Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:KTGHAA:2001:AB1551

Instantie
Kantongerecht Haarlem
Datum uitspraak
09-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
140292 CV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER TE HAARLEM

in de zaak van

[eiser]

te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde H. Terhoeven

--tegen--

de naamloze vennootschap N.V. Afvalzorg Holding

te Haarlem

gedaagde

hierna te noemen Afvalzorg

gemachtigde J. Harteveld

De procedure

[eiser] heeft Afvalzorg doen dagvaarden.

Vervolgens zijn de volgende stukken gewisseld:

een conclusie voor antwoord

een conclusie van repliek

een conclusie van dupliek.

De feiten

[eiser] is op 1 februari 1993 in dienst getreden van Afvalzorg als medewerker automatisering. Zijn salaris bedroeg laatstelijk ƒ 5.246,--- bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Energie- en Nutsbedrijven van toepassing.

De arbeidsovereenkomst is op neutrale gronden ontbonden door de kantonrechter te Haarlem met ingang van 1 september 1999. Er heeft geen mondelinge behandeling plaats gevonden. Partijen hebben een regeling getroffen met betrekking tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen daarvan, waaronder de betaling door Afvalzorg van een bedrag van

ƒ 50.994,-- bruto. De kantonrechter heeft dit bedrag ook toegekend. Het is door Afvalzorg betaald.

De CAO kent een wachtgeldregeling bij niet-verwijtbare werkloosheid. De eerste twee jaar bedraagt het wachtgeld 93 % van het salaris. Afvalzorg is eigenrisicodrager.

Partijen zijn zich tijdens de besprekingen en onderhandelingen over de voorwaarden onder welke de arbeidsovereenkomst ontbonden zou worden niet bewust geweest dat de CAO van toepassing was. CAO en wachtgeldregeling waren hen onbekend. Zij hebben dan ook niet over de CAO en de wachtgeldregeling gesproken.

[eiser] heeft een WW-uitkering aangevraagd bij het GAK. [eiser] bleek daarop geen recht te hebben. Afvalzorg heeft vervolgens op aanvraag van [eiser] bij brief van 17 november 1999 aan [eiser] meegedeeld dat hij recht had op een uitkering van 70 % van het laatst genoten salaris.

De vordering

[eiser] vordert op grond van de vaststaande feiten veroordeling van Afvalzorg tot betaling van het tekort betaalde wachtgeld van 23 % vanaf 1 september 1999.

Het verweer

Afvalzorg concludeert tot afwijzing van de vordering. Afvalzorg voert kort samengevat het navolgende aan.

De arbeidsovereenkomst is beëindigd omdat Afvalzorg niet tevreden was over het functioneren van [eiser]. Begin 1999 is al gesproken over de beëindiging, deze is uiteindelijk pas per 1 september 1999 uitgesproken. [eiser] kreeg een vergoeding die ver boven het bedrag ligt dat hem op grond van de kantonrechtersformule zou zijn toegekomen. Het is nooit de bedoeling geweest dat Afvalzorg daarnaast tevens wachtgeld zou betalen. Partijen hebben een allesomvattende regeling getroffen tegen finale kwijting. De vordering van [eiser] is onredelijk. Het zou niet redelijk zijn indien [eiser] recht heeft op het gevraagde wachtgeld en op de toegekende vergoeding.

De beoordeling van het geschil

Voorop gesteld moet worden dat Afvalzorg niet heeft gesteld dat zij op grond van de ten aanzien van het functioneren van [eiser] geformuleerde verwijten gerechtigd zou zijn krachtens de CAO slechts 70 % van zijn salaris te betalen. De kantonrechter zal dus uitgaan van een recht van [eiser] op wachtgeld.

