Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:KTGSGR:2001:AA9707

Instantie
Kantongerecht 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
194959/01-700
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 194959/01-700

Datum: 30 januari 2001

VONNIS OP GROND VAN ARTIKEL 116 RV VAN DE KANTONRECHTER TE ’S-GRAVENHAGE IN DE ZAAK VAN:

1. [eiser 1],

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

4. [eiser 4]

5. [eiser 5]

6. [eiser 6]

7. [eiser 7]

8. [eiser 8]

allen wonende te [woonplaats],

eisende partijen,

gemachtigde mr. M. Oosterom,

t e g e n:

Stichting Samenwerkende Ziekenhuizen Juliana Kinderziekenhuis en Rode Kruis Ziekenhuis,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

gedaagde partij,

Gemachtigde: mr. R.A. van Dam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als eiseressen, respectievelijk het ziekenhuis.

Verloop van de procedure:

Op de gronden als omschreven in de dagvaarding hebben eiseressen gevorderd om het ziekenhuis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om het ziekenhuis te veroordelen binnen twee dagen naar betekening van het vonnis eiseressen te werk te stellen in de eigen dan wel passende functies op verbeurte van een dwangsom van NLG 10.000,- per dag voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat het ziekenhuis in gebreke blijft, met veroordeling van het ziekenhuis tot betaling van een bedrag groot NLG 3.145,- bruto per maand per persoon, vermeerderd met vakantiegeld en andere emolumenten en wel met ingang van 1 januari 2001 tot aan de dag dat arbeidsovereenkomsten op rechtsgeldige wijze zullen zijn beëindigd. Eiseressen vorderen voorwaardelijk een boete wegens te late betaling alsmede wettelijke rente een en ander met veroordeling van het ziekenhuis in de kosten van de procedure. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 23 januari 2001 en daarvan zijn aantekeningen gemaakt. Na afloop daarvan heeft de kantonrechter vonnis bepaald, dat heden wordt gewezen.

De beoordeling van het geschil:

1. Eiseressen stellen dat zij de Indonesische nationaliteit hebben en tot medio 2000 in Jakarta werkzaam waren als verpleegkundigen in de Gezondheidszorg. Na een selectieprocedure zijn zij door de stichting Mata Hari geplaatst in het ziekenhuis. Laatstgenoemde stichting heeft afspraken gemaakt met het ziekenhuis over de selectie van negen kandidaten. Ook elders in Nederland zijn Indonesische verpleegkundigen werkzaam. Door eiseressen is de leer- en arbeidsovereenkomst overgelegd.

2. Eiseressen voeren aan dat zij op 28 december 2000 geheel onverwacht te horen hebben gekregen dat het ziekenhuis de toezegging om een arbeidsovereenkomst aan te gaan van 1 januari 2001 tot 1 januari 2003 niet gestand wenste te doen. Aan hen werd daarbij meegedeeld dat hun arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2001 was beëindigd. Aan hen werd onder meer aangeboden om de arbeidsovereenkomst voort te zetten gedurende een maand en in deze maand een test in de Nederlandse taal te laten afnemen. Bij voldoende resultaat in dat geval de arbeidsovereenkomst te laten voortduren tot 30 september 2001. Het ziekenhuis is niet bereid eiseressen vrijwillig te werk te stellen en het loon door te betalen.

3. Eiseressen stellen eerst in Indonesië en later in Nederland cursussen te hebben gevolgd om zich de Nederlandse taal eigen te maken. In totaal is door ieder van hen circa NLG 12 000,- verschuldigd en eiseressen beroepen zich er op, dat het ziekenhuis met hen overeenkomsten heeft gesloten, waarbij de terugbetaling van dat bedrag is geregeld in 24 maandelijkse termijnen van NLG 500,- . Zij zijn er steeds vanuit gegaan dat zij voor 24 maanden in Nederland gingen werken. De overeenkomsten zijn gesloten met bemiddeling van de stichting Mata Hari.

4. De leer- en arbeidsovereenkomsten zijn aangevangen in september/oktober 2000. Eind december 2000 zijn er evaluatiegesprekken gehouden en aan hen is toen niet verteld, dat zij bij een onvoldoende beoordeling zouden moeten vertrekken.

5. Eiseressen stellen dat zijn redelijkerwijs mochten verwachten voor de voorgenomen periode van 24 maanden, dat zij naar Nederland zijn gekomen ook daadwerkelijk te werk zouden worden gesteld. Zij menen dat de door het ziekenhuis gestelde voorwaarde van “onvoldoende functioneren” daaraan geen afbreuk kan doen. Zij stellen dat de respectieve arbeidsovereenkomsten niet op rechtsgeldige wijze zijn beëindigd door het ziekenhuis.

6. Het ziekenhuis heeft zich beroepen op de tussen haar en eiseressen individueel gesloten leer- en arbeidsovereenkomsten. In artikel 1 van deze overeenkomst is bepaald dat eiseressen in dienst van het ziekenhuis treden in de functie van leerling-verpleegkundigen niveau 4. In artikel 2 is bepaald dat de overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd en wel tot en met 31 december 2000. De overeenkomst eindigt op 1 januari 2001 automatisch van rechtswege.

