Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:37

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-11-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
Gaza nr. 644 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bezwaar tegen toegekende gratificatiebedrag – bezwaar ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 2 november 2015

Gaza nr. 644 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

A,

wonende in Aruba,

KLAGER,

procederend in persoon,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mw. mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 18 februari 2015 no. 18 (hierna: de bestreden beslissing), door klager ontvangen op 27 februari 2015, is aan klager met toepassing van artikel 75 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) een gratificatie ter grootte van Afl. 500,- per jaar toegekend voor de kalenderjaren 2008, 2009 en 2010.

Daartegen heeft klager op 27 maart 2015 bezwaar ingesteld bij dit gerecht.

De zaak is behandeld ter zitting van 21 september 2015, alwaar zijn verschenen klager in persoon en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klager kan zich niet verenigen met de aan hem verleende gratificatiebedragen en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat hij gratificaties ter grootte van een maandsalaris zou ontvangen omdat zulks in het verleden, namelijk voor de jaren 2006 en 2007 en wegens dezelfde reden, namelijk het naast de eigen werkzaamheden ook de werkzaamheden van de functie van [ ] verrichten, ook is geschied. Voorts heeft klager zich op het standpunt gesteld dat er geen enkel beleid bestaat op grond waarvan het gratificatiebedrag kan worden beperkt. Tenslotte beklaagt klager zich erover dat er nog geen beslissing is genomen op zijn verzoeken om gratificaties voor de jaren 2003, 2004 en 2005.

2.2

Ingevolge artikel 75, eerste lid juncto het tweede lid onder b van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) kan de ambtenaar wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichting door het bevoegde gezag worden beloond met een gratificatie, die in een kalenderjaar niet meer zal mogen bedragen dan een som gelijk aan het per maand genoten inkomen.

Bij circulaire van 29 september 2006 is een richtlijn uitgevaardigd ter zake van de toepassing van bovenbedoeld artikel, het zogenoemde gratificatiebeleid. Ingevolge dit beleid wordt een gratificatie toegekend bij een ambtsjubileum, bij loffelijke dienstverrichting, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, en bij waarneming van een functie in schaal 7 of lager, waarbij de gratificatie maximaal Afl. 500,- per kalenderjaar zal bedragen.

2.3

Het gerecht stelt voorop dat een ambtenaar geen recht heeft op een gratificatie. De bevoegdheid van verweerder om aan een ambtenaar een gratificatie te verlenen is van discretionaire aard. De rechterlijke toetsing van besluiten waarbij een bestuursorgaan gebruik heeft gemaakt van een discretionaire bevoegdheid dient terughoudend te zijn. Het gerecht dient daarbij slechts de vraag te beantwoorden of verweerder in redelijkheid tot de bestreden beslissing heeft kunnen komen en daarbij niet heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel.

2.4

Bij de beantwoording van die vraag neemt het gerecht het volgende in aanmerking.

Klager heeft bij brief van 9 december 2010 verzocht om gratificaties voor de jaren 2003, 2004, 2005, 2008, 2009 en 2010, omdat hij gedurende die jaren zowel de functie van applicatiebeheerder als die van systeembeheerder heeft vervuld. Naar aanleiding van dit verzoek zijn aan klager, op grond van artikel 75 van de Lma, gratificaties toegekend voor de jaren 2008, 2009 en 2010. Aan de beslissing om telkens een bedrag van Afl. 500,- als gratificatie toe te kennen, is als motivering ten grondslag gelegd, het vigerende personeelsbeleid alsook het financiële beleid dat ondermeer gericht is op beheersing van de personeelskosten.

2.5

Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat het verzoek van klager om gratificaties voor de jaren 2003 tot en met 2005, impliciet is afgewezen omdat het verzoek van klager dateert van 9 december 2010 en verweerder het beleid hanteert dat toelagen niet meer dan drie jaren terug mogen werken gerekend vanaf de datum van de officiële registratie van het verzoek.

2.6

Bovengenoemde vaste beleidslijn doorstaat de rechterlijke toets. Het bezwaar van klager voor zover gericht tegen het uitblijven van gratificaties voor de jaren 2003 tot en met 2005, is daarom ongegrond.

Het gerecht overweegt voorts dat het kennelijke standpunt van klager, dat de gratificatie wegens loffelijke dienstverrichting een bedrag gelijk aan een maandinkomen is of dient te zijn, geen steun vindt in de wet noch in het gratificatiebeleid. Dat klager in het verleden (bij Landsbesluiten van 21 februari 2008 voor de jaren 2006 en 2007) gratificaties heeft ontvangen van telkens een maandinkomen, brengt niet met zich dat het verweerder thans niet meer vrij staat om in het kader van de beheersing van personeelskosten vanwege de precaire financiële situatie van het Land, een ander (lager) bedrag toe te kennen. Het gerecht acht het niet onredelijk dat verweerder daarbij aansluiting heeft gezocht bij het beleid ten aanzien van gratificatie in verband met waarneming van een functie in schalen 7 of lager. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake. Dat verweerder in redelijkheid niet tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen, is derhalve niet gebleken.

2.7

Het vorenstaande leidt dan ook tot de conclusie, dat het bezwaar ongegrond is.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 2 november 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).