Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:25

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-09-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
Gaza nr. 1779 van 2013
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen schending gelijkheidsbeginsel – bezwaar ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 7 september 2015

Gaza nr. 1779 van 2013

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

A ,

wonende te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: voorheen de advocaat mr. E.C. Wever-Croes, thans drs. F. Figaroa,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA ,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: voorheen mr. N. Turuçlu (DWJZ), thans mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Het verloop van de procedure blijkt uit de tussenuitspraak van 7 april 2014, waarbij verweerder is verzocht schriftelijke inlichtingen te verschaffen omtrent de bevorderingen naar schalen 7 en 8 van een drietal collega’s van klaagster, alsmede uit:

- de akte zijdens verweerder, houdende de verzochte schriftelijke inlichtingen, ingediend ter zitting van 29 september 2014;

- de contra-akte zijdens klaagster, ingediend ter zitting van 3 november 2014;

- de voortgezette behandeling ter zitting van 19 januari 2015, alwaar zijn verschenen klaagster in persoon en bijgestaan door haar gemachtigde drs. F. Figaora voornoemd, en verweerder bij mr. I.L. Ras Orman en de heer J. Senchi;

- de akte zijdens klaagster, ingediend op 27 februari 2015;

- de contra-akte zijdens verweerder, ingediend ter zitting van 30 maart 2015.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

In dit geval is in geschil de ingangsdatum van de bevordering van klaagster naar schaal 7. Klaagster heeft zich, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, op het standpunt gesteld dat zij eerder dan 1 september 2011 bevorderd moet worden naar schaal 7. Bij de tussenuitspraak van 7 april 2014 heeft het gerecht overwogen dat het onderzoek niet volledig is geweest, omdat verweerder niet heeft kunnen reageren op het beroep op het gelijkheidsbeginsel. De door klaagster genoemde gevallen betreffen haar collega’s B, C en D.

2.2

Voorop wordt gesteld dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel slechts kan slagen indien blijkt dat gelijke gevallen, ongelijk zijn behandeld. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt het volgende.

2.2.1

Bovengenoemde collega’s van klaagster en klaagster zijn allen - na goedkeuring van de nieuwe formatie bij de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister - met ingang van 1 september 2011 definitief geplaatst in de functie van .... Deze functie is gewaardeerd op maximaal schaal 8.

2.2.2

Klaagster, C en D bekleedden in de oude formatie de functie van .... Deze functie was gewaardeerd op het niveau van maximaal schaal 6.

2.2.3

B bekleedde in de oude formatie de functie van ..., die gewaardeerd was op maximaal schaal 7.

2.2.4

C is met ingang van 1 juni 2003 bevorderd naar schaal 6 en met ingang van 1 september 2011 naar schaal 7.

2.2.5

D is laatstelijk met ingang van 1 juli 2009 bevorderd naar schaal 6.

2.2.6

B is met ingang van 1 juni 2006 bevorderd naar schaal 6, met ingang van 1 juni 2010 naar schaal 7 en met ingang van 1 juni 2012 naar schaal 8.

2.3

Ten aanzien van B slaagt het beroep van klaagster niet. Klaagster bekleedde in de oude formatie immers niet dezelfde functie als die B, zodat wat betreft de bevorderingen van die B naar schalen 7 en 8 geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld.

2.4

Ten aanzien van C en D is wel sprake van gelijke gevallen, nu zij in de oude formatie dezelfde functie als klaagster bekleedden en in de nieuwe formatie met ingang van dezelfde datum zijn geplaatst in dezelfde functie.

De vraag is of deze gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld. Het gerecht beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Geen van deze gevallen is in de oude functie verder bevorderd dan naar schaal 6. C is net als klaagster met ingang van 1 september 2011 in de nieuwe functie bevorderd naar schaal 7, terwijl D op die datum, vanwege de dienstanciënniteit, (nog) niet in aanmerking kwam voor die bevordering. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is dan ook geen sprake.

2.5

Voor zover het bezwaar van klaagster zich richt tegen de waardering van de (oude) functie van ... in schaal 6, overweegt het gerecht, in navolging van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, dat functiewaarderingsbesluiten, mede vanwege hun functie-overstijgend karakter en de daaraan ten grondslag liggende functie- of organisatiebeschrijvingen op één lijn moeten worden gesteld met besluiten van algemene strekking. Daarom kunnen zij, gelet op het bepaalde in artikel 35, vierde lid van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), niet door de ambtenarenrechter worden beoordeeld. Het gerecht gaat er daarom vanuit dat de functie van ... was gewaardeerd op maximaal schaal 6 en dat klaagster in die functie, derhalve tot 1 september 2011, niet in aanmerking kwam voor een verdere bevordering.

2.6

Nu geen van de aangevoerde bezwaren gegrond is en ook overigens niet is gebleken dat de bestreden beslissing niet in rechte in stand kan blijven, geeft het gerecht de volgende beslissing.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 7 september 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, 2e lid, La).