Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGAACMB:2015:14

Instantie
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-08-2015
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
2229 van 2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtenarenzaak. Waarnemingstoelage voor feitelijk waarnemen functie waarnemend procureur-generaal. Klager maakt bezwaar tegen de periode waarover hem een waarnemingstoelage is toegekend, stellende dat deze hem diende te worden toegekend tot 1 december 2012, in plaats van 1 augustus 2012. Standpunt verweerder, dat de waarneming van de procureur-generaal bij wet wordt bepaald en dat nadat er op 1 augustus 2012 een advocaat-generaal werd benoemd, die wettelijk gezien als waarnemend procureur-generaal werd aangemerkt waardoor klager geen aanspraak kan maken op waarnemingstoelage na 1 augustus 2012, volgt het gerecht niet. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Lma vindt waarneming niet enkel plaats daar waar de wet dit voorschrijft, doch tevens indien het belang van de dienst dit vordert. Bezwaar gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 17 augustus 2015

GAZA nr. 2229 van 2014

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Nederland,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,

gericht tegen:

de minister van Justitie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigden: mr. I.L. Ras-Orman en J.O. Senchi (DWJZ)

1 PROCESVERLOOP

Bij brief van 30 maart 2013 heeft klager aan verweerder verzocht hem een waarnemingstoelage toe te kennen over de periode 16 maart 2012 tot 1 december 2012.

Bij beschikking van 22 augustus 2014 heeft verweerder aan klager een waarnemingstoelage toegekend over de periode van 16 maart 2012 tot 1 augustus 2012.

Klager heeft op 19 september 2014 bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.

Verweerder heeft op 10 november 2014 een contra-memorie ingediend.

De zaak is op 9 februari 2015 en op 22 april 2015 behandeld ter zitting, waar partijen zijn vertegenwoordigd door gemachtigden; tijdens de behandeling op 22 april 2015 is op verzoek van klager als getuige gehoord [getuige]. Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) wordt, indien een wettelijke regeling continuïteit in de vervulling van een ambt veronderstelt en tot dat ambt niet meer ambtenaren zijn aangesteld, die het geheel of gedeeltelijk kunnen waarnemen, dan wel indien het belang van de dienst dit vordert, de daartoe in aanmerking komende ambtenaar door het bevoegde gezag met de tijdelijke waarneming van dat ambt belast, al dan niet met ontheffing uit zijn eigenlijke betrekking.

Ingevolge het tweede lid, heeft de ambtenaar die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid is belast met de tijdelijke waarneming van een ambt, dat in belangrijkheid en verantwoordelijkheid aanmerkelijk uitgaat boven het eigenlijke ambt van de ambtenaar, over de tijd der waarneming aanspraak op toekenning door de betrokken minister van een toelage boven zijn eigen bezoldiging, ten bedrage van het verschil tussen de bezoldiging, welke hij zou genieten, ware hij definitief benoemd in het ambt dat hij waarneemt, en zijn eigen bezoldiging, met inachtneming van de bepalingen betreffende persoonlijke toelage(n) indien de waarneming:

a. 30 dagen of langer onafgebroken heeft geduurd;

b. in een tijdvak van zes maanden in totaal gedurende 30 dagen of langer heeft geduurd;

c. in een tijdvak van twaalf maanden in totaal 60 dagen of langer heeft geduurd.

2.2

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Landsverordening op het openbaar ministerie wordt, onverminderd het bepaalde in artikel VI.26, vierde lid, van de Staatsregeling van Aruba, de procureur-generaal bij verhindering of afwezigheid vervangen door de advocaat-generaal. Bij verhindering of afwezigheid van de advocaat-generaal of in geval niet in die functie mocht zijn voorzien, kan de procureur-generaal zich doen vervangen door de officier van justitie, hoofd van het parket bij het gerecht in eerste aanleg, of diens plaatsvervanger, die alsdan als waarnemend procureur-generaal optreedt.

