Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:28

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-09-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
GAZA nr. 3090 van 2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bevordering afgewezen – motivering kan de weigering niet dragen – bezwaar gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 7 september 2015

GAZA nr. 3090 van 2014

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

A,

wonende in Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,

gericht tegen:

De minister van Toerisme, Transport, Primaire Sector en Cultuur,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: A. Lumenier (DWJZ)

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 22 september 2014 heeft verweerder het verzoek van klaagster van 7 juni 2011, en herhaald bij brief van 28 maart 2014, om met ingang van
1 april 2010 te worden bevorderd naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse
(schaal 7), afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft klaagster op 12 december 2014 bezwaar gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 16 maart 2015, alwaar klaagster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen. De zaak is toen verwezen naar de rolzitting voor het overleggen van nadere stukken door verweerder, hetgeen is geschied op 4 mei 2015. Klaagster heeft bij akte, ingediend op 1 juni 2015, gereageerd op voornoemde stukken.

Uitspraak is vervolgens nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid

2.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van voornoemd artikel van de La bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, die indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

2.2

Klaagster heeft haar bezwaarschrift ruim na het verstrijken van de in artikel 41, eerste lid, van de La bepaalde bezwaartermijn ingediend. Deze bezwaartermijn is immers op 22 oktober 2014 verstreken. Klaagster heeft aangevoerd dat zij de bestreden beschikking pas op 14 november 2014 heeft ontvangen, hetgeen verweerder niet heeft betwist. Het gerecht neemt daarom als vaststaand aan dat klaagster de bestreden beschikking heeft ontvangen na het verstrijken van de bezwaartermijn als bedoeld in artikel 41, lid 1 van de La. Nu klaagster onderhavig bezwaarschrift heeft ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop zij de bestreden beschikking heeft ontvangen is zij ingevolge artikel 41, lid 3 van de La ontvankelijk.

2.3

Klaagster kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking waarbij haar verzoek tot bevordering naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse is afgewezen. Klaagster stelt zich op het standpunt dat de maximale waardering van de functie van administratief medewerkster bij de Departamento X in schaal 6, haar ten onrechte wordt tegengeworpen, nu deze waardering sedert de reorganisatie en instelling van de X per april 2012 is ingevoerd, terwijl de functie die klaagster tot
1 mei 2010 bij de voorloper van X, de Directie Y (Y), heeft bekleed maximaal gewaardeerd was op schaal 8. Daarnaast stelt klaagster dat er ten onrechte geen juiste beoordeling heeft plaatsgevonden van haar functioneren alvorens zij met zwangerschapsverlof ging.

2.4

Het gerecht stelt voorop dat de bevoegdheid van verweerder om ambtenaren al dan niet te bevorderen discretionair van karakter is. Dit brengt met zich mee dat het gebruik van die bevoegdheid door het gerecht slechts terughoudend kan worden getoetst. Bij die toetsing dient het gerecht te beoordelen of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beschikking heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige rechtsregel of met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.5

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) geschieden aanstelling en bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen.

2.6

Ingevolge artikel 4 van de Bezoldigingsregeling Aruba (de BRA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht. Voor een bevordering tot de rang van adjunct-commies 1ste klasse geldt onder meer de voorwaarde dat de betrokken ambtenaar een functie dient te vervullen die de waardering op dat niveau rechtvaardigt.

2.7

Verweerder heeft het verzoek van klaagster om bevorderd te worden naar de rang van adjunct-commies 1ste klasse afgewezen, stellende dat klaagster niet voldoet aan de bevorderingseisen van gunstige beoordeling – vanwege de langdurige arbeidsongeschiktheid, zwangerschapsverlof en non-activiteit sedert 1 mei 2012 – noch functiewaardering, omdat de functie van administratief medewerker bij de Y maximaal gewaardeerd is op het niveau van schaal 6.

2.8

In dit geval staat vast dat klaagster ten tijde van haar bevorderingsverzoek de functie bekleedde van administratief medewerker bij de Y en met ingang van
1 augustus 2006 in die functie is bevorderd naar de rang van adjunct-commies op het niveau van schaal 6. Vast staat ook dat klaagster in de periode 2010-2011 met zwangerschapsverlof is gegaan en langdurig arbeidsongeschikt is geweest en dat zij na de reorganisatie en instelling van de X met ingang van 1 mei 2012 niet is geplaatst bij deze dienst.

2.9

Wat betreft de beoordeling overweegt het gerecht het volgende. Klaagster heeft vanaf 1 augustus 2006 tot aan het moment dat zij arbeidsongeschikt werd op
1 april 2010, dezelfde functie bekleedt. Dat er toen geen beoordeling heeft plaatsgevonden, kan klaagster niet worden tegengeworpen. Dat haar functioneren in die periode thans niet meer kan worden beoordeeld, is niet gesteld. Onduidelijk is overigens gebleven waarom zij nu (anno 2014) gunstig beoordeeld zou moeten worden om met ingang van een datum gelegen in het verleden (anno 2010) te kunnen worden bevorderd. Gelet hierop kan de motivering van verweerder, dat klaagster niet voldoet aan de bevorderingseis van een gunstige beoordeling , de weigering haar met ingang van 1 april 2010 te bevorderen dan ook niet dragen.

2.10

Ten aanzien van de maximale functiewaardering op het niveau van schaal 6, overweegt het gerecht als volgt. In dat kader heeft verweerder verwezen naar de waardering van de functie van administratief medewerker bij de X. Echter is klaagster nimmer geplaatst in enige functie bij de X, zodat ook deze motivering de weigering klaagster te bevorderen niet kan dragen. Dat de door klaagster beklede functie van administratief medewerker bij de Y maximaal werd gewaardeerd op schaal 6, blijkt niet uit de door verweerder in dit geding overgelegde stukken. In het advies van de Directie Personeel en Organisatie van 21 juli 2009 inzake de bevordering van klaagster naar schaal 6 staat, voor zover hier van belang, het volgende: “Deze directie heeft aan de hand van het functie-inventarisatie-formulier de dato 30 juni 2009 de functie van administratieve medewerkster gewaardeerd en is geconstateerd dat de functie dat mevrouw A bij de Directie Y zal bekleden, het niveau van schaal 6 rechtvaardigt.” Bedoelde functie-inventarisatie-formulier van 30 juni 2009 noch de functiewaardering is echter door verweerder overgelegd.

2.11

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar gegrond is.

2.12

Het gerecht veroordeelt verweerder in de proceskosten gevallen aan de zijde van appellant, welke worden begroot op een bedrag van Afl. 1.000,= aan gemachtigdensalaris.


3. DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar gegrond;

vernietigt de bestreden beschikking van 22 september 2014;

bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bevorderingsverzoek van klaagster, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 7 september 2015 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).