Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:854

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2022
Datum publicatie
10-06-2022
Zaaknummer
21/00045
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1144, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2020:2808, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure. Huurrecht. Schade huurder door tekortschieten verhuurder. Uitleg dictum hoofdzaak. Heeft hof nagelaten kenbaar te beslissen op deel van gevorderde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/1442
NJ 2022/219
RvdW 2022/587
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/00045

Datum 10 juni 2022

ARREST

In de zaak van

[de huurder] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie,

hierna: de huurder,

advocaat: A.H. Vermeulen,

tegen

[de verhuurder] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de verhuurder,

advocaat: N.C. van Steijn.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen en rolbeschikkingen in de zaak 1174850/CV EXPL 12-3695 van de rechtbank Den Haag;

  2. de arresten in de zaak 200.233.666/01 van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2019, 11 februari 2020, 6 oktober 2020 en 1 december 2020.

De huurder heeft tegen de arresten van het hof van 11 februari 2020, 6 oktober 2020 en 1 december 2020 beroep in cassatie ingesteld.

De verhuurder heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor de huurder mede door A.A.M. Knol.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de huurder in het cassatieberoep tegen het bestreden herstelarrest, tot vernietiging van het bestreden tussenarrest en het bestreden eindarrest en tot verwijzing.

De advocaat van de verhuurder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De verhuurder was eigenaar van een pand te [plaats] (hierna: het pand). De huurder huurde sinds 1994 de begane grond en kelder van het pand. Hij exploiteerde daarin een horecagelegenheid (hierna: het café). Hij deed dit aanvankelijk in de vorm van een eenmanszaak. Nadien heeft de huurder zijn eenmanszaak ingebracht in een besloten vennootschap (hierna: de B.V.), waarvan hij (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder was.

(ii) De verhuurder heeft op de eerste verdieping van het pand een appartement gerealiseerd. In 2002 heeft hij de Milieudienst West-Holland (hierna: de Milieudienst) ingeschakeld in verband met geluidsoverlast in het appartement als gevolg van de exploitatie van het café. De Milieudienst heeft vervolgens een last onder dwangsom opgelegd aan het café. Dit heeft geleid tot het verbeuren van dwangsommen. Nadat de Milieudienst tevergeefs een termijn had gegeven om maatregelen te treffen ter voorkoming van geluidsoverlast, is het café op 17 mei 2006 gesloten.

(iii) In een aan deze procedure voorafgegane procedure (hierna: de hoofdzaak), heeft de huurder onder meer gevorderd dat de verhuurder wordt veroordeeld tot schadevergoeding op grond van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat. De kantonrechter te Den Haag heeft de verhuurder veroordeeld tot vergoeding van de door huurder geleden schade als gevolg van het moeten sluiten van het café door het toerekenbaar tekortschieten van de verhuurder in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, nader op te maken bij staat. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft dit vonnis bekrachtigd.

2.2

Deze procedure betreft een schadestaatprocedure, in vervolg op de hiervoor in 2.1 onder iii bedoelde hoofdzaak. De huurder vordert, voor zover in cassatie van belang, veroordeling van de verhuurder tot betaling van € 831.974,83. De kantonrechter heeft de vordering van de huurder afgewezen.

2.3

Het hof heeft bij eindarrest1 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

Het heeft daartoe bij tussenarrest2 onder meer overwogen dat de schadestaatprocedure slechts ertoe strekt de schade en de omvang van de schadeplichtigheid van een partij vast te stellen op basis van een aansprakelijkheid die in de voorafgaande hoofdprocedure is vastgesteld en op grond waarvan naar de schadestaatprocedure is verwezen (rov. 2.18), en voorts dat voor de uitleg van het dictum in de hoofdzaak relevant kan zijn wat partijen in die procedure ten aanzien van de schade en de oorzaken daarvan hebben aangevoerd; het dictum van de kantonrechter en gerechtshof dient in de context van het partijdebat te worden uitgelegd (rov. 2.26).

