Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:46

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
24-12-2015
Zaaknummer
Gaza nr. 1509 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Disciplinaire straf van ontslag. Art. 82 van de Lma. Processuele verweer: het verweer dat het besluit om klaagster te ontslaan niet in een openbare vergadering van de Staten is genomen mist feitelijke grondslag, nu de Staten ter openbare vergadering met algemene stemmen heeft besloten klaagster te ontslaan wegens plichtsverzuimen en onherstelbaar gebrek aan vertrouwen, welk besluit schriftelijk is neergelegd in de bestreden beschikking. Dat de ingangsdatum in het voordeel van klaagster is gewijzigd doet hier niet af.

Naar het oordeel van het Gerecht heeft klaagster met de hiervoor genoemde verweten gedragingen, niet gehandeld zoals een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen. Deze gedragingen leveren, in onderling verband en samenhang bezien, ernstig plichtsverzuim op als bedoeld in artikel 82 van de Lma. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat gelet op haar functie aan klaagster hoge eisen gesteld mogen worden ten aanzien van integriteit en betrouwbaarheid. Bovendien had klaagster als leidinggevende een voorbeeldfunctie voor haar medewerkers. Niet gebleken is dat het plichtsverzuim niet aan klaagster kan worden toegerekend.

Dit plichtsverzuim vormt reeds voldoende grondslag op voor het opgelegde strafontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 18 december 2015

Gaza nr. 1509 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[ xxxx ],

wonende te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

DE STATEN VAN ARUBA,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: de advocaat mr. L.M. Virginia.

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 12 juni 2015 no. US/102/14-15 (hierna: de bestreden beslissing) is aan klaagster primair met toepassing van artikel 83, eerste lid en onder sub i van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd (hierna: het strafontslag), subsidiair en meer subsidiair is ontslag verleend met toepassing van artikel 98, eerste lid en onder sub f van de Lma.

Daartegen heeft klaagster op 13 juli 2015 bezwaar ingesteld bij dit Gerecht.

De zaak is behandeld ter zitting van 27 november 2015, alwaar zijn verschenen klaagster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Feiten

2.1

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat het Gerecht uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.2

Bij beschikking van de Staten van Aruba (hierna: de Staten) van 31 maart 2006 is klaagster met ingang van 1 april 2006 benoemd tot Griffier der Staten van Aruba (hierna: Griffier).

2.3

Bij brief van 11 april 2014 (US/89/13-14) heeft de Voorzitter van de Staten aan klaagster opmerkingen gemaakt over het (dis)functioneren van klaagster. Hierbij is onder meer gewezen op:

a. de afwezigheid van klaagster bij een presentatie op 2 maart 2014 bij een dienstreis naar Curaçao;

b. de wijze van notuleren en vastleggen van besluiten;

c. het vertrek van substituut-griffier S. Boekhout;

d. onvoldoende onderbouwing financieel beheer;

e. een e-mailbericht van 24 maart 2014;

f. het oneigenlijk gebruik van dienstwagen en chauffeur;

g. de oneigenlijke bestelling van maaltijden.

Klaagster is in de gelegenheid gesteld zich terzake binnen zeven dagen schriftelijk bij de Voorzitter van de Staten te verantwoorden.

2.4

Bij schrijven van 17 april 2014 heeft klaagster gereageerd op de brief van

11 april 2014.

2.5

Op 1 september 2014 heeft Forensic Services Caribbean (FSC) een conceptrapport uitgebracht over het functioneren van klaagster.

2.6

Bij brief van 1 september 2014 is, onder verwijzing naar artikel 84 LMA, aan klaagster een overzicht verstrekt inzake de haar verweten handelingen en plichtsverzuimen. Hierbij is onder meer gewezen op:

1. De afwezigheid van klaagster bij een presentatie op 2 maart 2014 bij een dienstreis naar Curaçao;

2. Het niet dan wel niet deugdelijk verrichten van de kerntaken van de Griffier bestaande uit het notuleren, opstellen van besluitenlijsten en het vergezellen van oproepingen met ingekomen stukken alsmede de ondersteuning van de Voorzitter en de overige Statenleden;