[eiser] heeft op verzoek van Afvalzorg een voorstel geformuleerd over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, in een brief van 10 mei 1999. In die brief heeft hij onder meer een financiële compensatie in de vorm van negen maandsalarissen gevraagd, daarbij opmerkende dat drie maanden afkomstig waren van niet op te nemen tijd voor arbeid. Kennelijk hebben partijen zich vervolgens elk van rechtsbijstand voorzien, en hebben de gemachtigden onderhandeld over de voorwaarden onder welke de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou worden geëffectueerd. Afvalzorg verwijst immers naar correspondentie tussen de raadslieden, bovendien vermeldt de beschikking van de kantonrechter van 28 juli 1999 op het verzoek dat op 13 juli 1999 is binnengekomen de namen van gemachtigden. Partijen hebben kennelijk met rechtsbijstand de kantonrechter voorgelegd dat er geen sprake was van verwijten van Afvalzorg aan [eiser], maar dat de arbeidsovereenkomst desalniettemin moest worden beëindigd. Gezien de formulering in de beschikking is ook de ontbindingsdatum van partijen afkomstig.

Uit niets blijkt dat partijen zich het recht hebben voorbehouden onder omstandigheden terug te komen op de aan de kantonrechter voorgelegde standpunten. Er is dan ook geen aanleiding Afvalzorg bewijs te laten leveren omtrent feiten en omstandigheden die voor haar aanleiding waren te streven naar beëindiging van het dienstverband.

Het beroep op het feit dat partijen tegen finale kwijting afspraken hebben gemaakt moet worden verworpen. Partijen hebben kennelijk slechts afgerekend in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en het einde van het dienstverband. Uit niets blijkt dat de finale kwijting ook betrekking had op partijen op dat moment niet bekende rechten en verplichtingen.

Het verweer van Afvalzorg is ook in strijd met haar feitelijk gedrag bestaande uit het toekennen van 70 % wachtgeld.

Haar komt ook daarom geen beroep toe op verleende finale kwijting.

Onjuist is dat [eiser] een zodanig afwijkende, hoge, vergoeding kreeg dat hem op die grond geen recht op volledige betaling van wachtgeld zou toekomen.

[eiser] was ten tijde van de beëindiging van het dienstverband ruim 6,5 jaar dus afgerond naar boven 7 jaar in dienst bij Afvalzorg. Rekening houdende met de gestelde en niet betwiste [eiser] toekomende vrije tijd voor arbeid is een vergoeding gelijk aan negen maanden salaris, zoals in dit geval toegekend, en rekening houdende met zijn arbeidsongeschiktheid niet buitengewoon hoog.

Partijen zijn er kennelijk allebei van uitgegaan dat andere vangnetten bestonden voor [eiser] (namelijk door een derde te betalen WW), en dat Afvalzorg geen verdergaande verplichtingen had na beëindiging van het dienstverband dan afrekening van de vergoeding en betaling van eventueel op grond van de eindafrekening voortvloeiende verplichtingen.

Het is begrijpelijk dat het feit dat Afvalzorg geconfronteerd met haar verplichting wachtgeld te betalen onaangenaam getroffen is. Aan de zijde van [eiser] is sprake van een financiële meevaller zolang hij geen ander werk heeft doordat de CAO rept van 93 % in plaats van 70 % wachtgeld. Dit alles is echter onvoldoende om het beroep van [eiser] op volledige nakoming van de CAO onredelijk te maken.

Het verweer van Afvalzorg wordt daarom ook in zoverre verworpen.

Hetgeen Afvalzorg overigens te berde heeft gebracht kan niet leiden tot afwijzing van de vordering en kan daarom buiten bespreking blijven.

Op grond van het bovenstaande is de vordering van [eiser] als overigens onweersproken toewijsbaar.

De proceskosten komen voor rekening van Afvalzorg omdat zij in het ongelijk is gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Afvalzorg tot betaling aan [eiser] van het tekort betaald wachtgeld van 23 % vanaf 1 september 1999 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke data waarop Afvalzorg steeds 23 % te weinig betaalde tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt Afvalzorg tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de bedragen, zoals deze hieronder zijn gespecificeerd en bepaalt dat alleen BTW over de aan de ambtshandelingen van de deurwaarder verbonden kosten in rekening kan worden gebracht indien [eiser] niet BTW-plichtig is;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders mocht zijn gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Harts en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.

exploot ƒ 55,95

vastrecht ƒ 170,00

salaris gemachtigde ƒ 800,00

uitroepgeld ƒ 15,35

De explootkosten, ƒ 85,00 aan vastrecht en het salaris gemachtigde moeten aan de griffier in het arrondissement Haarlem worden betaald.