Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:3

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-05-2015
Datum publicatie
20-05-2015
Zaaknummer
GAZA nr. 834 van 2015
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ministeriële beschikking tot instelling onderzoekscommissie die tot taak om onder meer onderzoek te doen naar incident dat geleid heeft tot oplegging disciplinaire straf aan verzoekster is geen beschikking of handeling ten aanzien van een ambtenaar als zodanig genomen of verricht. Niet vatbaar voor bezwaar bij gerecht in ambtenarenzaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 11 mei 2015

GAZA nr. 834 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een beslissing bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[verzoekster],

wonende in Aruba,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. H.S. Croes,

gericht tegen:

de minister van Onderwijs en Gezin,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: de advocaten mrs. D.M. Canwood en J.P. Sjiem Fat.

1 PROCESVERLOOP

Op 13 april 2015 heeft verweerder een ministeriële beschikking vastgesteld, luidende als volgt:

Overwegende:

dat bij beschikking van 20 maart 2015, kenmerk Reg. 1-2015 deel 2, disciplinaire maatregel is opgelegd aan [verzoekster] voornoemd, wegens een ernstige vorm van onprofessioneel en niet-pedagogisch handelen jegens een leerling van klas [X] van de [naam school], en diens ouders;

dat sindsdien feiten aan het licht zijn gekomen die ertoe nopen zo spoedig als mogelijk een nader onderzoek te doen naar deze feiten, alsmede naar de diepere oorzaken en omstandigheden waardoor het onderhavige geval heeft kunnen gebeuren, als ook om hierover advies op te stellen, waaronder begrepen hoe nader in deze specifieke zaak te handelen en tevens het doen van voorstellen voor maatregelen die zulks in de toekomst dienen te voorkomen;

dat het derhalve gewenst is een onderzoekscommissie in te stellen die tot taak heeft een onderzoek te doen naar de feiten rondom de [naam school] als hiervoor bedoeld en met aanbevelingen te komen voor eventueel nader te nemen maatregelen in deze, alsmede te komen met aanbevelingen die ertoe moeten leiden dat zulks in de toekomst kan worden voorkomen;

HEEFT BESLOTEN:

Een onderzoekscommissie in te stellen met als taak onderzoek en advies te doen als bedoeld in de considerans.

Als lid van de onderzoekscommissie voormeld te benoemen:

a. een vertegenwoordiger van het Multidisciplinair Centrum, tevens voorzitter;

b. een vertegenwoordiger van de Inspectie Onderwijs;

c. een vertegenwoordiger van Bureau Sostenemi;

d. een vertegenwoordiger van Bureau Landsbemiddelaar.

Dat de commissie voormeld haar werkzaamheden binnen drie (3) weken na aanvang ervan afrondt.

Bij verzoekschrift, ingediend op 21 april 2015, heeft verzoekster gevraagd om een beslissing bij voorraad als bedoeld in artikel 94 La.

Tegen de ministeriële beschikking van 13 april 2015 heeft verzoekster heden bezwaar gemaakt door indiening bij dit gerecht van een bezwaarschrift.

Het verzoek is heden behandeld in raadkamer, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder is vertegenwoordigd door de gemachtigden, voornoemd.

De uitspraak is terstond gedaan.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 94 van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.

Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de rechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

2.2

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de La – voor zover hier van belang – oordeelt over de beschikkingen, handelingen en weigeringen (om te beschikken of te handelen) ten aanzien van ambtenaren als zodanig, door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, bij uitsluiting in eerste aanleg het gerecht in ambtenarenzaken en in hoger beroep de raad van beroep in ambtenarenzaken.

2.3

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de La kan een bezwaarschrift – voor zover hier van belang – worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden, of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden waarvoor die bevoegdheid is gegeven.

2.4

Verzoekster is werkzaam als onderwijzeres bij de openbare basisschool [naam school].