3. De bejegening personeel, interne communicatie en samenwerking met zusterinstanties;

4. Ondeugdelijk financieel beheer, waaronder de aanschaf van een cellulair Samsung Galaxy S4 ter waarde van Afl. 1.646,25 voor privé-doeleinden, het niet laten stopzetten van de vaste autovergoeding en het aanpassen van de omschrijving van een make-up cursus;

5. E-mail met incorrecte informatie;

6. Oneigenlijk gebruik van bode en dienstwagen;

7. Oneigenlijke bestelling van maaltijden;

8. Afwezigheid, time-back en in strijd handelen met aanvraagprocedure vakantie;

9. Eigen bevoordeling;

10. Inkomende en uitgaande stukken;

11. Privé e-mails gedurende werktijd.

Klaagster is in de gelegenheid gesteld zich ten aanzien van deze punten binnen twee weken te verantwoorden.

2.7

Bij brief van 19 september 2015 (AM-2014-04-009) heeft klaagster zich verantwoord ten aanzien van de haar verweten gedragingen zoals neergelegd in het bij de brief van 1 september 2014 gevoegde overzicht.

2.8

Op 22 oktober 2014 heeft FSC een definitief rapport uitgebracht.

2.9

Bij brief van 3 november 2014 heeft de Centrale Commissie van de Staten aan de Staten bericht dat zij de Staten in overweging geven klaagster met ingang van

3 november 2014 te ontslaan vanwege plichtsverzuimen en onherstelbaar gebrek aan vertrouwen in klaagster en in haar functioneren als Griffier.

2.10

Blijkens Notulen nr. 6 van zittingsjaar 2014-2015 van de openbare vergadering van de Staten op 3 november 2014, in samenhang gezien met de brief van de Centrale Commissie van 3 november 2014, hebben de Staten ter openbare vergadering op 3 november 2014 met algemene stemmen besloten klaagster te ontslaan vanwege plichtsverzuimen en onherstelbaar gebrek aan vertrouwen in klaagster en in haar functioneren als Griffier.

2.11

Bij beschikking van de Staten van 25 februari 2015 is klaagster met ingang van 3 november 2014 wegens plichtsverzuim ontslagen als Griffier.

2.12

Bij de bestreden beslissing is de beschikking van 25 februari 2015 ingetrokken en is klaagster met ingang van 12 juni 2015 ontslagen als Griffier:

- primair wegens plichtsverzuim;

- subsidiair wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken omdat zij behept is met dusdanige eigenschappen van karakter, geest en/of gemoed dat zij daardoor de functioneel vereiste persoonlijke eigenschappen mist;

- meer subsidiair wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken vanwege gebrek aan vertrouwen en het in gevaar brengen van de ambtelijke onafhankelijkheid.

3. Klaagster kan zich niet verenigen met het haar verleende ontslag. Zij heeft gesteld dat het ontslag niet rechtsgeldig is nu niet is gebleken dat deze is genomen in een openbare vergadering van de Staten. Voorts is haar in strijd met artikel 84 van de Lma niet de gelegenheid gegeven zich tegenover het bevoegd gezag te verantwoorden. Hiernaast heeft zij de concrete verwijten zoals neergelegd in de bestreden beschikking gemotiveerd weerlegd.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Wettelijke kader

5.1

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening tot regeling van de positie en bezoldiging, alsmede van de aanspraken op verlof en verlofsbezoldiging, wachtgeld en pensioen van de Griffier van de Staten (hierna: de Landsverordening)

– voor zover hier van belang – zijn alle wettelijke regelingen die voor ambtenaren, in dienst van Aruba, gelden en betrekking hebben op de rechtspositie, voor zover hierin niet bij deze landsverordening anders is voorzien, op de Griffier van toepassing.

5.2

Ingevolge artikel III.12. derde lid, van de Landsverordening wordt de Griffier benoemd en ontslagen door de Staten.

5.3

Ingevolge artikel 4 van de Lma – voor zover hier van belang – wordt voor de toepassing van deze landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften verstaan onder het bevoegde gezag :

a. de Gouverneur met inachtneming van het hierna onder b bepaalde;

b. de Staten voor wat betreft benoeming, schorsing en ontslag van hun griffier.

