Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:24

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
31-08-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
GAZA nr. 1657 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad. Disciplinaire straf van ontslag, die wegens dienstbelang onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Het bestreden besluit wordt geschorst.

Verzoekster wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan verschillende ernstige strafbare feiten, waarvoor haar bij vonnis een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, is opgelegd.

Het bestreden ontslagbesluit wordt geschorst, nu vast is komen te staan dat het strafrechtelijke vonnis waar de motivering van de bestreden beschikking op is gebaseerd, inmiddels door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bij vonnis is vernietigd en verzoekster alsnog is vrijgesproken van een deel van de strafbare feiten, ten grondslag liggende aan het disciplinaire ontslag. Het vonnis van het Hof werpt een zodanig ander licht op de door verweerder aan verzoekster verweten gedragingen dat vooralsnog ernstig betwijfeld moet worden dat de bestreden beschikking gedragen kan worden door de daaraan ten grondslag liggende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 31 augustus 2015

GAZA nr. 1657 van 2015

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[naam verzoekster],

wonende in Aruba,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Illes,

gericht tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 16 juni 2015, no. 4, heeft verweerder besloten:

I aan verzoekster, met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder i, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) de disciplinaire straf van ontslag op te leggen en te bepalen dat met toepassing van artikel 85, eerste lid, van de Lma, wegens dienstbelang, de disciplinaire straf van ontslag onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd;

II althans, voor zover de onder punt I genoemde ontslaggrond komt te vervallen, aan verzoekster met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder f, van de Lma eervol ontslag te verlenen met ingang van de dag van dagtekening van het besluit .

Op 14 juli 2015 heeft verzoekster tegen de beschikking van 16 juni 2015 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Op 29 juli 2015 heeft verzoekster zich tot het gerecht gewend met een verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad ertoe strekkende dat haar ambtelijke bezoldiging wordt doorbetaald totdat de beschikking van 16 juni 2015 onherroepelijk is geworden.

Het verzoek is op 17 augustus 2015 in raadkamer behandeld, waar verzoekster is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde; verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 94 van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.

2.2

Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 van de La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

2.3

Aan het aan verzoekster opgelegde disciplinaire ontslag is ten grondslag gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan verschillende ernstige strafbare feiten, waarvoor haar door het Gerecht in Eerste Aanleg bij vonnis van 12 februari 2015, een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, is opgelegd. Verweerder stelt dat, gelet hierop, verzoekster tekort is geschoten in haar verantwoordelijkheden en verplichtingen als goed ambtenaar en zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Het vertrouwen in verzoekster is in ernstige mate geschonden, waardoor zij tevens ongeschikt en onbekwaam moet worden geacht voor verdere uitoefening van haar ambt. Verweerder erkent voorts dat voormeld vonnis ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking nog niet onherroepelijk was, doch acht dat uit de vastgestelde feiten, verzoekster zonder meer verweten kan worden in strijd te hebben gehandeld met haar uit haar ambt voortvloeiende plichten.

2.4

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestreden beschikking in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven, nu deze op onjuiste feiten is gebaseerd en zodoende aan een motiveringsgebrek lijdt.

2.5

Het gerecht volgt de stelling van verzoekster. Vast is komen te staan dat het strafrechtelijke vonnis waar de motivering van de bestreden beschikking op is gebaseerd, inmiddels door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bij vonnis van 6 juli 2015 is vernietigd en verzoekster alsnog is vrijgesproken van een deel van de strafbare feiten, ten grondslag liggende aan het disciplinaire ontslag. Het Hof heeft aan verzoekster een aanzienlijk lagere, geheel voorwaardelijke, gevangenisstraf opgelegd. Hoewel verweerder bij de vaststelling van de feiten die hij ten grondslag wenst te leggen aan een disciplinaire straf niet gebonden is aan het oordeel daaromtrent van de strafrechter, werpt het vonnis van het Hof van 6 juli 2015 een zodanig ander licht op de door verweerder aan verzoekster verweten gedragingen dat vooralsnog ernstig betwijfeld moet worden dat de bestreden beschikking gedragen kan worden door de daaraan ten grondslag liggende motivering. De beschikking zal dan ook naar alle waarschijnlijkheid in de bodemprocedure geen stand houden.

2.5

Aan het verzoek van verweerder om, bij de vaststelling van een motiveringsgebrek in de bestreden beschikking, reeds vooruit te lopen op een gedektverklaring van de nietigheid in de bodemprocedure omdat er ook op grond van de door het Hof bewezenverklaarde feiten voldoende reden is voor disciplinair ontslag, zal het gerecht geen gehoor geven. De verschillen tussen de strafrechtelijke veroordeling in eerste aanleg en die in hoger beroep zijn daarvoor te groot, terwijl de bestreden beschikking volledig gebaseerd is op de strafrechtelijke veroordeling in eerste aanleg.

2.6

Ter voorkoming van onevenredig nadeel ziet het gerecht aanleiding over te gaan tot schorsing van de bestreden beschikking, waardoor de verplichting van verweerder tot doorbetaling van de ambtelijke bezoldiging aan verzoekster herleeft.

2.7

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat in een voorzieningenprocedure als de onderhavige geen wettelijke grondslag.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad toe;

- schorst het landsbesluit van 16 juni 2015, no. 4, totdat op het daartegen gemaakte bezwaar is beslist.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken in raadkamer op maandag 31 augustus 2015 in aanwezigheid van de griffier.