Het ziekenhuis heeft op 18 augustus 2000 een verklaring afgegeven waarin ondermeer de volgende zinsnede voorkomt: “Bij voldoende functioneren zal een bepaalde tijd dienstverband volgen van 1 januari 2001 tot 1 januari 2003. De eerste maand na indiensttreding zal gelden als wettelijke proeftijd. Vanaf 1 januari 2001 zal bovengenoemde functie van verpleegkundige gaan vervullen….”.

7. Het ziekenhuis heeft aangevoerd, dat er met eiseressen aanzienlijke taalproblemen bestaan en gedurende de afgelopen maanden zijn blijven bestaan. Het ziekenhuis vindt het niet verantwoord om eiseressen een arbeidsovereenkomst aan te bieden als verpleegkundige voor een periode van twee jaren. Op grond daarvan heeft zij besloten te bevestigen dat de arbeidsovereenkomsten met ingang van 1 januari van rechtswege aflopen. Bij deze beslissing is voornamelijk bepalend de zorg die het ziekenhuis heeft voor haar patiënten en het aanzienlijke risico dat het ziekenhuis loopt bij het zelfstandig inschakelen van eiseressen. Zij heeft erop gewezen dat gedurende de leerperiode eiseressen continu en individueel zijn begeleid en na afloop van de leerperiode niet in staat zijn gebleken zelfstandig te kunnen functioneren als verpleegkundige.

8. Het ziekenhuis heeft aan eiseressen andere voorstellen gedaan te weten het opnieuw afleggen van een taaltoets in de maand januari 2001 en bij het behalen van een voldoende resultaat betrokkenen in een andere functie - als verzorgende - werkzaam te laten zijn. Bovendien heeft het ziekenhuis aangeboden om de schuld van eiseressen van ieder NLG 12.000,- voor haar rekening te nemen, en vliegtickets naar Indonesië voor haar rekening te nemen met bijbetaling van drie maandsalarissen. Op deze voorstellen zijn eiseressen niet ingegaan en het ziekenhuis heeft zich bereid verklaard om onvoorwaardelijk de schuld van NLG 12.000,- voor iedere verpleegkundige voor haar rekening te nemen, evenals de kosten van de vliegtickets.

9. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van de door eiseressen ingestelde vorderingen heeft het ziekenhuis meegedeeld dat er voor diverse betrokkenen elders in Nederland werk voorhanden is. Samengevat is het ziekenhuis van oordeel dat aan de arbeidsovereenkomsten rechtsgeldig een einde is gekomen en zij niet gehouden is om eiseressen tot het werk toe te laten.

10. De kantonrechter is van oordeel dat het ziekenhuis tot niet meer of minder gehouden is dan tot hetgeen in de arbeidsovereenkomst wordt bepaald. Er is sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die rechtsgeldig is gesloten en die van rechtswege is geëindigd op 31 december 2000. De vraag rijst of er sprake is van feiten of omstandigheden, waardoor het ziekenhuis gehouden zou zijn om eiseressen ook vanaf 1 januari 2001 tot het werk toe te laten.

11. Allereerst is voor de beoordeling nog van belang of en in hoeverre eiseressen eind december 2000 voldoende functioneerden. Het ziekenhuis heeft gesteld dat eiseressen volstrekt onvoldoende functioneerden en het onverantwoord was hen na 1 januari 2001 zelfstandig werkzaamheden te laten verrichten. Eiseressen hebben onvoldoende gesteld en onvoldoende is gebleken dat deze stelling van het ziekenhuis onjuist zou zijn. Gelet op de grote zorg die het ziekenhuis heeft voor haar patiënten is het begrijpelijk dat het ziekenhuis het niet verantwoord heeft geoordeeld om eiseressen zelfstandig als verpleegkundige na 1 januari 2001 werkzaamheden te laten verrichten.

12. Vervolgens rijst de vraag of het ziekenhuis zodanige verwachtingen heeft gewekt bij eiseressen, dat het ziekenhuis redelijkerwijs gehouden is om eiseressen na 1 januari 2001 als verpleegkundige te werk te stellen. De tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst vormt daarvoor geen enkel houvast. Of en in hoeverre het ziekenhuis aan de stichting Mata Hari een toezegging terzake heeft gedaan staat niet ter beoordeling en zo deze al zou zijn gedaan blijft de vraag of deze door eiseressen zou kunnen worden afgedwongen, mede gezien de inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Het enkele feit dat het ziekenhuis zich bereid heeft verklaard om de schuld van NLG 12.000,- in te houden in 24 termijnen getuigt van enige bereidwilligheid van de zijde van het ziekenhuis, maar het gaat bepaald te ver om daaraan zulke verstrekkende rechten te ontlenen, dat het ziekenhuis verplicht zou zijn om eiseressen nog gedurende een dergelijke periode te werk te moeten stellen.

13. Uit het bovenstaande volgt, dat de vorderingen van eiseressen naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter ten onrechte zijn ingesteld. Er is voor de vorderingen geen voldoende grondslag en deze zullen dan ook worden afgewezen.

14. Aangezien eiseressen over geen enkel inkomen beschikken en het ziekenhuis zich bereid heeft verklaard -onvoorwaardelijk - tot betaling van een bedrag groot NLG 12.000,- voor ieder en retourtickets zullen de proceskosten worden verrekend zoals hierna vermeld.

De beslissing op grond van artikel 116 Rv:

De kantonrechter:

1. Wijst de vorderingen van eiseressen af.

2. Compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. L.F.A. Husson en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2001.