5.4

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

5.5

.5 Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Lma kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

Ingevolgde het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

5.6

In artikel 83, eerste lid en onder sub i van de Lma is bepaald dat een van de disciplinaire straffen die kan worden toegepast, ontslag is.

5.7

Ingevolge artikel 84, eerste lid van de Lma wordt een disciplinaire straf niet opgelegd dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich te verantwoorden

5.8

Ingevolge artikel 85, eerste lid van de Lma kan de disciplinaire straf onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd, indien het dienstbelang dit vordert.

5.9

Ingevolge artikel 98, eerste lid en onder sub f van de Lma, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Beoordeling

6. Ten aanzien van de opgeworpen processuele verweren overweegt het Gerecht als volgt.

6.1

Niet in geschil is dat verweerder de bevoegde instantie is om klaagster te ontslaan als Griffier en dat op klaagster de bepalingen van de LMA van toepassing zijn.

6.2

De stelling van klaagster dat het besluit haar te ontslaan niet is genomen in een openbare vergadering van de Staten mist feitelijke grondslag. Zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.10 hebben de Staten ter openbare vergadering van

3 november 2014 met algemene stemmen besloten klaagster te ontslaan vanwege plichtsverzuimen en onherstelbaar gebrek aan vertrouwen welk besluit schriftelijk is neergelegd in de bestreden beschikking. Dat de ingangsdatum van dit ontslag bij het bestreden besluit ten voordele van klaagster is gewijzigd doet hier niet aan af.

6.3

De stelling van klaagster dat zij is strijd met artikel 84 van de Lma niet in de gelegenheid is gesteld zich tegen het ontslagvoornemen te verantwoorden wordt evenmin gevolgd.

Klaagster is bij schrijven van 11 april 2014 en 1 september 2014 in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden ten aanzien van de haar verweten gedragingen. In de brief van 1 september 2014 wordt daarbij aangeven dat het een verantwoording betreft ex artikel 84 van de Lma. Klaagster heeft van deze gelegenheden ook gebruik gemaakt en wel bij brieven van 17 april 2014 en 19 september 2014. Klaagster heeft het schrijven van 19 september 2014 zelf ook expliciet aangemerkt als een verantwoording in de zin van artikel 84 van de Lma. Hiernaast heeft klaagster uitgebreid verweer gevoerd tegen de beslissing van 25 februari 2015.

Nu het bestreden besluit berust op hetzelfde feitencomplex als neergelegd in het overzicht van 1 september 2014 en de beschikking van 25 februari 2015 is klaagster naar het oordeel van het Gerecht voldoende gelegenheid geboden verantwoording af te leggen als bedoeld in artikel 84 van de Lma.

7. Ten aanzien van de vraag of klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) plichtsverzuim, neemt het Gerecht het volgende in aanmerking.

7.1

Aan het bij de bestreden beslissing aan klaagster opgelegde disciplinair ontslag is onder meer ten grondslag gelegd dat klaagster nadat zij de beschikking kreeg over een leaseauto heeft nagelaten om de Directie Financiën hierover te informeren zodat de uitbetaling van de autokostenvergoeding kon worden stopgezet.

Niet betwist is dat klaagster maandelijks een autokostenvergoeding ontving. Evenmin is betwist dat zij sedert januari 2013 de beschikking had over een lease-auto en dientengevolge geen recht meer had op de autokostenvergoeding. Het Gerecht merkt het niet melden van de ten onrechte ontvangen autokostenvergoeding aan als ernstig plichtsverzuim, temeer nu dit over een langere periode heeft plaatsgevonden. Het salarisstrookje van klaagster vormde een maandelijkse herinnering aan dit feit. De door klaagster gestelde onbekendheid met een (concept) Landsbesluit doet niet af aan de ernst van dit plichtsverzuim nu het aan klaagster volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat zij geen recht meer had op de autokostenvergoeding.

7.2.