2.5

Bij beschikking van 20 maart 2015 is aan verzoekster onder meer de disciplinaire straf van schorsing met behoud van inkomen voor de duur van 5 werkdagen opgelegd. Aan deze beschikking is als motivering ten grondslag gelegd dat verzoekster zich op 25 februari 2015 schuldig heeft gemaakt aan ernstige vormen van onprofessioneel en onpedagogisch handelen tegen een leerling en zijn ouders. Verzoekster ontkent het haar verweten handelen te hebben begaan en heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt bij het gerecht. Een door haar ter zake ingediend verzoek om een beslissing bij voorraad heeft zij ingetrokken nu verweerder te kennen heeft gegeven de beschikking van 20 maart 2015 vooralsnog niet ten uitvoer te leggen.

2.6

Met het onderhavige verzoek wenst verzoekster te bewerkstelligen dat de bij de ministeriële beschikking ingestelde onderzoekscommissie haar werkzaamheden staakt en gestaakt houdt, totdat het gerecht zal hebben beslist op haar bezwaar tegen de beschikking van 20 maart 2015. Zij heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat uit de considerans van de ministeriële beschikking blijkt dat verweerder als vaststaand aanneemt dat verzoekster het haar verweten handelen heeft begaan en dat de laakbaarheid van dit handelen kennelijk ook het uitgangspunt voor de onderzoekscommissie dient te zijn. Doordat verweerder er aldus blijkt van geeft het oordeel van het gerecht over de rechtmatigheid van de beschikking van 20 maart 2015 niet af te willen wachten, voelt verzoekster zich ten onrechte in haar eer en goede naam als onderwijzers aangetast. Verzoekster heeft voorts vraagtekens geplaatst bij de samenstelling van de onderzoekscommissie, zoals bepaald in de ministeriële beschikking.

2.7

Met het instellen van een onderzoekscommissie heeft verweerder, blijkens de considerans, beoogd zich nader te laten adviseren omtrent de wenselijkheid van eventuele nadere besluitvorming naar aanleiding van het incident dat reden is geweest om aan verzoekster een disciplinaire maatregel op te leggen. De onderzoeksopdracht van de commissie is echter niet beperkt tot onderzoek naar dat incident zelf maar is uitdrukkelijk ruimer geformuleerd. Hoewel het te verrichten onderzoek en de bevindingen van de commissie naar verwachting mede betrekking zullen hebben op het handelen van verzoekster in deze, betekent het instellen van een onderzoekscommissie nog niet dat verzoekster daardoor rechtstreeks in haar hoedanigheid van ambtenaar wordt geraakt. De onderzoekscommissie heeft immers geen andere bevoegdheden dan het verrichten van onderzoek en het geven van advies aan verweerder. De instelling van de commissie betreft derhalve een besluit van interne aard dat op zichzelf geen gevolgen heeft voor de ambtelijke rechtspositie van verzoekster. De bestreden ministeriële beschikking kan daarom niet worden aangemerkt als een beschikking dan wel als een andere handeling, genomen of verricht ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, en 35, eerste lid, van de La. Daaraan kan niet afdoen de omstandigheid dat verzoekster zich door de bewoordingen van de considerans gegriefd voelt. Het gerecht vat de door verzoekster gewraakte zinsnede overigens slechts op als een blote omschrijving van de beschikking van 20 maart 2015 en niet als een vaststelling op voorhand van de laakbaarheid van het handelen van verzoekster. Ter zitting is dit zijdens verweerder ook bevestigd.

2.8

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de rechtmatigheid van de ministeriële beschikking van 13 april 2015 niet ter beoordeling aan het gerecht in ambtenarenzaken kan worden voorgelegd. Voor het treffen van een voorziening bij voorraad ter zake van die beschikking bestaat derhalve geen wettelijke grondslag.

2.9

Het verzoek dient te worden afgewezen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gegeven in raadkamer op 11 mei 2015 door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, in aanwezigheid van de griffier.

De griffier is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen.