Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:4

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-06-2015
Datum publicatie
04-06-2015
Zaaknummer
GAZA nr. 3280 van 2013
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtenarenzaak. Klager heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen van 1 november 2013 en 19 april 2004, waarbij zijn verzoeken om bevordering zijn afgewezen. Klager is ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de beschikking van 19 april 2004, nu hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet eerder dan bij de beschikking van 1 november 2013 kennis heeft kunnen nemen van het bestaan van die beschikking. De gronden voor het bezwaar van klager, namelijk dat hij door verweerder in de overtolligheidspool werd geplaatst en hij gedurende tien jaar in dezelfde schaal is vastgehouden, slagen niet. Klager heeft zich bij terugkeer van een studieopdracht in het buitenland niet bij zijn dienst gemeld, waardoor zijn non-activiteit niet aan verweerder te wijten is. Klager heeft daardoor niet kunnen voldoen aan bevorderingseisen. Enkel tijdsverloop (dienstanciënniteit) is niet enige bevorderingseis. Bezwaar is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 1 juni 2015

GAZA nr. 3280 van 2013

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

procederende in persoon,

gericht tegen:

De minister van Justitie,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. N. Turuçlu (DWJZ)

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 1 november 2013 heeft verweerder de bevorderingsverzoeken gedaan door klager bij brief van 5 november 2009 en herhaald bij brief van 26 juni 2010, afgewezen, verwijzende naar eerdere verzoeken van klager om bevordering die bij brief van 19 april 2004 eveneens zijn afgewezen.

Tegen de voornoemde beschikkingen van 1 november 2013 en 19 april 2004 heeft klager op 28 november 2013 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Verweerder heeft op 24 maart 2014 een contra-memorie ingediend.

Beide partijen heb op 8 december 2014 een akte gediend.

De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 22 september 2014 en 29 september 2014, alwaar klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klager kan zich niet verenigen met de beschikking(en) van verweerder stellende dat die in strijd is (zijn) met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, alsmede het fair-play beginsel. Klager stelt zich op het standpunt dat de hij door verweerder in de overtolligheidspool is geplaatst en dat hij aan alle eisen voor bevordering voldoet en het onbestaanbaar is dat hij gedurende tien jaar in dezelfde schaal wordt vastgehouden. Klager meent dat hij in aanmerking komt voor een bevordering naar de rang van Hoofdcommies 1ste klasse (schaal 11), omdat hij vanaf zijn overplaatsing met ingang van 1 januari 1995 een functie bekleedt die dat niveau rechtvaardigt. Klager heeft voorts gesteld dat hij de beschikking van 19 april 2004 nimmer heeft ontvangen en van het bestaan van die beschikking pas heeft kennisgenomen bij ontvangst van de beschikking van 1 november 2013.

2.2

In geschil zijn de vragen of het bezwaar van klager tegen de beschikking van 19 april 2004 ontvankelijk is en of verweerder op goede grond heeft besloten klager niet te bevorderen.

2.3

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van voornoemd artikel van de La bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, die indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

2.4

Verweerder heeft niet kunnen aantonen dat de beschikking van 19 april 2004 daadwerkelijk aan klager is uitgereikt. Het gerecht gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van klager dat hij van het bestaan van de beschikking niet eerder dan bij de beschikking van 1 november 2013 kennis heeft kunnen nemen. Klager heeft binnen 30 dagen na kennisname van het bestaan van de beschikking van 19 april 2004 bezwaar hiertegen gemaakt, waardoor hij daarin kan worden ontvangen.

2.5

Bij beoordeling van het inhoudelijk geschil gaat het gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Klager is met ingang van 27 augustus 1984 aangesteld in de functie van hulpcommies der belastingen (schaal 4) bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen Aruba. Klager is met ingang van 1 januari 1995 van de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen Aruba overgeplaatst naar de Directie Economische Zaken Handel en Industrie (DEZHI). Tevens werd klager met ingang van 1 januari 1995 van hoofdklerk (schaal 5) bevorderd naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse (schaal 7). Met ingang van 1 oktober 1998 is klager van DEZHI overgeplaatst naar de Directie Financiën en ter beschikking gesteld van de toenmalige minister van Financiën met behoud van zijn rechtspositie. Aan klager is met ingang van augustus 1999 een studieopdracht verleend. In augustus 2002 heeft betrokkene zijn (vervolg)studie onderbroken en op 7 september 2002 is hij naar Aruba teruggekeerd. Hierna heeft hij tot 1 januari 2010 geen werkzaamheden meer verricht.

2.6

Niet is gebleken dat klager zich na zijn terugkeer uit Nederland in september 2002, bij zijn dienst (Directie Financiën) heeft gemeld voor hervatting van zijn werkzaamheden. Zijn bezwaargrond dat hij in de overtolligheidspoel is geplaatst door verweerder en zijn non-activiteit niet aan hem te wijten is, slaagt dan ook niet.

2.7

Het gerecht overweegt voorts dat bevordering geen recht van de betrokken ambtenaar is noch een automatisme, doch een discretionaire bevoegdheid betreft van de Gouverneur. Dat betekent dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. De Bezoldigingsregeling behelst de eisen voor bevordering en het gerecht dient te toetsen of de Gouverneur aan de hand van die bevorderingseisen in redelijkheid tot de bestreden beslissing heeft kunnen komen. Anders dan klager kennelijk meent, is het enkele tijdsverloop (dienstanciënniteit) niet de enige bevorderingseis. Vast staat dat klager ruim 7 jaar non-actief is geweest, en dat hij dan ook over die periode niet heeft kunnen voldoen aan het voor de bevordering geldende vereiste van een gunstige beoordeling. Dat klager in 2005 enkele maanden bij KIA tewerk is gesteld en daarna per 1 januari 2010 ter beschikking is gesteld van het bureau van de minister van Justitie leidt niet tot een andere conclusie. Het gerecht is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat klager niet voldoet aan de bevorderingseisen zodat zijn verzoek terecht is afgewezen.

2.8

Klager bekleedt vanaf 1 juli 2014 de functie van hoofd bedrijfsvoering bij Archivo Nacional Aruba, welke functie gewaardeerd is op maximaal schaal 11. Dit is evenwel geen benoemde functie, wat directe plaatsing in de voor die functie gewaardeerde schaal zou rechtvaardigen, maar een carrièrefunctie. Dit betekent dat klager zal moeten voldoen aan de bevorderingseisen teneinde in aanmerking te kunnen komen voor bevordering. Daarvan is echter nog niet gebleken.

2.9

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar, zowel tegen de beschikking van 19 april 2004 als tegen de beschikking van 1 november 2013, ongegrond is.

2.10

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond;

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 1 juni 2015 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).