Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:36

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-11-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
GAZA nr. 1059 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

weigering om te beschikken – bezwaar gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 2 november 2015

GAZA nr. 1059 van 2015

GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

A,

wonende te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

gericht tegen:

de minister van Financiën en Overheidsorganisatie,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ),

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 20 november 2008, gericht aan verweerder, heeft klaagster verzocht om haar te bevorderen naar een rang die wordt bezoldigd overeenkomstig schaal 11. Bij brief van 22 oktober 2014 heeft klaagster dit verzoek herhaald.

Tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek heeft klaagster op 19 mei 2015 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

De zaak is behandeld ter zitting van 31 augustus 2015, alwaar is verschenen klaagster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Nu verweerder geen beslissing heeft genomen op het op 20 november 2008 ingediende en op 22 oktober 2014 herhaalde verzoek van klaagster mocht zij, gelet op de aard van dat verzoek, ten tijde van het indienen van haar bezwaarschrift aannemen dat verweerder heeft geweigerd op haar verzoek te beschikken. Naar het oordeel van het gerecht is het bezwaarschrift tegen deze (fictieve) weigering tijdig ingediend.

2.2

Nu verweerder nog altijd niet inhoudelijk op klaagsters verzoek heeft beslist, is het bezwaar gegrond en zal de bestreden (fictieve) beschikking nietig worden verklaard. Het gerecht verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 21 oktober 2009, ECLI:NL:ORBANAA:2009:BK9368, waaruit volgt dat de weigering te beschikken niet als een afwijzende beschikking, noch als een goedkeurende beschikking wordt gekwalificeerd. De mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken is derhalve (primair) een procedureel middel dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming. Verweerder zal derhalve alsnog een (reële) beslissing moeten nemen op het verzoek van klager. Het gerecht zal daartoe een termijn stellen van drie maanden na heden.

2.3

Omdat klaagster bij gemachtigde is verschenen en hierdoor aannemelijk heeft gemaakt noodzakelijke kosten aan juridische bijstand te hebben gemaakt, zal verweerder worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, die begroot wordt op een bedrag van Afl. 500,- aan gemachtigdensalaris.

2.4

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

 verklaart het bezwaar gegrond;

 vernietigt de fictieve weigering van verweerder om te beslissen op het verzoek van klaagster van 22 oktober 2014;

 draagt verweerder op om binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak schriftelijk op het bevorderingsverzoek van klaagster te beschikken;

 veroordeelt verweerder tot betaling van de door klaagster voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, die begroot wordt op een bedrag van Afl. 500,-.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag, 2 november 2015 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).