Bij eindarrest heeft het hof onder meer als volgt overwogen:

“2.3. In (…) het tussenarrest heeft het hof de vraag aan de orde gesteld of de veroordeling van [de verhuurder] in de hoofdzaak “tot vergoeding aan [de huurder] van de door deze geleden schade als gevolg van het moeten sluiten van [het café] door het toerekenbaar tekortschieten van [de verhuurder] in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst” (onderstreping toegevoegd, hof) geacht moet worden mede de thans door [de huurder] gestelde schade gerelateerd aan gederfde winst en verlies van winstgevendheid van [het café] in de periode 2002-2005 (goedbeschouwd gaat het om de periode tot 17 mei 2006; het hof zal hierna refereren aan de periode 2002-mei 2006), dat wil zeggen voorafgaande aan die sluiting, te omvatten. (…) Het hof beantwoordt deze vraag thans in de door [de verhuurder] voorgestane zin. In de conclusie van antwoord/eis in reconventie in de hoofdzaak is geen stelling te vinden die ertoe strekt dat [de huurder] in deze periode schade heeft geleden, en in het eindvonnis in de hoofdzaak is hierover ook niets terug te vinden. Dit rechtvaardigt het dictum van dit eindvonnis op dit punt letterlijk te nemen, en in de daarin uitgesproken veroordeling en verwijzing naar de schadestaat in reconventie, niet die schade 2002-mei 2006 begrepen te achten.

2.4.

Gelet op de bekrachtiging door het hof van het eindvonnis in de hoofdzaak, met afwijzing van het meer of anders gevorderde (afgezien van toewijzing van schadevergoeding in reconventie), kan het betreffende arrest bezwaarlijk anders worden gelezen dan dat de gevorderde schadevergoeding 2002-mei 2006 daarin ook niet is toegewezen, en evenmin voor de begroting ervan naar de schadestaatprocedure is verwezen. Gelet op het in (…) het tussenarrest (…) overwogene, betekent dit dat deze gestelde schade in de onderhavige schadestaatprocedure niet voor begroting in aanmerking komt.

2.5.

In (…) het tussenarrest heeft het hof als voorlopig oordeel uitgesproken dat wanneer voor de bepaling van de reikwijdte van het dictum in de hoofdzaak de zienswijze van [de verhuurder] zou moeten worden gevolgd (…) de goodwillwaarde van [het café] per mei 2006 niet groter was dan de negatieve waarde van het (negatief) eigen vermogen per dat moment. Realisatie van de goodwill (…) - de wanprestatie van [de verhuurder] weggedacht- zou niet tot een positief eigen vermogen hebben geleid, zodat [de huurder] door die wanprestatie dan geen schade kan hebben geleden. (…)

2.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [de huurder] dienen te worden afgewezen.”

2.4

De huurder heeft het hof verzocht om het eindarrest aan te vullen door alsnog te beslissen op de vordering van de huurder tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden na sluiting van het café in mei 2006. Bij herstelarrest3 heeft het hof dit verzoek afgewezen.

3 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Het cassatieberoep richt zich mede tegen het hiervoor in 2.4 genoemde herstelarrest. Voor zover de huurder opkomt tegen de weigering van het hof om het eindarrest op de voet van art. 32 lid 1 Rv aan te vullen, is hij in zijn cassatieberoep niet ontvankelijk. Tegen een dergelijke weigering staat op grond van art. 32 lid 3 Rv immers geen hogere voorziening open.

4 Beoordeling van het middel

4.1.1

De onderdelen 4 tot en met 7 van het middel richten zich tegen de door het hof gegeven uitleg van de dicta van de hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde uitspraken in de hoofdzaak, welke uitleg – kort gezegd – inhoudt dat alleen naar de schadestaatprocedure is verwezen ter vaststelling van de door de huurder sinds mei 2006 geleden schade als gevolg van de sluiting van het café. De onderdelen betogen onder meer dat de overwegingen van de kantonrechter en het gerechtshof in de hoofdzaak geen aanknopingspunten bevatten voor een uitleg die erop neerkomt dat, hoewel vaststaat dat de verhuurder sinds 2002 toerekenbaar is tekortgeschoten, hij toch niet aansprakelijk zou zijn voor de volledige daardoor veroorzaakte schade. Ook de gedingstukken in de hoofdzaak bieden die aanknopingspunten niet. Uit die gedingstukken blijkt juist dat de huurder ook vergoeding heeft gevorderd van de schade die hij tussen 2002 en 2006 als gevolg van de tekortkoming van de verhuurder heeft geleden. Het is volgens de onderdelen ook niet goed voorstelbaar dat de huurder opzettelijk een deel van de schade buiten de procedure zou hebben gelaten. De door het hof gegeven uitleg aan de uitspraken van de kantonrechter en het gerechtshof in de hoofdzaak is daarom onjuist dan wel onbegrijpelijk, aldus de onderdelen.

