Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:KTGBOZ:2001:AB1387

Instantie
Kantongerecht Bergen op Zoom
Datum uitspraak
14-03-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/2971
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnr.: 00/2971

Vonnis d.d.: 14 maart 2001

Typ.: cm

Coll.:

KANTONGERECHT TE BERGEN OP ZOOM

VONNIS

in de zaak van:

[eiser], [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. B. van Leeuwen te Goes,

tegen:

[gedaagde], [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: broer van gedaagde

te Bergen op Zoom.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" en "[gedaagde]".

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 16 oktober 2000,

- het antwoord met producties,

- de conclusie van repliek met producties,

- de conclusie van dupliek met een productie,

- de antwoordakte uitlaten producties.

2. Het geschil.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van

¦ 8.546,94 aan hoofdsom vermeerderd met rente en van ¦ 1.175,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met proceskosten.

[gedaagde] weerspreekt de vordering.

3. De beoordeling.

3.1 [eiser] grondt de vordering op een toerekenbare onrechtmatige daad doordat [gedaagde] het ingezaaide en ingeplante maïs op rechtmatig en tegen betaling bij [eiser] in gebruik zijnde grond vernielde. [eiser] legt aan zijn rechtmatig gebruik van de onderhavige grond met name ten grondslag een op 25 oktober 1999 met [X] gesloten overeenkomst. Volgens [eiser] bereed [gedaagde] de grond met een graafmachine en [eiser] stelt dat die op 17 augustus 2000 toegebrachte schade ¦ 8.546,94 bedraagt.

3.2 [gedaagde] verweert zich door onder meer te stellen dat [eiser] de onderhavige grond zonder titel en te kwader trouw in gebruik heeft of had. [gedaagde] stelt dat zijn moeder C.M.J. [gedaagde] (voor de helft) en de vier kinderen van [eiser] (ieder voor 1/8e deel) gezamenlijk de eigendom van de onderhavige grond hebben en hadden. Volgens [gedaagde] had [eiser] die grond, ondanks waarschuwingen en sommaties namens moeder [gedaagde], begin april 2000 met mest doen injecteren en begin mei 2000 doen inzaaien. Toen [eiser] ook nadien niet voldeed aan namens moeder [gedaagde] gezonden sommaties om de ingezaaide teelt te verwijderen, stelt [gedaagde] namens moeder [gedaagde] aan J. van [Y] opdracht te hebben gegeven om de betreffende grond weer in de oorspronkelijke staat te brengen. Volgens [gedaagde] gaf Van [Y] op 1 juli 2000 met een tractor uitvoering aan die opdracht en voerde [gedaagde] op 17 augustus 2000 in opdracht van moeder [gedaagde] soortgelijke werkzaamheden uit. [gedaagde] ontkent voorts de gevorderde schade.

3.3 Overwogen wordt dat de exacte rechtsposities van en verhoudingen tussen partijen in het midden kunnen blijven. Eigenrichting oftewel het eigenmachtig handhaven van rechten is ongeoorloofd en onrechtmatig, tenzij daarvoor een rechtvaardigingsgrond aanwezig is.

3.4 Nu [gedaagde] willens en wetens eigenmachtig het gewraakte bezit en/of gebruik van de onderhavige grond door [eiser] feitelijk aantastte door het ingezaaide en ingeplante maïs te (doen) vernietigen zonder dat de (on)rechtmatigheid van het door [eiser] geclaimde bezit en/of gebruik in rechte was getoetst, handelde [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser]. Dat [gedaagde] meent en meende dat [eiser] zijn feitelijke verhouding tot die grond zonder titel heeft of had verkregen, doet zijn daad in dit geval het onrechtmatig karakter niet verliezen. Dat [gedaagde] stelt te hebben gehandeld namens en met toestemming van moeder [gedaagde] als (mede)eigenaresse van de grond, doet aan de onrechtmatigheid ook niet af nu [gedaagde] blijkens zijn stellingen en de stukken volledig op de hoogte was van de relevante feiten en omstandigheden.

