Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:83

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2022
Datum publicatie
28-01-2022
Zaaknummer
21/00199
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:612, Gedeeltelijk contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:2749, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Ontvankelijkheid tussentijds cassatieberoep. Toestemming tussentijds cassatieberoep verleend? Staat rechtsmiddel open tegen uitspraak waarbij (uitsluitend) tussentijds beroep wordt opengesteld (HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/361
NJ 2022/51
RvdW 2022/158
JBPr 2022/34 met annotatie van Fruytier, P.A.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/00199

Datum 28 januari 2022

ARREST

In de zaak van

CAPGEMINI NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Utrecht,

EISERES tot cassatie, verweerster in het ontvankelijkheidsincident,

hierna: Capgemini,

advocaten: B.T.M. van der Wiel en L.V. van Gardingen,

tegen

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, eiser in het ontvankelijkheidsincident,

hierna: [verweerder],

advocaten: I.M.A. Lintel en T.T. van Zanten.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/13/565797 / HA ZA 14-542 van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2014 en 29 juni 2016;

  2. de arresten in de zaak 200.205.296/01 van het gerechtshof Amsterdam van 20 oktober 2020 en 22 december 2020.

Capgemini heeft van het arrest van het hof van 20 oktober 2020 beroep in cassatie ingesteld.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend dat primair strekt tot niet-ontvankelijkheid en subsidiair tot verwerping van het cassatieberoep. Voorts heeft hij van het arrest van het hof van 22 december 2020 voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Capgemini heeft een verweerschrift tot verwerping van het ontvankelijkheidsverweer ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het incidentele beroep op niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Capgemini heeft voor Equihold B.V. (hierna: Equihold) werkzaamheden verricht ten behoeve van een door laatstgenoemde ontwikkelde applicatie. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de kwaliteit van de door Capgemini verrichte werkzaamheden. Equihold heeft een betalingsachterstand laten ontstaan, waarna Capgemini haar werkzaamheden heeft opgeschort. Equihold stelt vorderingen te hebben op Capgemini, die bij aktes van cessie zijn overgedragen aan [verweerder].

2.2

[verweerder] vordert in dit geding onder meer betaling van schadevergoeding door Capgemini. Capgemini heeft vorderingen in reconventie ingesteld. De rechtbank heeft de vorderingen over en weer afgewezen.1

2.3

Het hof heeft in zijn tussenarrest van 20 oktober 2020 (hierna: het tussenarrest) geoordeeld dat er voldoende aanleiding is om [verweerder] tot bewijslevering van zijn stellingen toe te laten en overwogen dat het behoefte heeft aan deskundige voorlichting. Het heeft de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van Capgemini, zodat deze zich kan uitlaten over de te benoemen deskundige(n) en de aan die deskundige(n) te stellen vragen.2

2.4

Capgemini heeft het hof bij brief van 30 november 2020 verzocht op de voet van art. 401a lid 2 Rv verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds cassatieberoep tegen het tussenarrest. Namens [verweerder] is bij brief van 11 december 2020 op dit verzoek gereageerd.

2.5

Op de rol van 15 december 2020 heeft Capgemini de in het tussenarrest bedoelde akte genomen, waarin zij tevens haar verzoek om verlof voor tussentijds cassatieberoep nader heeft toegelicht en heeft gereageerd op de reactie van [verweerder]. Op deze roldatum is de zaak verwezen naar de rol van 22 december 2020 voor arrest, teneinde te beslissen op het verzoek om verlof voor tussentijds cassatieberoep.

2.6

Bij brief van 17 december 2020 heeft [verweerder] nader gereageerd op het verzoek om verlof voor tussentijds cassatieberoep.

2.7

Partijen hebben op 22 december 2020 van het hof een afschrift van een arrest (hierna: het verlofarrest) ontvangen waarin is bepaald dat tegen het tussenarrest tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld. Onderaan het verlofarrest is vermeld dat het is gewezen door de aldaar genoemde raadsheren en in het openbaar is uitgesproken op 22 december 2020.