2.3

Klager maakt bezwaar tegen de periode waarover hem een waarnemingstoelage is toegekend, stellende dat deze hem diende te worden toegekend tot 1 december 2012, in plaats van 1 augustus 2012. Klager, die destijds de functie van hoofdofficier van justitie bekleedde, heeft dienaangaande betoogd dat hij over de periode vanaf 16 maart 2012 tot 1 december 2012 feitelijk de functie van waarnemend procureur-generaal heeft waargenomen en uitgevoerd en om die reden in aanmerking komt voor een waarnemingstoelage.

2.4

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld, dat de waarneming van de procureur-generaal bij wet wordt bepaald. Nadat er op 1 augustus 2012 een advocaat-generaal werd benoemd, werd die wettelijk gezien als waarnemend procureur-generaal aangemerkt. Hierdoor heeft klager, aldus nog steeds verweerder, geen aanspraak op een waarnemingstoelage na 1 augustus 2012. Het gerecht volgt verweerder niet in dit betoog, en overweegt daartoe als volgt.

2.5

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Lma vindt waarneming niet enkel plaats daar waar de wet dit voorschrijft, doch tevens indien het belang van de dienst dit vordert. Klager heeft gesteld dat de waarneming door hem ook na benoeming van de advocaat-generaal werd voortgezet, vanwege het gebrek aan leidinggevende ervaring bij de nieuwe advocaat-generaal. Klager heeft de specifiek door hem verrichte werkzaamheden – welke hoofdzakelijk van leidinggevende aard waren – als waarnemend procureur-generaal uiteengezet, welke werkzaamheden niet door verweerder zijn ontkend. De omstandigheid dat de advocaat-generaal na haar benoeming tevens als waarnemend procureur-generaal is opgetreden doet daaraan niet af. De in dit verband door verweerder overgelegde stukken hebben louter betrekking op juridisch-inhoudelijke werkzaamheden, welke bij uitstek tot de taak van de advocaat-generaal behoren en daarom niet als waarnemingshandelingen in de zin van artikel 26 van de Lma kunnen worden aangemerkt. Daarnaast is [getuige], van beroep officier van justitie, als getuige door het gerecht gehoord, die heeft bevestigd dat door klager, tot aan de benoeming van een nieuwe procureur-generaal op 1 december 2012, de feitelijke werkzaamheden van waarnemend procureur-generaal zijn uitgevoerd, waarbij door haar de werkzaamheden van hoofdofficier van justitie zijn waargenomen. Voorts is gebleken dat deze werkzaamheden niet op eigen initiatief door klager door hem zijn voortgezet, doch dat dit met instemming van de minister(raad) heeft plaatsgevonden. Dat de ministerraad die instemming bij beslissing van 28 september 2012 heeft ingetrokken, zoals verweerder stelt, kan uit de tekst van de beslissing niet worden geconcludeerd. Dit klemt temeer nu niet is gebleken dat door verweerder aan klager is bericht de waarnemingswerkzaamheden te staken.

Nu aannemelijk is geworden dat klager ook na 1 augustus 2012, en wel tot 1 december 2012, feitelijk de leidinggevende taken van procureur-generaal heeft waargenomen en dit in het belang van de dienst heeft gedaan, is het gerecht van oordeel dat de motivering voor (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek van klager de bestreden beschikking niet kan dragen. De bezwaargrond slaagt en de beschikking van 22 augustus 2014, voor zover bestreden, dient te worden vernietigd.

2.6

Op grond van het voorgaande concludeert het gerecht dat het bezwaar gegrond is. Verweerder zal binnen drie maanden een nieuwe beslissing moeten nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.7

Verweerder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, die begroot worden op een bedrag van Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

 verklaart het bezwaar gegrond,

 vernietigt de beschikking van verweerder 22 augustus 2014, voor zover door klager bestreden;

 gelast verweerder om binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

 veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, die begroot worden op een bedrag van Afl. 1.500,- aan gemachtigdensalaris.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 17 augustus 2015 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA). Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA). Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).