Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:KTGTIL:2001:AB1495

Instantie
Kantongerecht Tilburg
Datum uitspraak
01-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
146100-CV-99/6111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

KANTONGERECHT TILBURG

VONNIS inzake

[eiseres],

wonende te [adres];

eisende partij bij exploit van dagvaarding d.d. 9 november 1999;

gedeeltelijk kosteloos procederend;

gemachtigde: mr. F-P.J. van Eeckhoutte, advocaat te Zeist,

rolgemachtigden: L.C.J. Netten en L.W.J. Danen, deurwaarders te Tilburg;

t e g e n

de besloten vennootschap GARANT-O-MATIC BEHEER B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Gilze, gemeente Gilze en Rijen, Akkerstraat 30;

gedaagde bij voormeld exploit,

gemachtigde: C.M.P. Jonkers, deurwaarder te Tilburg.

HET VERLOOP VAN HET GEDING:

Dit blijkt uit de navolgende stukken:

a. -het tussenvonnis d.d. 22 juni 2000 met alle daarin genoemde stukken,

b. -de aantekeningen van de griffier betreffende het verhandelde ter comparitie van partijen d.d.16 oktober 2000;

c. -de akte van eiseres,

d. -de antwoord-akte van gedaagde.

De inhoud van deze stukken, met inbegrip van de daarbij overgelegde bescheiden, wordt als hier ingevoegd beschouwd.

DE VERDERE BEOORDELING VAN HET GESCHIL:

1. De bij het tussenvonnis 22 juni 2000 bepaalde comparitie van partijen heeft desverzocht verschoven- plaatsgevonden op 16 oktober 2000. Aldaar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat-gemachtigde; gedaagde is daar verschenen bij de heer Kops, bijgestaan door haar advocaat-gemachtigde. Ter comparitie was tevens -aan de zijde van gedaagde aanwezig mr. Vles.

Partijen hebben ter comparitie nadere inlichtingen verstrekt als ook stukken overgelegd. Tot een regeling in der minne is het niet gekomen. Partijen hebben na de comparitie nog van akte gediend, waarna vonnis is bepaald op heden.

Van het verhandelde ter comparitie heeft de griffier aantekeningen gemaakt welke als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.

2. Voorop zij gesteld dat in het tussenvonnis d.d. 22 juni 2000 op pagina 2, eerste regel, en op pag. 2 de voorlaatste regel van rechtsoverweging 1, de jaartallen per abuis niet juist zijn vermeld. In de eerste regel dient gelezen te worden: 1998; in de andere regel dient gelezen te worden: 1999. Daarnaast is onder punt 1 op pag.2 na "Bij brieven van 10 juli ." niet vermeld: "... en 10 september 1998".

Partijen zal een en ander evenwel duidelijk zijn geweest; niet is althans gebleken dat zij deswege in hun (processuele) belangen zijn geschaad.

3. Eiseres baseert haar vorderingen daarop dat zij meent dat gedaagde jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Zij heeft daartoe verschillende argumenten aangedragen, die hierna zullen worden besproken.

4. Partijen verschillen niet van mening -en de kantonrechter volgt hen daarin dat de zogenoemde sweepstakes die gedaagde eiseres heeft toegezonden kunnen worden beschouwd als spelen waarbij de aanwijzing van de winnaars geschiedt door een kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen -en ook in casu geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, in de zin welke daaraan in de Wet op de Kanspelen (WoK) is verbonden. Waar terzake geen vergunning is verleend als bedoeld in artikel 1 van de WoK is hier sprake van bij de wet verboden spelen. Echter, de aldus overtreden rechtsnorm strekt er blijkens de wetsgeschiedenis toe om de kennelijk bij mensen bestaande speelbehoefte in geordende banen te leiden en waarborgen te scheppen opdat excessen zoveel mogelijk worden voorkomen. De rechtsnorm, de wet strekt niet tot bescherming van het in deze beweerdelijk geschonden belang van eiseres, tot uiting komend in een aanspraak op vergoeding van materiële en immateriële schade.

5. Eiseres heeft ter adstructie van haar stelling dat gedaagde jegens haar heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt tal van bescheiden overgelegd, te weten producties a t/m f en m t/m p bij akte ter (rol-)zitting van 13 januari 2000 en de producties behorende bij de akte van depot d.d. 30 maart 2000.

6. Productie a betreft onder meer een pagina uit een medio april 1998 aan eiseres door gedaagde toegezonden bericht, bestaande uit meerdere pagina's. Van de bedoelde pagina wordt -ter verduidelijking- een kopie hierna geplaatst.

7. Eiseres heeft als in het tussenvonnis reeds gememoreerd de bestel- en deelnamebon ingezon-den.

8. De hierboven weergegeven pagina betreft onmiskenbaar reclamedrukwerk. De andere overgelegde en gedeponeerde producties betreft soortgelijke uitingen en zijn eveneens als reclamedrukwerk te beschouwen.