3.5 De door [gedaagde] gepleegde onrechtmatige daad verplicht [gedaagde] om de schade die [eiser] daardoor lijdt, te vergoeden. [eiser] vordert vergoeding van op 17 augustus 2000 door [gedaagde] toegebrachte schade ten bedrage van ¦ 8.546,94 en beroept zich daartoe op het niet inhoudelijk weersproken Taxatierapport d.d. 1 september 2000 van ZLTO Vastgoed (productie 3 bij repliek). Blijkens dat Taxatierapport werd de schade ter plaatse op 18 augustus 2000, derhalve een dag na de verweten onrechtmatige gedraging, door de opstellers in ogenschouw genomen. Op grond van dat Taxatierapport wordt de directe gewasschade als gevolg van [gedaagde]’s onrechtmatige eigenrichting begroot op ¦ 5.272,00. Reeds nu niet is gesteld of gebleken dat de in dat Taxatierapport bedoelde (te maken) kosten voor onkruidbestrijding en wegens uren voor zorg en aandacht daadwerkelijk werden gemaakt, zijn die kosten niet toewijsbaar; omdat [eiser] in zoverre aan zijn stelplicht niet voldoet, wordt aan bewijs van enige stelling terzake niet meer toegekomen. De blijkens het Taxatierapport gemaakte taxatiekosten van ¦ 1.012,50 zijn, als redelijke kosten ter vaststelling van schade, in beginsel wel toewijsbaar. Kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte zijn evenwel niet toewijsbaar; enerzijds stelt [eiser] niet uitdrukkelijk welke en hoeveel beweerde aanmaningen of sommaties voorafgaand aan deze procedure aan [gedaagde] zouden zijn verzonden, anderzijds stelt [eiser] dat [gedaagde] uitdrukkelijk aangaf de schade niet te zullen vergoeden zodat die eventuele kosten alsdan -voorzover zij althans niet onder de wettelijke proceskostenregeling vallen- niet in redelijkheid noodzakelijk waren.

3.6 Op grond van het vorenoverwogene bedraagt de schade ¦ 6.284,50. Nu [eiser] niet alleen blijkens de overgelegde correspondentie maar ook blijkens eigen stellingen (zoals onder meer vervat in punt 9 bij repliek) de onderhavige grond ondanks uitdrukkelijke voorafgaande waarschuwingen, sommaties en dreigend eigenmachtig hersteloptreden van de zijde van [gedaagde] namens moeder [gedaagde] willens en wetens in bezit en/of gebruik nam zonder dat de (on)rechtmatigheid van dergelijke gedragingen op enigerlei wijze in rechte was getoetst, is de schade in dit geval echter mede als een gevolg van die eigenmachtige inbezit- en/of ingebruikneming door [eiser] toe te rekenen aan [eiser]. Dat [eiser] meende tot die inbezit- en/of ingebruikneming gerechtigd te zijn, doet daaraan als zodanig niet af nu [eiser] op de hoogte was, of althans had moeten zijn, van de ernstige en serieuze bezwaren tegen zijn voorgenomen inbezit- en/of ingebruikneming van de onderhavige grond. Daarom wordt de vergoedingsplicht van [gedaagde] thans en in dit geval verminderd door de schade gelijkelijk over [eiser] en [gedaagde] te verdelen.

3.7 Omdat beide partijen op enkele punten in het ongelijk worden gesteld en gelet op de tussen partijen bestaande familierelatie, worden de proceskosten gecompenseerd.

4. De beslissing.

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van ¦ 3.142,25 (DRIEDUIZEND EENHONDERD TWEE EN VEERTIG GULDEN EN VIJF EN TWINTIG CENTEN), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 augustus 2000 tot de dag der voldoening;

- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.W.M. Stienissen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag, 14 maart 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.