Klaagster wordt voorts verweten dat zij de dienstauto en de bode heeft gebruikt voor privé doeleinden. De stelling van klaagster dat dit slechts incidenteel gebeurde als een vergadering uitliep wordt niet aannemelijk geacht. Naar het oordeel van het Gerecht komt uit het rapport van FSC voldoende onderbouwd naar voren dat dit gedurende een aantal jaren en op een structurele basis geschiedde, zelfs als klaagster op reis was. De bode heeft hierover onder meer verklaard:

“Ik moet op verzoek van de Griffier haar drie kinderen van school afhalen en thuis afzetten. De laatste twee jaren is dit een routine geworden. ’s Morgens geeft de griffier mijn dagelijkse taken. Soms geeft ze aan dat de kinderen naar de tandarts moeten. Ik breng ze dan daar in opdracht van de Griffier. Soms moet ik de kinderen ook thuis ophalen en de jongste zoon naar voetbaloefening en een van de dochters bij ballet afzetten en weer ophalen. Het is langzamerhand een gewoonte geworden.

Het werd een van mijn taken. Ik deed dit met de dienstauto. Ik haal de kinderen op wanneer er vergaderingen zijn maar ook wanneer er geen vergaderingen zijn waardoor zij verhinderd kan zijn. Wanneer zij reisde gaf zij mij aan om de kinderen ’s morgens thuis op te halen en hun op school af te zetten en vice versa.”

Ook dit merkt het Gerecht aan als ernstig plichtsverzuim. Het vervoer van haar kinderen is de eigen verantwoordelijkheid van klaagster. Mede gelet op de zeer lange periode en het structurele karakter van deze gedragingen is naar het oordeel van het Gerecht voorts geen sprake van een overmachtssituatie.

7.3

Hiernaast heeft klaagster voor haar zoon op kosten van verweerder een smartphone Samsung Galaxy S4 ter waarde van Afl. 1.645,25 aangeschaft. De stelling van klaagster dat dit handelen geen plichtsverzuim oplevert omdat de telefoon is betaald ten laste van een haar toekomende onkostenvergoeding van

Afl. 900,-- per maand, miskent dat die vergoeding is bestemd voor door haar gemaakte onkosten en dat een eventueel batig saldo niet behoort te worden aangewend voor andere doeleinden.

7.4

Tevens is komen vast te staan dat klaagster de benaming van een factuur voor een cursus make-up heeft laten wijzigen naar “personal care”. Hiermee heeft zij naar het oordeel van het Gerecht bij de declaratie van deze cursus op zijn minst niet de vereiste transparantie betracht.

8. Naar het oordeel van het Gerecht heeft klaagster met de hiervoor genoemde verweten gedragingen, niet gehandeld zoals een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen. Deze gedragingen leveren naar het oordeel van het Gerecht, in onderling verband en samenhang bezien, ernstig plichtsverzuim op als bedoeld in artikel 82 van de Lma. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat gelet op haar functie aan klaagster hoge eisen gesteld mogen worden ten aanzien van integriteit en betrouwbaarheid. Bovendien had betrokkene als leidinggevende een voorbeeldfunctie voor haar medewerkers. Niet gebleken is dat het plichtsverzuim niet aan klaagster kan worden toegerekend.

9. Naar het oordeel van het Gerecht vormt dit plichtsverzuim reeds voldoende grondslag voor het opgelegde strafontslag, zodat de overige ten laste gelegde feiten buiten beschouwing kunnen blijven.

Hoewel het Gerecht begrijpt dat het strafontslag klaagster zwaar valt en voor haar grote (financiële) gevolgen heeft, leidt dit, gelet op de aard en ernst van de aan klaagster verweten gedragingen en de terecht hoge eisen die met betrekking tot de betrouwbaarheid en integriteit aan ambtenaren en in het bijzonder de Griffier van de Staten worden gesteld, niet tot de conclusie dat het strafontslag onevenredig is aan het plichtsverzuim. Het lange dienstverband van klaagster leidt niet tot een ander oordeel.

10. Concluderend komt het Gerecht dan ook tot het oordeel dat verweerder klaagster heeft kunnen ontslaan wegens plichtsverzuim. Het Gerecht komt daarom niet toe aan de gronden die zien op het subsidiair en meer subsidiair verleende ongeschiktheidsontslag.

11. Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim alsmede de omstandigheid dat klaagster ten tijde van het bestreden besluit al meer dan een jaar op non-actief was gesteld, kan evenmin worden geoordeeld dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het ontslag door het dienstbelang wordt gevorderd.

12. Het bezwaar is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.T. Paulides, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het Gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).