9. De Reclame Code Commissie heeft op 10 juni 1998 beslist dat deze boodschap, uiting, in strijd is met artikel 7 van de Nederlandse Reclame Code en heeft gedaagde aanbevolen voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

10. Een eerste lezing van de hierboven weergegeven pagina zal bij de lezer- en de kantonrechter wil aannemen: ook bij eiseres- de suggestie wekken dat hij/zij inderdaad een prijs heeft gewonnen. In zoverre heeft de Reclame Code Commissie het gelijk aan haar zijde. Echter, wanneer die suggestie inhoudt dat de lezer enkel een bonnetje dient in te zenden en/of enige zaken van geringe waarde te bestellen om een prijzengeld van f.50.000,-- in ontvangst te nemen, zal bij hem een lampje moeten gaan branden. Redelijkerwijs mag dan gevergd worden dat de lezer de reclame-uiting goed en nauwkeurig leest en zich niet beperkt tot de in grotere en dikkere opdruk vermelde zinnen doch ook de zogenoemde kleine lettertjes leest.

Bij nadere en zorgvuldiger lezing zal hem dan blijken dat de tekst verhullend is en dat, gezien onder meer de bovenste regel, luidende "Als u het winnende deelnamenummer naar ons terugstuurt, ontvangt u het volgende bericht:" enige voorwaarden inhoudt -als het hebben van een winnend deelnamenummer, dat overigens niet in de betreffende reclame is vermeld, nu daar slechts een deelnamenummer (sec) is aangegeven- voor het eventueel in aanmerking komen van prijzengeld en dat slechts kans bestaat op prijzengeld. De lezer zal dan duidelijk zijn dat men "om in de prijzen te vallen" actie moet ondernemen als -zoals in deze het bestellen van goederen, doch dat ook daarmee op zich ook nog geen aanspraak bestaat op enig prijzengeld, nu daarmee geen aanspraak wordt verkregen op het "winnende" nummer.

Daargelaten dan ook of bij reclame-uitingen als hier aan de orde een reglement is bijgevoegd dat (nog meer/nadere) "spelregels" geeft en voorwaarden inhoudt, een nauwkeurige lezing van de aanbieding op zich brengt zonder acht te slaan op enig reglement al met zich mee dat het de lezer duidelijk moet zijn dat hij slechts onder voorwaarden kans maakt op prijzengeld en niet zonder meer daarop aanspraak kan maken bij inzending van een bestel- /deelnamebon.

Weliswaar kan derhalve, gezien het verschil in dikte en grootte van de gedrukte letters en in de opmaak (teksten die bij elkaar horen staan door elkaar), gesproken worden van op het eerste gezicht verhullende teksten, om van misleidende teksten te spreken voert evenwel te ver.

11. Bij het vorenoverwogene is uitgegaan van de vaardigheden en het inzicht van het gemiddelde publiek, dat zich ervan bewust dient te zijn dat reclameboodschappen als hier aan de orde niet zomaar aanspraak geven op prijzen van duizenden guldens. Eiseres moge dan blijkens een overgelegd medisch rapport een onvermogen hebben ontwikkeld om fantasie en werkelijkheid van elkaar te scheiden en in meerdere opzichten disfunctioneren, niet kan ervan worden uitgegaan dat eiseres in deze -anders dan het gemiddelde publiek bij een nauwkeurige lezing van deze reclameboodschap niet had kunnen inzien dat zij niet zonder meer aanspraak kon maken op uitbetaling van de daarin genoemde prijs. De kantonrechter heeft voor dit oordeel aanknopingspunten gevonden in het door eiseres zelf naar voren gebrachte feit dat zij zich zeer spoedig na lezing en insturen van de bestel-/deelnamebon tot een advocaat heeft gewend teneinde duidelijkheid omtrent de inhoud van de reclameboodschap te krijgen (waarna zij gedaagde heeft aangeschreven op 25 april 1998 en haar blijdschap heeft geuit) en dat zij een auto heeft besteld onder het voorbehoud dat prijzengeld wordt uitgekeerd. Een en ander wijst er immers niet op dat eiseressen vaardigheden en inzicht minder zijn dan die welke van het gemiddelde publiek mogen worden verwacht. Dat eiseres anders dan het gemiddelde publiek te goed van vertrouwen is en deswege geen lampje is gaan branden kan gezien het vorenstaande evenmin gezegd worden.

12. In hetgeen hiervoor onder 10 en 11 is overwogen ligt tevens besloten dat weliswaar gezegd kan worden dat gedaagde zich van een reclameboodschap heeft bediend die bij eerste lezing de suggestie wekt dat aanspraak bestaat op prijzengeld doch dat zulks niet onrechtmatig is nu onvoldoende reden bestaat ervan uit te gaan dat gedaagde er mee rekening behoort te houden dat de lezer van de reclameboodschap ervan uitgaat dat hij zonder meer recht kan doen gelden op prijzengeld.