4.1.2

Uitgangspunt is dat de rechter in de hoofdprocedure de grondslag voor aansprakelijkheid vaststelt en dat de rechter in de schadestaatprocedure gebonden is aan dat oordeel. Daartoe dient de rechter in de schadestaatprocedure de uitspraak in de hoofdzaak uit te leggen.4

Het dictum van een uitspraak moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid.5 In cassatie is – terecht – niet bestreden het oordeel van het hof (in rov. 2.26 van het tussenarrest) dat voor de uitleg van de dicta van de uitspraken in de hoofdzaak het daaraan ten grondslag liggende partijdebat mede van belang kan zijn.

4.1.3

Uit de gedingstukken van de hoofdzaak blijkt het volgende.

  • -

    De huurder heeft in eerste aanleg onder meer aangevoerd (i) dat de verhuurder zijn verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en er alles aan heeft gedaan om de exploitatie van het café te frustreren, (ii) dat de verhuurder vanaf begin 2002 heeft getracht door het inschakelen van de Milieudienst de exploitatie te beëindigen, (iii) en dat de huurder vanwege de (dreigende) tekortkoming van de verhuurder heeft besloten om in 2003 de betaling van huurpenningen op te schorten. De huurder heeft gevorderd de verhuurder te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat, op grond van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de verplichtingen voorvloeiend uit de huurovereenkomst.

  • -

    De kantonrechter te Den Haag heeft bij tussenvonnis van 15 november 2006 vastgesteld dat de verhuurder in 2002 de Milieudienst heeft ingeschakeld en dat bij besluit van 1 augustus 2002 ten aanzien van het café een last onder dwangsom is opgelegd en dat vervolgens dwangsommen zijn verbeurd. In dat vonnis is voorts overwogen dat de verhuurder zich jegens de huurder niet als goed verhuurder heeft gedragen, omdat de hoofdverplichting van de verhuurder bestaat uit het verschaffen van het huurgenot en de verhuurder er alles aan gedaan heeft om de exploitatie in het gehuurde onmogelijk te maken en de huurder aldus het huurgenot te ontnemen. Als slotsom vermeldt het tussenvonnis dat de verhuurder tekortgeschoten is in zijn verplichtingen als verhuurder en dus aansprakelijk is voor de daardoor door de huurder geleden en te lijden schade en dat de vordering tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat dan ook zal worden toegewezen. In het eindvonnis van 29 augustus 2007 heeft de kantonrechter, zonder nadere overwegingen hieromtrent, de verhuurder veroordeeld tot vergoeding aan de huurder van de door deze geleden schade als gevolg van het moeten sluiten van het café door toerekenbaar tekortschieten van de verhuurder in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst.

  • -

    In hoger beroep heeft de huurder aangevoerd dat de verhuurder in 2002 in verzuim is geraakt ten aanzien van zijn verbintenis het huurgenot te verschaffen. De huurder heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd en primair gevorderd de verhuurder te veroordelen tot betaling van € 517.430,--. De huurder heeft een rapport van een door hem ingeschakelde deskundige overgelegd waarin de schade op dat bedrag wordt begroot. In het rapport staat dat de omzet van het café in de jaren 2003-2005 aanzienlijk lager is dan in de daaraan voorafgaande jaren en dat de omzetdaling volgens de huurder een gevolg is van de geluidseisen van de Milieudienst. In het rapport worden de gederfde goodwill en het teloorgaan van het eigen vermogen berekend door de waarde daarvan per ultimo 2001 te vergelijken met de waarde ten tijde van de sluiting van het café. Voorts wordt in het rapport afzonderlijk de gederfde winst over de periode 2002-2006 begroot.

  • -

    De verhuurder heeft de juistheid van het rapport bestreden, maar niet aangevoerd dat de huurder geen vergoeding kan vorderen van schade die is geleden in de periode voorafgaand aan de sluiting van het café.

