Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:43

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
Gaza nr. 1912 van 2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinair ontslag. Het bestreden landsbesluit kleeft een (motiverings)gebrek kleeft. Blijkens de bewoordingen van het landsbesluit blijkt dat aan het gestelde plichtsverzuim nog slechts vermoedens ten grondslag liggen. Bezwaar gegrond, bestreden landsbesluit vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 30 november 2015

Gaza nr. 1912 van 2014

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

A,

wonende te Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: mr. E. Duijneveld,

tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 24 juli 2014, no. 1, heeft verweerder besloten:

I. aan klager met toepassing van artikel 83, eerste lid, onderdeel i, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) de disciplinaire straf van ontslag op te leggen en deze straf wegens dienstbelang onmiddellijk ten uitvoer te leggen;

althans,

II. voor zover de onder I genoemde ontslaggrond komt te vervallen, aan klager met toepassing van artikel 98, eerste lid, onderdeel f, van de Lma eervol ontslag te verlenen, zulks met ingang van vijf dagen na dagtekening van dit besluit.

Tegen deze beschikking heeft klager op 13 augustus 2014 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Bij uitspraak van 15 september 2014, GAZA nr. 1911 van 2014, heeft het gerecht, beslissend op een daartoe strekkend verzoek van klager, op grond van artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) een voorziening bij voorraad getroffen, inhoudende dat het bestreden landsbesluit wordt geschorst totdat in hoogste instantie op het daartegen gerichte bezwaar zal zijn beslist.

Op 18 december 2014 heeft verweerder een contramemorie ingediend.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van 31 augustus 2015, alwaar zijn verschenen klager in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klager is als ambtenaar werkzaam in de functie van ... bij het Departamento ... Als zodanig is hij werkzaam in ….

2.2

In het bestreden landsbesluit wordt klager – samengevat – verweten, dat hij zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en dat hij vermoedelijk ook betrokken was bij het frauduleus invoeren van accijnsgoederen. Voorts wordt overwogen dat het vermoedelijk gepleegde strafbare feit direct in relatie staat met het functioneren van klager als ambtenaar, dat het door hem getoonde gedrag ongepast en onaanvaardbaar is en als een grote mate van onverantwoordelijkheid kan worden beschouwd en dat hij de integriteit van de Departamento ... en zichzelf ernstig heeft geschaad. Verweerder concludeert dat klager zich aldus schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat het vertrouwen in hem ernstig is geschaad, waardoor er aanleiding bestaat om hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, dan wel om hem wegens ongeschiktheid en onbekwaamheid te ontslaan.

2.3

In de uitspraak van 15 september 2014, gedaan op het verzoek van klager tot het treffen van een voorziening bij voorraad, heeft het gerecht als zijn voorlopig oordeel gegeven dat aan het bestreden landsbesluit een (motiverings)gebrek kleeft, er, kort gezegd, uit bestaande dat blijkens de bewoordingen van het landsbesluit aan het gestelde plichtsverzuim nog slechts vermoedens ten grondslag liggen. Het gerecht schaart zich geheel achter de desbetreffende rechtsoverwegingen (in het bijzonder ro. 2.4 tot en met ro. 2.8) en maakt het in die uitspraak neergelegde voorlopige oordeel tot zijn definitieve oordeel. De uitspraak van 15 september 2014 wordt als bijlage aan de onderhavige uitspraak gehecht.

2.4

Dit betekent dat het bezwaar gegrond is en het bestreden landsbesluit dient te worden vernietigd.

2.5

Ter zitting heeft verweerder nog bepleit om de nietigheid van het landsbesluit voor gedekt te verklaren. Met het oog daarop heeft verweerder aangeboden om, mede aan de hand van opgenomen videobeelden, ter terechtzitting een aantal getuigen te doen horen.

Het gerecht ziet daartoe onvoldoende aanleiding. Het aan het landsbesluit klevende motiveringsgebrek acht het gerecht daarvoor te groot. Het is in de eerste plaats aan verweerder, zo hij van mening is dat er niettemin voldoende gronden zijn om klager te ontslaan, in een nieuw landsbesluit gemotiveerd blijk te geven dat een gedegen onderzoek heeft plaatsgevonden naar klagers betrokkenheid bij de gestelde feiten.

2.6

Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. In aanmerking genomen dat voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling in de procedure inzake het treffen van een voorziening bij voorraad geen wettelijke grondslag bestaat, alsmede gelet op de beslissing van het gerecht in die procedure, ziet het gerecht aanleiding om in de thans uit te spreken kostenveroordeling mede de kosten te betrekken die klager in die procedure heeft moeten maken. Die kosten kunnen, evenals de kosten gemaakt in de bodemprodedure, geacht worden op de voet van artikel 86, derde lid, van de La voor vergoeding in aanmerking te komen.

De kosten worden begroot op in totaal Afl. 2.000,= voor salaris van de gemachtigde.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

 verklaart het bezwaar gegrond;

 vernietigt het landsbesluit van 24 juli 2014, no. 1;

 veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager gemaakte proceskosten, die worden begroot op Afl. 2.000,= aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2015, in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).