13. Dit oordeel leidt er toe dat eiseres jegens gedaagde geen aanspraak kan maken op vergoeding van schade als door haar gevorderd. Er bestaat, anders gezegd, geen grond vergoeding van beweerdelijk geleden immateriële schade toe te wijzen. In zoverre eiseres naar aanleiding van de reclameboodschap van medio april 1998 goederen heeft aangeschaft (telefoontoestel met abonnement) en een reis heeft geboekt welke zij heeft geannuleerd daar de prijs niet werd uitgekeerd en zij terzake annuleringskosten heeft moeten betalen, komt zulks voor haar rekening en risico; zij kan de kosten daarvan niet op gedaagde kan verhalen.

14. Het vorenoverwogene geldt mutatis mutandis evenzeer voor al de overige door eiseres in het geding gebrachte reclameboodschappen van en zijdens gedaagde, waarop zij zou hebben gereageerd middels inzenden van bestelbonnen, deelnamebonnen en wat dies meer zij. Al deze boodschappen zijn soortgelijk opgesteld als de hiervoor afgedrukte boodschap. Bij een nauwkeurige lezing van de boodschappen had eiseres ook hier kunnen inzien dat zij niet zonder meer aanspraak kon maken op uitbetaling van de daarin genoemde prijs.

15. Het op zich aan eiseres zenden van reclameboodschappen als hier bedoeld leidt, als gezegd, niet tot het oordeel dat sprake is van misleidende reclame, dat gedaagde althans jegens eiseres daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Uit dien hoofde bestaat geen aanspraak op vergoeding van beweerdelijk geleden schade.

Die aanspraak kan evenmin gelegen zijn in de stelling dat zij bestelde goederen niet heeft ontvangen. Daargelaten nog of alsdan niet veeleer sprake zou zijn van een (toe te rekenen) tekortkoming moet immers worden geconstateerd dat eiseres op de betwisting door gedaagde dienaangaande, als gemotiveerd verwoord bij dupliek onder g op pag. 8 en nader toegelicht ter comparitie, niet of nauwelijks heeft gereageerd, zodat die stelling, zijnde onvoldoende geadstrueerd, wordt afgewezen.

16. Eiseres heeft tevens betoogd dat hoewel zij bij brieven van 10 juli, 10 september en 12 oktober 1998 te kennen heeft gegeven dat zij van verdere toezending van bedoelde reclameboodschappen verschoond wenste te blijven doch deze nadien desalniettemin door gedaagde en zijdens gedaagde (zich bedienende van de namen "Princessa" en "Heelesun") haar zijn toegezonden. Ook dat acht zij onrechtmatig jegens haar.

Vastgesteld kan worden dat eiseres inderdaad niettegenstaande haar verzoeken toch nog reclameboodschappen, sweepstakes, zijn gezonden, zij het dat deze vanaf augustus/september 1998 niet meer zijn verzonden aan "[eiseres]", met welke naam zij tot omstreeks die periode haar brieven aan gedaagde ook ondertekende, doch dat deze nadien (meestal) werden verzonden aan "[eiseres]" dan wel "[eiseres]", waarbij er op dient te worden gewezen dat eiseres toentertijd in haar brieven aan gedaagde de naam "Van [eiseres]" bezigde.

Tevens kan worden geconstateerd dat eiseres na haar verzoeken van 10 juli en 10 september 1998 zelf nog op een aan haar nadien op 21 oktober 1998 gezonden sweepstake heeft gereageerd en een bestel- en deelnameformulier ingevuld en ondertekend aan gedaagde heeft gezonden.

Daargelaten evenwel of en in hoeverre hier sprake is van een omstandigheid die tevens aan eiseres kan worden toegerekend waar zij zelf weer op sweepstakes ingaat en twijfel zaait omtrent het realiteitsgehalte van haar verzoek om van verdere toezending van sweepstakes verschoond te blijven, is de kantonrechter van oordeel dat, zo eiseres door verdere toezending van de sweepstakes al op andere wijze -aan gedaagde toe te rekenen in haar persoon is aangetast (dan in eer of goede naam) als bedoeld in lid 1, onder b van artikel 7: 106 BW -op welk artikel eiseres kennelijk haar aanspraak op vergoeding van schade baseert- op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt dat het aan gedaagdes nalaten om sweepstakes niet meer aan haar te adresseren is te wijten dat het beweerde disfunctioneren van een zodanige ernst en omvang is dat jegens gedaagde deswege aanspraak bestaat op schadevergoeding. Hier zij er op gewezen dat eiseres blijkens een overgelegd medisch rapport ernstig ziek is en lijdt aan een scala van klachten waarvoor zij onder behandeling is, die mede tot disfunctioneren aanleiding hebben gegeven. Ook in dit opzicht dient de vordering derhalve te worden afgewezen.

17. Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding.

DE BESLISSING:

De Kantonrechter

Wijst de vordering af.

Verwijst de eisende partij in de kosten van het geding en veroordeelt die partij derhalve tot betaling van deze kosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot op heden begroot op f.1.500,-- voor salaris van de gemachtigde van gedaagde.

Aldus gewezen door mr. L.A.J. NUIJTEN, kantonrechter te Tilburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 1 februari 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.