Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:KTGLEE:2001:AD6010

Instantie
Kantongerecht Leeuwarden
Datum uitspraak
30-10-2001
Datum publicatie
22-11-2001
Zaaknummer
92303 /CV EXPL 01-2675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Kantongerecht Leeuwarden

VONNIS

92303 /CV EXPL 01-2675

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap AXA SCHADE N.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap HOVENIERSBEDRIJF GROENRIJK ROB DE TUINMAN B.V.,

gevestigd te Veendam,

eiseressen,

gemachtigde: mr. A.A.S. Mosele, advocaat te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: J.J. Oordijk, gerechtsdeurwaarder.

OVERWEGINGEN

Procesverloop

1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft eisende partij, hierna te noemen Axa c.s., gevorderd om gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde], te veroordelen tot betaling:

a. aan Axa van een bedrag van ƒ 2093,- aan hoofdsom, met rente vanaf 15 november 1999 en een bedrag van ƒ 313,95 aan buitengerechtelijke incassokosten, met rente vanaf de dag der dagvaarding;

b. aan Groenrijk van een bedrag van ƒ 500,- aan hoofdsom, met rente vanaf 15 november 1999 en een bedrag van ƒ 75,- aan buitengerechtelijke incassokosten, met rente vanaf de dag der dagvaarding;

c. van de kosten van het geding.

Axa c.s. hebben op de eerste dienende dag 3 producties overgelegd.

[gedaagde] heeft bij antwoord, onder overlegging van 2 producties, de vordering betwist. Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

De feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

Op 15 november 1999 heeft op het Heerderpad te Groningen een aanrijding plaatsgevonden tussen een geparkeerd staande bedrijfsauto van Groenrijk, zijnde een Hyundai H 100 met het kenteken VP-SR-79 en [gedaagde] als bestuurder van een fiets. Voormelde bedrijfsauto stond in verband met tuinierswerkzaamheden gedeeltelijk in de berm van het Heerderpad en gedeeltelijk op het zich aldaar bevindende fietspad geparkeerd, met de voorkant van de auto in de richting van de Berlageweg. [gedaagde] is de bedrijfsauto genaderd vanaf de Berlageweg en is tegen de voorkant van deze auto aangereden. Ten gevolge hiervan is schade aan de bedrijfsauto ontstaan, bestaande uit een gebroken ruit, een beschadigde bumper en enkele deukjes in de motorkap. Ten tijde van de aanrijding was er sprake van een laagstaande zon. De totale schade aan de bedrijfsauto beliep een bedrag van ƒ 2593,- exclusief BTW. Na aftrek van het eigen risico van ƒ 500,- heeft AXA als verzekeraar van Groenrijk een bedrag van ƒ 2093,- aan Groenrijk uitgekeerd. Voor dit bedrag is AXA gesubrogeerd in de vordering van Groenrijk op [gedaagde].

Het standpunt van Axa c.s.

3. Axa c.s. baseren hun vordering op voormelde feiten en stellen dat [gedaagde] uit hoofde van een door hem begane onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de onderhavige schade. De aanrijding was volgens Axa c.s. het gevolg van grove onoplettendheid en onvoorzichtigheid aan de zijde van [gedaagde]. [gedaagde] had de auto niet over het hoofd mogen zien, terwijl hij voorts met hoge snelheid kwam aanrijden, wat gelet op de laagstaande zon onvoorzichtig was. Hoewel de bedrijfsauto van Groenrijk gedeeltelijk op het fietspad geparkeerd stond, had [gedaagde] de auto naar de mening van Axa c.s. gemakkelijk kunnen ontwijken langs de linkerkant van het fietspad. De ernst van een eventuele fout van Groenrijk door het gedeeltelijk parkeren van de bedrijfsauto op het fietspad, valt volgens Axa c.s. in het niet bij de fout van [gedaagde].

