Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:911

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2022
Datum publicatie
21-06-2022
Zaaknummer
19/04995
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:3869
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:342
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onttrekken van lijk aan nasporing (art. 151 Sr), nalaten tijdig gegevens te verstrekken (art. 227b Sr) en verduistering, meermalen gepleegd (art. 321 Sr) door gedurende periode van bijna 2 en half jaar stoffelijk overschot van zijn moeder in ouderlijk huis (waar hij zelf is blijven wonen) te verbergen en daarvan geen melding te maken bij uitkeringsinstanties, zodat haar AOW-uitkering en nabestaandenpensioen blijven doorlopen. Strafmotivering (gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk). 1. Is beroep op ernst van feiten te vaag en algemeen om opgelegde straf te kunnen dragen? 2. Kon hof met het oog op voorkomen van nieuwe strafbare feiten een deel van gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen?

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2022/640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/04995

Datum 21 juni 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2019, nummer 20-002092-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.M.A. Jegers, advocaat te Heerlen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en twee weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2022.