Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:824

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2022
Datum publicatie
03-06-2022
Zaaknummer
21/02242
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1228
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Art. 392 Rv. Prejudiciële vragen over regels in procesregelementen van de hoven over maximale omvang van processtukken in hoger beroep. Is de rechter bevoegd om deze beperkingen te stellen en mag zo’n beperking in procesreglement worden gesteld? Mag in procesreglement worden bepaald dat bij overschrijding van het maximale aantal bladzijden het processtuk wordt geweigerd? Is die weigering een schending van recht op hoor en wederhoor of recht op toegang tot de rechter? Biedt de regeling voldoende rechtsbescherming?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 3-6-2022
FutD 2022-1575
V-N Vandaag 2022/1390
NJB 2022/1362
V-N 2022/27.16 met annotatie van Redactie
JAR 2022/162
RvdW 2022/559
Prg. 2022/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/02242

Datum 3 juni 2022

PREJUDICIËLE BESLISSING

In de zaak van

[eiser 1] en 69 anderen,
EISERS in eerste aanleg,

hierna: de Advocaten,

advocaat in de prejudiciële procedure: A.M. van Aerde,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID),
zetelende te Den Haag,

VERWEERDER in eerste aanleg,

hierna: de Staat,

advocaat in de prejudiciële procedure: aanvankelijk K. Teuben, thans G.C. Nieuwland.

1. De prejudiciële procedure

Bij tussenvonnis in de zaak C/09/610280/ KG ZA 21/346 van 11 juni 2021 heeft voorzieningenrechter in de rechtbank te Den Haag op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.

Beide partijen hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid Rv ingediend.

Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben M.A.J.G. Janssen en C.S.G. Janssens, advocaten bij de Hoge Raad, namens de Nederlandse Orde van Advocaten op de voet van art. 393 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen als onder 10 in de conclusie vermeld.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Deze prejudiciële procedure heeft betrekking op begrenzing van de omvang van de processtukken in hoger beroep. Sinds 1 april 2021 bevatten de procesreglementen van de gerechtshoven regels hierover. De Advocaten achten die regels ontoelaatbaar en vorderen in kort geding intrekking daarvan. De voorzieningenrechter heeft prejudiciële vragen gesteld. Die worden in deze beslissing beantwoord.

2.2

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:

(i) Het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingzaken bij de gerechtshoven en het Procesreglement voor verzoekschriftprocedures in handels- en insolventiezaken bij de gerechtshoven (hierna afzonderlijk het procesreglement dagvaardingszaken en het procesreglement verzoekschriftprocedures en gezamenlijk de procesreglementen), die met ingang van 1 april 2021 worden toegepast, zijn goedgekeurd door de Landelijke Overleggen Vakinhoud Civiel en Familie van de hoven (LOVCH en LOVFH) en zijn vervolgens vastgesteld door de besturen van de gerechtshoven.

(ii) Art. 2.11 van het procesreglement dagvaardingszaken luidt als volgt:

“Maximumomvang processtukken

De memorie van grieven en de memorie van antwoord beslaan ieder niet meer dan 25 bladzijden. Wordt bij antwoord incidenteel hoger beroep ingesteld, dan beslaan de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep ieder niet meer dan 15 bladzijden. Andere memories, bijvoorbeeld na getuigenverhoor of deskundigenbericht, beslaan niet meer dan 15 bladzijden.

Voor al deze memories geldt een minimale lettergrootte in een courant lettertype (zoals Times New Roman, Courier of Arial) van 11 punten (voetnoten 9 punten) en een minimale regelafstand van 1, met marges boven, onder, links en rechts van ten minste 2,5 cm op A4-formaat.

Een partij kan bij H16-formulier vanwege bijvoorbeeld de juridische of feitelijke complexiteit van de zaak gemotiveerd verzoeken een memorie van een grotere omvang te mogen indienen. De rolraadsheer beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek. Als de memorie het maximumaantal bladzijden overschrijdt zonder dat daarvoor toestemming is gegeven, wordt de memorie geweigerd en kan de partij uiterlijk binnen twee weken een memorie indienen die het maximum aantal bladzijden niet overschrijdt. Als de appeldagvaarding de grieven bevat en daarin het aantal bladzijden dat betrekking heeft op de grieven en de eis meer bedraagt dan 25 zonder dat daarvoor toestemming is gegeven, wordt de indiening van de grieven geweigerd en kan de partij uiterlijk binnen twee weken een memorie van grieven indienen die het maximumaantal bladzijden niet overschrijdt. Zie Bijlage VI.”

