op rechtens onaantastbare besluiten te eerbiedigen, tenzij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd, waarin het bevoegde gezag aanleiding had moeten vinden om de oorspronkelijke beslissing te herzien. Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn feiten of omstandigheden die na de eerdere beslissing zijn opgekomen of niet vóór deze beslissing konden worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het geven van de eerdere beslissing konden worden geproduceerd.

2.6

Dat sprake is van een wijziging van het beleid inzake toelagen met ingang van 2009, is niet gebleken. Blijft over de vraag of een beroep op het gelijkheidsbeginsel gezien kan worden als een nieuw feit of omstandigheid op grond waarvan verweerder genoopt zou zijn de eerdere beslissingen te herzien.

In de Nederlandse jurisprudentie (zie bv CRvB d.d. 18 mei 2006, 05/4504 WAO) wordt deze vraag ontkennend beantwoord, omdat het bij een novum dient te gaan om een feit of een omstandigheid die betrekking heeft op het oorspronkelijke besluit en daarvan bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. Het gerecht ziet in de omstandigheid dat een bepaling als artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), rond welke bepaling voormelde jurisprudentie tot stand is gekomen, in de Arubaanse wetgeving ontbreekt, onvoldoende aanleiding om de vraag of hier in Aruba een beroep op het gelijkheidsbeginsel als een nieuw gebleken omstandigheid kan worden aangemerkt, anders te beantwoorden dan de rechters in Nederland.

2.6

Gelet op het bovenstaande overweegt het gerecht dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en verweerder dus in redelijkheid heeft kunnen weigeren om terug te komen op zijn eerdere beslissing van 3 maart 2010 tot stopzetten van de schaarstetoelage. Het bezwaar van klager is ongegrond.

2.7

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 15 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).