Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:KTGHAA:2001:AB2542

Instantie
Kantongerecht Haarlem
Datum uitspraak
09-07-2001
Datum publicatie
11-07-2001
Zaaknummer
142451\AO VERZ 01-66
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KANTONGERECHT TE HAARLEM

Zaak-/rolnummer : 142451\AO VERZ 01-66

datum beschikking: 15 maart 2001

Beschikking van de kantonrechter te Haarlem in de zaak van:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HIENSCH SERVICE COMPANY B.V.,

te Amstelveen, kantoor houdende te Badhoevedorp,

verzoekster,

hierna: Hiensch,

gemachtigde: mr. N.M.N. Klazinga,

tegen

[verweerder],

te [woonplaats],

verweerder,

hierna: [verweerder],

gemachtigde: mr. C.J. Dreef.

1. Het verloop van de procedure

Hiensch heeft op 23 januari 2001 bij dit Kantongerecht een voorwaardelijk verzoek ex artikel 7:685 BW ingediend. [verweerder] heeft een verweer-schrift ingediend.

Beide partijen hebben producties overge-legd.

De inhoud van al deze stukken dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 maart 2001.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro-ken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partij-en het volgende vast:

a. [verweerder], geboren op [geboortedatum], is op 1 mei 2000 als inregeltechnicus voor onbepaalde tijd in dienst gestreden van Hiensch.

b. Het huidige salaris van [verweerder] bedraagt ƒ4.500,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld.

c. Bij memo van 4 januari 2001 heeft Hiensch aan al haar medewerkers waaronder [verweerder] onder meer het volgende meegedeeld:

“Binnenkort zullen de boxen t.b.v. de km registratie in de auto’s worden ingebouwd.”

d. Bij memo van 15 januari 2001 heeft Hiensch onder meer het volgende aan al haar inregel- en servicetechnici, waaronder [verweerder] geschreven:

“Fiscaalbox: Als het goed is zijn bij de eersten reeds deze voorzieningen aangebracht in de auto. Dit apparaat wordt in alle bedrijfsauto’s gemonteerd en heeft een tweeledig doel:

a. E.e.a. maakt de registratie van jullie privé kilometers eenvoudiger. Dit kan raadzaam zijn indien je denkt dat je minder dan 7000 km per jaar privé rijdt. Of je hier gebruik van maakt is aan een ieder vrij.

b. Het steekproefsgewijs controleren van het naleven van de werktijden.

Indien gewenst kunnen de gegevens door mij worden uitgelezen en op papier en/of floppy worden aangeleverd.”

e. Bij brief van 19 januari 2001 heeft Hiensch [verweerder] verzocht en zo nodig gesommeerd zich op maandagochtend 22 januari 2001 op de gebruikelijke tijd op het werk te melden en dan medewerking te verlenen aan het inbouwen van de fiscaalbox en het aanbrengen van reclame op de auto.

f. In die brief van 19 januari 2001 heeft Hiensch tevens meegedeeld dat, indien [verweerder] geen gehoor zou geven aan de sommatie, hij zich aan werkweigering zou schuldig maken en dat dit een reden zou opleveren voor ontslag op staande voet. [verweerder] diende de brief als laatste waarschuwing te beschouwen.

g. Vervolgens heeft Hiensch bij brief van 22 januari 2001 [verweerder] op staande voet ontslagen.

3. Het verzoek

3.1 Hiensch heeft aan haar voorwaardelijke verzoek ten grondslag gelegd dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens gewichti-ge redenen, primair bestaande in een dringende reden en subsidiair in gewijzigde omstandigheden dient te worden ontbonden.

3.2 Hiensch heeft tegen de achtergrond van de vaststaande feiten het volgende aan haar voorwaardelijke verzoek ten grondslag gelegd:

[verweerder] heeft zich schuldig gemaakt aan werkweigering.

Subsidiair is sprake van verandering van omstandigheden die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.

