Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:KTGZAA:2001:AB1633

Instantie
Kantongerecht Zaandam
Datum uitspraak
17-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
4400.00
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2001, 5735 met annotatie van J.G. Kuhlmann
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Kantongerecht Zaandam

Rolnummer: 4400.00

datum uitspraak: 17 mei 2001

Vonnis

De kantonrechter te Zaandam heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van:

[eiser],

te [woonplaats],

gemachtigde: mr. dr. A.J.J. van der Heiden

verder te noemen: [eiser];

tegen

Coöperatieve Rabobank Edam-Volendam,

te Volendam

gemachtigde: mr. A.F. van Ingen

verder te noemen: Rabobank Edam-Volendam.

BESLISSING.

Rabobank Edam-Volendam wordt veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de somma van ¦ 10.000,--.

Rabobank Edam-Volendam wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, deze voor zover gerezen aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op ¦ 1.315,- waarvan ¦ 1.000,--wegens salaris van de gemachtigde, alles exclusief eventueel verschuldigde BTW.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

*******************

Verloop van de Procedure.

[eiser] heeft op gronden zoals in de dagvaarding vermeld een vordering ingesteld tegen Rabobank Edam-Volendam.

Hierop heeft Rabobank Edam-Volendam geant-woord.

Daarna zijn partijen ingevolge tussenbeslissing van 22 februari 2001 op 18 april 2001 voor de kantonrechter verschenen voor het geven van inlich-tingen en het beproeven van een schikking. Van hetgeen toen is voorge-vallen is aantekening gehouden. Een schikking is niet bereikt.

Rabobank Edam-Volendam heeft producties overgelegd. [eiser] heeft een origineel spaarbankboekje getoond.

Tenslotte is de uitspraak van dit vonnis op vandaag bepaald.

De inhoud van alle processtukken wordt als hier overgenomen beschouwd.

Beoordeling van het geschil.

Vaststaande feiten.

Als niet dan wel onvoldoende weersproken is in deze procedure het volgende komen vast te staan:

1. [eiser] heeft in 1973 met een rechtsvoorgangster van Rabobank Edam-Volendam een bewaar/spaarovereenkomst gesloten, in het kader waarvan hem een spaarbankboekje werd uitgereikt. Blijkens de vermeldingen in dat boekje heeft [eiser] op 6 november 1973 een eerste storting op zijn spaarrekening gedaan. Op 29 oktober 1974 is een (laatste) opname in het boekje aangetekend, waarna daarin nog een spaarsaldo van ƒ 10.000,-- werd aangegeven.

2. Daarna heeft [eiser] ongeveer 10 jaren in het buitenland verbleven. Het spaarbankboekje lag intussen bij zijn moeder in het dressoir. In 1999 heeft [eiser] het spaarbankboekje bij zijn moeder opgehaald en Rabobank Edam-Volendam om uitbetaling van het daarin vermelde eindsaldo verzocht. Dat heeft Rabobank Edam-Volendam geweigerd.

3. Op de bewaar/spaarovereenkomst is een reglement van toepassing dat onder meer voorziet in een vervaltermijn van 30 jaar, indien in de tussentijd geen mutaties in het spaartegoed plaatsvinden. In dit reglement is voor zover thans van belang en kort samengevat verder nog het volgende bepaald.

art. 3 Elke inlage of terugbetaling moet in het boekje worden aangetekend.

art. 5 Bij algehele terugbetaling van het spaartegoed wordt het boekje door de bank ingenomen.

art. 18 In geval van verschil tussen de boeken van de bank en het spaarbankboekje beslissen de boeken van de bank, behoudens te leveren tegenbewijs.

4. Rabobank Edam-Volendam heeft geen administratieve bescheiden bewaard van vóór 1992, waaruit het verloop van de in deze procedure bedoelde spaarrekening kan worden afgeleid. Het enige dat zij kan overleggen is een computeruitdraai van 31 december 1978 waarop een lijst met rekeninghouders voorkomt. Het saldo van de spaarrekening van [eiser] is daarop met 0,00 aangegeven.

De vordering.

[eiser] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoer-baar bij voorraad, Rabobank Edam-Volendam zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de somma van ¦ 10.000,-- met kos-ten, waaronder nakosten.

Standpunten van partijen.

Partijen zijn kort en goed verdeeld over de vraag of [eiser] recht heeft op uitbetaling van het in zijn spaarbankboekje vermelde (laatste) saldo van ƒ 10.000,--. De hiervoor onder 3. bedoelde vervaltermijn staat daarbij niet ter discussie. Partijen zijn het er over eens dat [eiser] zijn mogelijke recht op uitbetaling niet door enkel tijdsverloop heeft verloren.

Volgens [eiser], die betwist dat er na 29 oktober 1974 nog geld van zijn spaarrekening is opgenomen, geeft het spaarbankboekje daarom nog steeds het juiste saldo aan.

