Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:34

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
GAZA nr. 2087 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

disciplinaire straf van ontslag wegens strafrechtelijke veroordeling – verzoek voorziening bij voorraad afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 19 oktober 2015

GAZA nr. 2087 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

A.,

wonende in Aruba,

VERZOEKER,

gemachtigde: de advocaat mr. E. Duijneveld,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 19 augustus 2015, no. 38, is aan verzoeker met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder i, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd; daarbij is tevens bepaald dat deze straf met toepassing van artikel 85, eerste lid, van de Lma wegens dienstbelang onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

Verzoeker heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Op 16 september 2015 heeft verzoeker zich tevens tot het gerecht gewend met een verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad ertoe strekkende dat zijn ambtelijke bezoldiging wordt doorbetaald totdat de bestreden beschikking onherroepelijk is geworden.

Het verzoek is op 28 september 2015 in raadkamer behandeld, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde; verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

2. OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 94 van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.

2.2

Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 van de La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

2.3

Aan het aan verzoeker opgelegde disciplinaire ontslag is ten grondslag gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door tijdens het uitoefenen van zijn werkzaamheden als gevangenbewaarder in het Korrektie Instituut Aruba (KIA) tezamen met een aantal collega’s een geboeide gevangene ernstig te mishandelen.

2.4

Verzoeker ontkent niet de verweten gedraging te hebben begaan, doch stelt zich op het standpunt dat de disciplinaire maatregel van ontslag daarop een te zware reactie is. In dit verband heeft hij erop gewezen dat zijn handelen een uiting van frustratie is geweest, ingegeven door de zware en onveilige omstandigheden waaronder hij en zijn collega’s hun werk moeten doen. Voorts heeft hij betoogd dat verweerder, door anderen die zich eveneens hebben schuldig gemaakt aan de mishandeling van desbetreffende gevangene dan wel aan soortgelijke handelingen, niet te bestraffen, heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.5

Naar het voorlopig oordeel van het gerecht kan niet vrucht worden staande gehouden dat er tussen de door verweerder aan verzoeker opgelegde straf en de gepleegde overtreding onevenredigheid bestaat, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de La. Daartoe wordt overwogen dat verzoeker door ten aanzien van de gevangene te handelen zoals hij heeft gedaan, een van zijn belangrijkste verplichtingen als gevangenbewaarder heeft verzaakt. Het is immers bij uitstek zijn verantwoordelijkheid om de veiligheid van de in het KIA verblijvende gedetineerden te waarborgen. Zijn handelen kan derhalve als ernstig plichtsverzuim worden aangemerkt, dat in beginsel een onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. De door verzoeker gestelde zware en onveilige arbeidsomstandigheden werpen voorts onvoldoende gewicht in de schaal om tot het oordeel te komen dat het gegeven ontslag een te zware sanctie is. Een en ander komt ook tot uiting in het feit dat verzoeker bij vonnis van 13 mei 2015 voor de hem verweten gedraging (gekwalificeerd als medeplegen van foltering, strafbaar gesteld bij artikel 8 van de Landsverordening internationale misdrijven) door de strafrechter is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden en hem tevens het recht is ontnomen van het bekleden van ambten voor een periode van vijf jaren.

2.6

Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim kan evenmin worden geoordeeld dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het ontslag door het dienstbelang wordt gevorderd. De omstandigheid dat het strafvonnis nog niet onherroepelijk is, doet daaraan niet af. Onder de gegeven omstandigheden behoefde verweerders beslissing op dit punt, anders dan verzoeker heeft betoogd, geen bijzondere motivering.

2.7

Verzoekers stelling dat verweerder met de bestreden beschikking heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, is onvoldoende onderbouwd. De omstandigheid dat niet tegen alle van de tegelijkertijd met hem door de strafrechter veroordeelde collega’s een gelijke disciplinaire maatregel is getroffen, geeft onvoldoende blijk van schending van dit rechtsbeginsel. Daarbij is in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat verweerder omtrent het nemen van disciplinaire maatregelen jegens die collega’s reeds een definitief standpunt heeft ingenomen. De door verzoeker gestelde andere gevallen waarin geweld tegen gedetineerden is gebruikt, zijn naar het voorlopig oordeel van het gerecht niet op een lijn te stellen van de gedraging van verzoeker en zijn voornoemde collega’s.

2.8

Dit alles leidt het gerecht tot de conclusie dat het bezwaar van verzoeker in de bodemprocedure waarschijnlijk ongegrond zal worden verklaard. Voor het treffen van een voorziening bij voorraad bestaat daarom geen aanleiding. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken in raadkamer op maandag 19 oktober 2015 in aanwezigheid van de griffier.