Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:40

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
GAZA nr. 955 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 16 november 2015

GAZA nr. 955 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[ xxxx ],

wonende in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

gericht tegen:

de minister van Economische Zaken, Communicatie en Energie,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ)

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 14 april 2015 heeft verweerder het verzoek van klaagster om met ingang van1 januari 2008 bevorderd te worden naar de rang van commies (schaal 8) en met ingang van 1 januari 2010 naar de rang van commies 1ste klasse (schaal 9), afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft klaagster op 11 mei 2015 bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft op 13 juli 2015 een contra-memorie ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 24 augustus 2015, alwaar klaagster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Het gerecht gaat in de onderhavige zaak uit van de navolgende feiten.

Klaagster bekleedde de functie van Chef Secretariaat bij de Directie Telecommunicatiezaken en is met ingang van 1 oktober 2006 bevorderd naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7, dienstjaar 9). Met ingang van 22 september 2014 is aan klaagster eervol ontslag verleend wegens het bereiken van de zestigjarige leeftijd. In september 2009 heeft klaagster een verzoek gedaan om met ingang van 1 januari 2006 bevorderd te worden naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7) en met ingang van 1 januari 2008 naar de rang van commies (schaal 8). Dit verzoek is door verweerder voor wat betreft de bevordering naar schaal 7 gehonoreerd en voor wat betreft de bevordering naar schaal 8 afgewezen. Tegen laatstgenoemde afwijzing heeft klaagster bezwaar gemaakt, doch was dit bezwaar tardief waardoor klaagster bij beschikking van 9 juni 2010 door het gerecht niet-ontvankelijk is verklaard. De afwijzende beschikking is inmiddels rechtens onaantastbaar. Op 19 augustus 2013 en 21 november 2013 heeft klaagster verweerder opnieuw verzocht haar te bevorderen, en wel naar de rang van commies (schaal 8) met ingang van 1 januari 2008 en de rang van commies 1ste klasse (schaal 9) met ingang van 1 januari 2010. Dit verzoek is door verweerder afgewezen bij brief van 14 april 2015.

2.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door klaagster bekleedde functie van Chef secretariaat maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 7 en nu klaagster reeds met ingang van 1 januari 2006 is bevorderd naar schaal 7, zij om die reden niet voor verdere bevordering in aanmerking komt.

2.3

Klaagster kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking en stelt zich op het standpunt dat de door haar bekleedde functie ten onrechte is gewaardeerd op het niveau van schaal 7. In de ‘waardering functieniveau’ is aan de functie ten onrechte een totaalscore van 11 punten toebedeeld. Die totaalscore behoort aldus klaagster 14 punten te zijn, waardoor de maximale waardering van de functie hoger komt te liggen.

2.4

Het gerecht stelt voorop dat de bevoegdheid van verweerder om ambtenaren al dan niet te bevorderen discretionair van karakter is. Dit brengt met zich mee dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.5

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

2.6

Ingevolge artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (de BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht. Voor een bevordering tot de rang van commies schaal 8 geldt onder meer de voorwaarde dat de betrokken ambtenaar een functie dient te vervullen die de waardering op dat niveau rechtvaardigt.

2.7

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, moeten functiewaarderingsbesluiten, mede vanwege hun functie-overstijgend karakter, en de daaraan ten grondslag liggende functie-of organisatiebeschrijvingen op één lijn worden gesteld met besluiten van algemene strekking. Daarom kunnen zij, gelet op het bepaalde in artikel 35, vierde lid van de La, niet door de ambtenarenrechter worden beoordeeld.

2.8

Voorts merkt het gerecht op dat de verzoeken van augustus 2013 en november 2013 tot bevordering van klaagster, verzoeken betreffen tot herziening van een reeds onherroepelijk geworden besluit. Het verzoek gedaan in 2013 heeft dezelfde strekking als het eerste verzoek van september 2009. De afwijzende beschikking op dat verzoek uit 2009 is inmiddels onherroepelijk geworden. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dienen in het kader van een dergelijk herzieningsverzoek nieuwe feiten of omstandigheden die niet eerder bekend konden zijn geweest worden aangevoerd. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheden als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren. Dit zou immers neerkomen op een verkapt hoger beroep.

2.9

Op grond van al het voorgaande overweegt het gerecht als volgt. De bezwaren van klaagster zijn gericht tegen het functiewaarderingsbesluit, welke ten grondslag ligt aan het standpunt van verweerder dat de door klaagster bekleedde functie maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 7. Niet alleen betreffen dit dezelfde bezwaren als die ook door klaagster zijn geuit jegens de reeds onherroepelijk geworden beschikking waardoor de thans aangevoerde bezwaren niet als nieuwe feiten of omstandigheden die herziening rechtvaardigen kunnen worden gekwalificeerd, doch betreft de functiewaardering een besluit die niet ter inhoudelijke beoordeling van dit gerecht staat. Dat de functiewaardering in strijd met enige algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen is het gerecht niet gebleken, waardoor het gerecht van de juistheid daarvan zal uitgaan. Verweerder heeft zich zodoende op het standpunt mogen stellen dat de door klaagster bekleedde functie maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 7 waardoor zij niet voldoet aan de eisen om te kunnen worden bevorderd naar het niveau van schaal 8. Hierdoor is ook een verdere bevordering naar schaal 9 uitgesloten. Klaagster heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot afwijzing van haar bevorderingsverzoek.

2.10

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is.

2.11

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond;

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 16 november 2015 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).