Rabobank Edam-Volendam is een tegengestelde mening toegedaan. Blijkens de hiervoor onder 4. bedoelde computeruitdraai gaven haar boeken op 31 december 1978 immers een nihil saldo aan voor deze spaarrekening. Gelet op het bepaalde in artikel 18 van het toepasselijke reglement kan het in het spaarbankboekje aangegeven laatste saldo niet beslissend zijn. Rabobank Edam-Volendam erkent dat de onderliggende administratie niet meer bestaat, maar zij was ingevolge het bepaalde in artikel 2.10 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek ook niet verplicht om die administratie zo lang te bewaren.

Oordeel van de kantonrechter.

Het door de bank ingeroepen artikel 18 van het toepasselijke reglement is aan te merken als een zogenaamde bewijsafspraak, zoals bedoeld in artikel 6.236 aanhef en onder k. van het Burgerlijk Wetboek. De bedoeling van die wetsbepaling is te voorkomen dat een consument onredelijk wordt benadeeld in zijn mogelijkheden om bewijs te leveren. Gelet op de Europees rechtelijke achtergrond van deze bepaling heeft de kantonrechter, zo nodig ambtshalve, een onderzoek in te stellen naar de rechtsgeldigheid van deze bewijsafspraak.

Dienaangaande heeft het volgende te gelden.

Indien er, zoals Rabobank Edam-Volendam wil, van wordt uitgegaan dat de hiervoor onder 4. bedoelde computeruitdraai inderdaad mag worden gelijkgesteld met het begrip “boeken der spaarbank” uit artikel 18 van het toepasselijke reglement, dan wordt daardoor het recht van [eiser] om tegenbewijs te leveren (vrijwel) illusoir gemaakt. Bij gebreke van de door Rabobank Edam-Volendam inmiddels vernietigde onderliggende administratieve bescheiden zou ik in elk geval niet weten hoe [eiser] zich daar nog tegen moet verweren, anders dan door overlegging van zijn spaarbankboekje.

Het beroep dat Rabobank Edam-Volendam in deze heeft gedaan op het bepaalde in artikel 2.10 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek snijdt geen hout, omdat de daar bedoelde bewaartermijn geen betrekking heeft op kwesties als de onderhavige. Laatstbedoeld wetsartikel heeft slechts betrekking op de verplichting van het bestuur van rechtspersonen om een behoorlijke boekhouding te voeren en geeft daarvoor nadere regelen. Indien daaraan niet wordt voldaan kan dit fiscale consequenties hebben, maar ook strafrechtelijke (zie bijvoorbeeld de artikelen 342 en 343 van het Wetboek van Strafrecht). Hoewel het Rabobank Edam-Volendam wettelijk dus vrij stond om haar administratieve bescheiden betreffende de in deze procedure bedoelde spaarrekening na zeven jaar te vernietigen, deed zij dat bewijsrechtelijk wel op eigen risico, nu zij blijkens het toepasselijke reglement rekening moest houden met een vervaltermijn van maar liefst 30 jaren. Het gaat niet aan om dat risico met een beroep op de hier besproken bewijsafspraak op [eiser] af te wentelen.

Uit het voorgaande volgt dat meergenoemde bewijsafspraak, indien deze moet worden uitgelegd zoals hiervoor aangegeven, als zijnde onredelijk bezwarend moet worden vernietigd. Wat dan overblijft is een gaaf spaarbankboekje waarin een eindsaldo van ƒ 10.000,-- staat vermeld. Blijkens artikel 3 van het toepasselijke reglement hadden daarna gedane opnames in dat boekje moeten worden aangetekend, hetgeen niet is gebeurd. Blijkens artikel 5 van het toepasselijke reglement had dat boekje door Rabobank Edam-Volendam moeten zijn ingenomen indien het resterende spaartegoed daarna geheel was opgenomen, ook dat is niet gebeurd. Een en ander levert naar mijn oordeel voldoende bewijs op voor de lezing van [eiser], dat na 29 oktober 1974 geen geld meer van deze spaarrekening is opgenomen. De hiervoor onder 4. bedoelde computeruitdraai kan daaraan onvoldoende afdoen zelfs indien, zoals van de kant van Rabobank Edam-Volendam nog is betoogd, geen vermelding van deze spaarrekening is aangetroffen op de zogenaamde “kerkhofrekening” van de bank. Het blijft dus gissen voor de bank waar dat geld gebleven is, maar die onzekerheid kan in het licht van het voorgaande niet afdoen aan mijn bewijsoordeel.

Het spreekt voor zich dat de uitslag niet anders zou luiden indien de hiervoor onder 4. bedoelde computeruitdraai niet mag worden gelijkgesteld met het begrip “boeken der spaarbank” uit artikel 18 van het toepasselijke reglement. Alsdan is artikel 18 van het reglement immers in het geheel niet toepasselijk en kom ik direct toe aan de hiervoor gegeven beoordeling van het voorliggend bewijs.

Slotsom van dit alles is dat de vordering van [eiser] toewijsbaar is, dit met uitzondering van de gevorderde “nakosten” nu daarvoor geen voldoende grondslag in de wet is aan te wijzen.

Proceskosten.

Rabobank Edam-Volendam, die (in hoofdzaak) in het ongelijk wordt gesteld, moet de proces-kosten betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.Visser, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 mei 2001, in tegen-woor-digheid van de griffier.