  • -

    Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft het volgende overwogen. De verhuurder wist bij het aangaan van de huur wat voor een soort café de huurder wenste te exploiteren, de verhuurder is in 2002 toch overgegaan tot verbouwing van het appartement teneinde deze te kunnen verhuren of verkopen aan een derde zonder zich te bekommeren om de belangen van de huurder en zonder zorg te dragen voor een goede geluidsisolatie en de verhuurder heeft de Milieudienst ingeschakeld en heeft aangedrongen op bestuursdwang, terwijl bewoning van het appartement de bedrijfsruimte feitelijk onbruikbaar maakt voor de overeengekomen bestemming als café. Dit een en ander levert een toerekenbare tekortkoming jegens de huurder op. De omstandigheid dat de huurder in reactie op bovengenoemde tekortkoming de huurbetaling (in 2003) heeft stopgezet, heeft deze tekortkoming niet ongedaan gemaakt. De verhuurder was als eerste in verzuim.

4.1.4

Uit het bovenstaande blijkt dat in de hoofdzaak (a) de huurder heeft gevorderd de verhuurder te veroordelen tot schadevergoeding op grond van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de verplichtingen voorvloeiend uit de huurovereenkomst, waaraan hij ten grondslag heeft gelegd dat de verhuurder in 2002 in verzuim is geraakt ten aanzien van zijn verbintenis het huurgenot te verschaffen, en dat de huurder in hoger beroep de schade heeft begroot over de periode vanaf 2002 en (b) dat het hof heeft geoordeeld dat de verhuurder vanaf 2002 in verzuim was met zijn verplichting tot het verschaffen van het genot van het gehuurde. In het licht daarvan en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor in 4.1.2 is overwogen, is het oordeel van het hof dat alleen naar de schadestaatprocedure is verwezen ter vaststelling van de door de huurder sinds mei 2006 geleden schade als gevolg van de sluiting van het café, onbegrijpelijk. De onderdelen 4 tot en met 7 bevatten daarop gerichte klachten die dan ook slagen.

4.2.1

Onderdeel 3 klaagt onder meer dat het hof in strijd met art. 23 Rv de door de huurder gevorderde vergoeding van de door hem geleden schade bestaande uit het gemis aan inkomsten uit zijn arbeidsbetrekking met de B.V. niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken.

Onderdeel 8 klaagt onder meer dat het hof in strijd met art. 23 Rv de door de huurder gevorderde vergoeding van kosten van rechtsbijstand in een executiegeschil tussen partijen niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. Hetzelfde geldt volgens het onderdeel voor de door de huurder gevorderde vergoeding van kosten van een expertiserapport ten aanzien van het door hem gestelde verlies aan goodwill.

4.2.2

Deze klachten slagen. Het hof heeft niet, althans uit de motivering niet kenbaar, beslist over de hiervoor in 4.2.1 weergegeven, door de huurder gevorderde schadeposten.

Voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat de afwijzing van deze schadeposten besloten ligt in de uitleg van het dictum in de hoofdzaak – in die zin dat de reikwijdte van de schadestaatprocedure beperkt is tot schade als gevolg van sluiting van het café – volgt uit hetgeen hiervoor in 4.1.4. is overwogen dat dit oordeel niet in stand kan blijven. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de afwijzing van de hiervoor in 4.2.1 weergegeven schadeposten volgt uit de afwijzing van de door de huurder gevorderde goodwillschade, is het oordeel onbegrijpelijk.

Indien het hof vergoeding van expertisekosten heeft afgewezen omdat het expertiserapport betrekking heeft op een schadepost (het verlies aan goodwill) die door het hof op nihil is begroot, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid kunnen immers ook voor vergoeding in aanmerking komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden.6

4.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart de huurder niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep voor zover dit zich richt tegen de weigering van het gerechtshof Den Haag om het arrest van 6 oktober 2020 aan te vullen;

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2020;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt de verhuurder in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de huurder begroot op € 537,19 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, F.J.P. Lock en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 10 juni 2022.

1 Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2828.

2 Gerechtshof Den Haag 11 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2807.

3 Gerechtshof Den Haag 1 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2808.

4 HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1083, rov. 3.2.1.

5 O.a. HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369, rov. 3.4.

6 HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423, rov. 3.5.3.