De noodzaak tot ontbinding van het dienstverband is geheel aan [verweerder] te wijten. Daarom dient aan hem geen vergoeding te worden toegekend.

4. Het verweer

[verweerder] heeft het verzoek bestreden. Hij heeft van zijn kant het volgende aangevoerd:

[verweerder] heeft zich op 17 januari 2001 ziek gemeld, zodat sprake is van een opzegverbod.

Subsidiair moet Hiensch niet-ontvankelijk worden verklaard omdat bij het verzoekschrift geen reïntegratieplan was gevoegd.

Meer subsidiair moet het verzoek worden afgewezen. De meningsverschillen tussen partijen zijn van dien aard dat een oplossing mogelijk moet zijn.

Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden verzoekt [verweerder] hem een vergoeding toe te kennen van ƒ22.500,00 bruto.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Hoewel het verzoekschrift een werknemer betreft die op de dag van ontvangst van het verzoekschrift ter griffie door ziekte verhinderd was zijn arbeid te verrichten, doet dit niet af aan de ontvankelijkheid, nu een reïntegratieplan, zoals bedoeld in artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is gevoegd, dat is getoetst door het Landelijk instituut sociale verzekeringen.

Weliswaar is het reïntegratieplan door Hiensch later ingediend dan het verzoekschrift, maar dat kan Hiensch niet worden aangerekend. Gebleken is immers dat de Arbodienst ondanks de juiste opgave door Hiensch van een onjuist adres van [verweerder] is uitgegaan.

5.2 Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden komen vast te staan, die zouden nopen tot niet-ontvankelijkheid.

5.3 De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een verbod tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst of een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 648, 670 en 670a van het Burgerlijk Wetboek, of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

5.4 De kantonrechter gaat niet verder in op het beroep op de feiten en omstandigheden die de dringende reden zouden hebben opgeleverd die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd. Een procedure over dat ontslag op staande voet is niet afgerond of gesloten, met alle bewijsrechtelijke implicaties van dien en een mogelijkheid van hoger beroep. Daarom zal in deze verzoekschriftprocedure niet worden vooruitgelopen op een mogelijk in een andere procedure te nemen eindbeslissing.

5.5 De kantonrechter is van oordeel dat zich zodanige veranderin-gen in de omstandigheden hebben voorgedaan dat de dienstbe-trekking billijkheidshalve na korte tijd behoort te eindigen en overweegt daartoe het volgende.

5.6 Gebleken is dat [verweerder] niet wil meerwerken aan de inbouw van een fiscaalbox in de hem door Hiensch ter beschikking gestelde lease-auto en dat hij evenmin bereid is die auto van een reclametekst te laten voorzien. Het betreft hier echter redelijke verzoeken van de werkgever die [verweerder] diende op te volgen.

5.7 Reeds op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is begrijpelijk en te billijken dat Hiensch geen vertrouwen meer in [verweerder] heeft. Dit gebrek aan vertrouwen en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid van een vruchtbare samenwerking levert een verandering van omstandigheden op. [verweerder] heeft weliswaar aangevoerd dat de vertrouwensrelatie kan worden hersteld, maar ter zitting is daarvan niet gebleken.

5.8 Het komt de kantonrechter met het oog op de omstandigheden van het geval niet billijk voor om aan [verweerder] ten laste van Hiensch een vergoeding toe te kennen.

5.9 Nu geen vergoeding zal worden toegekend behoeft de kan-tonrechter Hiensch niet in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van haar bevoegdheid het verzoek in te trekken.

5.10 De aard van de procedure brengt met zich dat de proceskos-ten zullen worden gecompenseerd als na te melden. Er zijn geen bijzondere redenen gebleken om een van de partijen in de kosten te veroordelen.

6. De beslissing

De kantonrechter:

Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

Bepaalt dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 april 2001.

Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken in het bijzijn van de griffier op de openbare terechtzitting van 15 maart 2001.