2.8

Op enig moment is op de rol van 22 december 2020 aangetekend dat geen arrest is uitgesproken en dat de zaak in verband met de nieuw binnengekomen stukken voor een beslissing van het hof over de verdere voortgang wordt verwezen naar de rol van 12 januari 2021.

2.9

De rolgriffier heeft aan partijen verzocht om het ontvangen verlofarrest te vernietigen, met als redengeving dat dit niet is uitgesproken maar abusievelijk in afschrift aan partijen is gestuurd.

2.10

Bij procesinleiding van 19 januari 2021 heeft Capgemini onder verwijzing naar het verlofarrest cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest.

2.11

Bij brief van 27 januari 2021 heeft de griffier van het hof aan partijen meegedeeld dat het verzoek om verlof voor tussentijds cassatieberoep tegen het tussenarrest is afgewezen. Deze beslissing is op de rol van 9 februari 2021 aangetekend. Bij rolbeslissing van dezelfde datum heeft de rolraadsheer deze beslissing toegelicht en de zaak verwezen naar de rol van 16 februari 2021 voor uitlating aan de zijde van Capgemini over de vraag of zij het cassatieberoep tegen het tussenarrest doorzet.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het principale beroep van het tussenarrest en van het incidentele beroep van het verlofarrest

3.1

[verweerder] betoogt dat het verlofarrest nietig is omdat het niet is uitgesproken, althans dat het hof van de in het verlofarrest vervatte beslissing kon terugkomen en daarvan ook is teruggekomen, zodat verlof voor het instellen van tussentijds cassatieberoep ontbreekt.

Dat betoog gaat niet op. Het hof heeft aan partijen een afschrift van een op 22 december 2020 gedateerd arrest verstrekt, inhoudend dat verlof wordt verleend, terwijl op de rol van die datum is aangetekend dat geen arrest is uitgesproken (zie hiervoor in 2.7 en 2.8). Aldus heeft onduidelijkheid kunnen ontstaan over de vraag of het verlof is verleend. De rechtszekerheid eist dan dat ervan moet worden uitgegaan dat het verlof is verleend. Om dezelfde redenen kon het hof niet later een beslissing nemen die anders luidde dan in dat afschrift was vermeld.

3.2

Het ontvankelijkheidsverweer van [verweerder] berust daarnaast op het betoog dat het hof de hiervoor in 2.5 genoemde akte van Capgemini en de hiervoor in 2.6 genoemde brief van [verweerder] niet bij zijn beoordeling van het verzoek tot het openstellen van tussentijds cassatieberoep heeft betrokken. Dit betoog faalt reeds omdat dit gestelde gebrek niet tot de conclusie kan leiden dat het verlofarrest nietig is.

3.3

Capgemini is ontvankelijk in haar cassatieberoep.

3.4

[verweerder] heeft, voor het geval de Hoge Raad Capgemini ontvankelijk acht in haar cassatieberoep van het tussenarrest, incidenteel cassatieberoep ingesteld van het verlofarrest.

Nu van de beslissing om al dan niet tussentijds beroep open te stellen geen hogere voorziening openstaat, ook niet met een beroep op doorbrekingsgronden,3 dient [verweerder] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn incidentele cassatieberoep van het verlofarrest.

3.5

De Hoge Raad zal de zaak naar de rol verwijzen voor beraad voortprocederen in het principale beroep.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwijst de zaak naar de rol van 11 februari 2022 voor beraad voortprocederen;

- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het incident, aan de zijde van Capgemini begroot op € 800,--.

in het incidentele beroep:

- verklaart [verweerder] niet-ontvankelijk;

- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van Capgemini begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 28 januari 2022.

1 Rechtbank Amsterdam 29 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4111.

2 Gerechtshof Amsterdam 20 oktober 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2749.

3 HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, rov. 3.2.3-3.2.4 en 3.2.6.