Axa c.s. betwisten de toepasselijkheid van artikel 185 WVW 1994, nu er in verband met het stilstaan van de bedrijfsauto geen sprake was van een motorvoertuig waarmee op de weg werd gereden. Voor zover artikel 185 WVW 1994 wel van toepassing zou zijn, beroepen Axa c.s. zich op overmacht bij Groenrijk.

Het standpunt van [gedaagde]

4. [gedaagde] heeft de vordering van Axa c.s. betwist. Hij stelt daartoe in de eerste plaats dat artikel 185 WVW 1994 van toepassing is op de onderhavige aanrijding. Als een bedrijfsauto op een fietspad geparkeerd staat, kan volgens [gedaagde] niet gesteld worden dat deze veilig buiten het verkeer tot stilstand is gekomen. De auto neemt dan nog aan het verkeer deel. Door de bedrijfsauto op het fietspad te parkeren heeft Groenrijk naar de mening van [gedaagde] een verkeersfout begaan, die haar zwaar dient te worden aangerekend.

In verband met de laagstaande zon en het effect daarvan op verkeersdeelnemers had de bedrijfsauto niet gedeeltelijk op het fietspad mogen worden neergezet. Van overmacht aan de zijde van Axa c.s. is volgens [gedaagde] gezien het voorgaande geen sprake en evenmin van grove onoplettendheid/onvoorzichtigheid bij [gedaagde]. [gedaagde] betwist voorts dat hij met hoge snelheid de bedrijfsauto van Groenrijk naderde.

De beoordeling van het geschil

5. Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de aanrijding met de bedrijfsauto van Groenrijk geregeld wordt door artikel 185 WVW 1994 dan wel door artikel 6:162 BW. Blijkens vaste jurisprudentie is artikel 185 WVW 1994 van overeenkomstige toepassing op de aansprakelijkheid van een fietser jegens de eigenaar van een auto, als de fietser schade heeft toegebracht aan deze auto en er aan de vereisten van voormeld artikel wordt voldaan. In het onderhavige geval mist artikel 185 WVW 1994 echter toepassing. Dit artikel eist namelijk dat er sprake moet zijn van een motorvoertuig waarmee op de weg wordt gereden, hetgeen veronderstelt dat het motorvoertuig in beweging is op het moment dat de schade wordt toegebracht. Het staat vast dat de bedrijfsauto van Groenrijk ten tijde van het ontstaan van de schade blijvend stil stond, deels in de berm, deels op het fietspad. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van het rijden van een motorvoertuig op de weg en wordt derhalve niet aan de door artikel 185 WVW 1994 gestelde vereisten voor de toepasselijkheid van dit artikel voldaan. De aansprakelijkheid van [gedaagde] dient dan ook te worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 BW betreffende de onrechtmatige daad.

6. Wil er sprake zijn van een verplichting tot schadevergoeding op grond van een onrechtmatige daad van de zijde van [gedaagde], dan dient er aan vijf vereisten te zijn voldaan:

a. onrechtmatigheid

b. relativiteit

c. toerekenbaarheid van de daad

d. causaliteit

e. schade

7. In het onderhavige geval heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld jegens Groenrijk door schade aan de bedrijfsauto van Groenrijk te veroorzaken en daarmee inbreuk te maken op het eigendomsrecht van Groenrijk met betrekking tot deze auto. De schade is niet weersproken, hetgeen ook geldt voor het causale verband tussen daad en schade, terwijl het relativiteitsvereiste eveneens niet aan de toewijsbaarheid van de vordering van Axa c.s. in de weg staat.

8. Tot slot dient te worden beoordeeld of de onrechtmatige daad (volledig) aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Een onrechtmatige daad kan op grond van het derde lid van artikel 6:162 BW aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de dader komt. De kantonrechter is van oordeel dat de onderhavige onrechtmatige daad te wijten is aan de schuld van [gedaagde]. [gedaagde] heeft namelijk onvoorzichtig dan wel onoplettend gehandeld door tegen de auto van Groenrijk aan te rijden. Een auto is een object van een zodanige grootte dat [gedaagde] de bedrijfsauto van Groenrijk als oplettende verkeersdeelnemer op had moeten merken. Van verkeersdeelnemers mag verwacht worden dat zij gedurende hun verkeersdeelname oplettend zijn ten aanzien van alles wat zij op hun weg tegenkomen, los van de vraag of andere verkeersdeelnemers zich aan de verkeersregels houden. De laagstaande zon ten tijde van de onrechtmatige daad had een reden te meer voor [gedaagde] moeten zijn om extra voorzichtigheid te betrachten bij zijn rijgedrag, nu het een feit van algemene bekendheid is dat het waarnemingsvermogen van verkeersdeelnemers door een laagstaande zon ernstig belemmerd kan worden.

Aan de andere kant dient de schuld aan de aanrijding niet volledig bij [gedaagde] gelegd te worden. Er is naar het oordeel van de kantonrechter namelijk sprake van een zekere mate van eigen schuld aan de aanrijding aan de zijde van Groenrijk. De schade is mede een gevolg van een omstandigheid die aan Groenrijk kan worden toegerekend, te weten het in strijd met de verkeersregels gedeeltelijk op een fietspad parkeren van een auto. Het is niet toegestaan om een auto, al dan niet gedeeltelijk, op een fietspad te parkeren; hiermee wordt door de bestuurder van de auto een gevaar in het leven geroepen voor passerende fietsers. Dit gevaar bestaat vooral in het mogelijk ontstaan van aanrijdingen. Ontstaat er vervolgens schade aan de auto door een aanrijding tussen een op dat fietspad rijdende fiets en de geparkeerde auto, dan is het redelijk om een deel van de schade voor rekening van de eigenaar van de auto te laten.

9. De schuld van [gedaagde] afwegend tegen de eigen schuld van Groenrijk aan de aanrijding is de kantonrechter van oordeel dat de verkeersfout van [gedaagde] in verhouding tot de verkeersfout van Groenrijk het zwaarst dient te wegen. Weliswaar overtrad Groenrijk de verkeersregels door op een plaats te parkeren waar dit niet was toegestaan, [gedaagde] had ondanks deze verkeersfout van Groenrijk oplettender moeten zijn bij het naderen van de geparkeerd staande auto. Als [gedaagde] beter had opgelet, had hij de bedrijfsauto van Groenrijk met een kleine uitwijkmanoevre kunnen passeren.

Gelet op al het voorgaande zal de kantonrechter de mate van schuld aan de aanrijding aan de zijde van [gedaagde] waarderen op 75% en de mate van eigen schuld aan de zijde van Groenrijk op 25%.

Dit betekent dat van het door AXA gevorderde bedrag aan hoofdsom zal worden toegewezen een bedrag van ƒ 1569,75 en van het door Groenrijk gevorderde bedrag aan hoofdsom zal worden toegewezen een bedrag van ƒ 375,00.

10. De gevorderde wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten zijn door [gedaagde] niet zelfstandig betwist, zodat deze bedragen als onweersproken kunnen worden toegewezen, met dien verstande dat dit wat betreft de incassokosten, gelet op het toegewezen percentage van de hoofdsom, tot 75% van het gevorderde bedrag zal geschieden. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. Deze rente is op grond van het rapport Voorwerk II als vermogensschade toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding of zoveel eerder als de schuldenaar dienaangaande in gebreke is gebleven, een en ander voor zover deze kosten voordien daadwerkelijk zijn betaald. Hiertoe dient de eisende partij te bewijzen dat en op welke datum de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn betaald. Dit hebben eiseressen echter nagelaten, zodat de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen.

11. [gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan AXA van een bedrag groot ƒ 1569,75 (zegge: eenduizend vijfhonderd negenenzestig gulden en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 1569,75 vanaf 15 november 1999 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag van ƒ 235,46 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Groenrijk van een bedrag groot ƒ 375,00 (zegge: driehonderd vijfenzeventig gulden en nul cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 375,00 vanaf 15 november 1999 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag van ƒ 56,25 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Axa c.s. begroot op ƒ 400,00 wegens salaris en op ƒ 412,25 wegens verschotten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.