(iii) Art. 9.5.1 van het procesreglement dagvaardingszaken stelt aan processtukken in octrooizaken een limiet van 60 (in plaats van 25) dan wel 36 (in plaats van 15) bladzijden, in gelijke bewoordingen als het hiervoor geciteerde art. 2.11.

(iv) Bijlage VI bij het procesreglement dagvaardingszaken bevat de volgende aanwijzingen voor de toepassing van de art. 2.11 en 9.5.1:

“Om het beginsel van hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter te waarborgen, zijn in deze bijlage de volgende aanwijzingen opgenomen.

1. Een verzoek een memorie van grotere omvang te mogen indienen dan in artikel 2.11 of artikel 9.5.1 is toegestaan, wordt zo spoedig mogelijk gedaan, maar uiterlijk vier dagen voor de roldatum waarop de memorie moet worden ingediend.

Het verzoek wordt gemotiveerd gedaan en vermeldt het gewenste aantal bladzijden. De wederpartij kan binnen twee dagen reageren.

2. Het hof beslist zo spoedig mogelijk.

Het verzoek kan worden toegewezen vanwege de juridische of feitelijke complexiteit van de zaak. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien:

- de bevoegdheid van de Nederlandse rechter; de toepasselijkheid en/of de inhoud van buitenlands recht of kwesties van internationaal privaatrecht (mede) aan de orde zijn;

- een nadere feitelijke onderbouwing is gewenst, die niet al is opgenomen in een eerder stuk;

- zich na het wijzen van het vonnis in eerste aanleg nieuwe relevante feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

- een partij een groot financieel belang heeft bij de zaak;

- er veel geschilpunten of posten moeten worden besproken.

De bladzijden van de memorie worden genummerd, met uitzondering van het voorblad en de eventuele inhoudsopgave, die voor het maximum niet meetellen.

3. Indien geen verzoek als bedoeld in lid 1 van deze bijlage is gedaan of indien een dergelijk verzoek geheel of gedeeltelijk is afgewezen en de toegestane maximumomvang ontoereikend blijkt te zijn, kan een partij in een bij de memorie te voegen H16-formulier verzoeken om na indiening van de memorie een aanvullende akte te mogen nemen ter nadere toelichting van een specifiek in die memorie reeds opgenomen grief, eiswijziging of verweer. Het verzoek wordt gemotiveerd gedaan en vermeldt het gewenste aantal bladzijden van de te nemen akte.

De wederpartij kan binnen twee dagen reageren. Lid 2 van deze bijlage is van overeenkomstige toepassing. Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de akte binnen twee weken na de beslissing op het verzoek ingediend.”

(v) Art. 1.1.1.5 en Bijlage V van het procesreglement verzoekschriftprocedures bevatten een regeling die materieel gelijk is aan art. 2.11 en Bijlage VI van het procesreglement dagvaardingszaken.

(vi) In een nieuwsbericht van de Raad voor de rechtspraak van 18 december 2020 is de invoering van de bepalingen als volgt toegelicht:

“De limieten worden ingevoerd om de omvang van procesdossiers beheersbaar te houden. Door steeds grotere processtukken neemt de behandeltijd per zaak toe, wat leidt tot druk op doorlooptijden. Verder hebben te lange processtukken ongewenste gevolgen voor partijen, raadsheer én advocaat. De raadsheer en advocaat van de wederpartij zijn te veel tijd kwijt met het lezen en doorgronden van een te lang processtuk. Het risico bestaat dat het gerechtshof belangrijke details over het hoofd ziet of de stukken anders uitlegt dan partijen. Het beginsel van hoor en wederhoor komt onder druk als de wederpartij het zich financieel niet kan veroorloven om haar advocaat extra tijd te laten besteden aan de reactie op een te lang processtuk. Kernachtige processtukken zijn daarom in het belang van een tijdige, zorgvuldige rechtspraak en van allen die daarbij betrokken zijn.”

2.3

In dit kort geding vorderen de Advocaten:

(i) de Staat te bevelen om ervoor zorg te dragen dat de besturen van de gerechtshoven de nieuwe bepalingen intrekken;

(ii) de Staat te verbieden uitvoering te geven aan de nieuwe bepalingen;

(iii) de Staat te bevelen dat de gerechtshoven geen processtukken zullen weigeren op grond van de nieuwe bepalingen.

Subsidiair vorderen de Advocaten de Staat te bevelen om de werking van de nieuwe bepalingen op te schorten dan wel ervoor zorg te dragen dat de besturen van de gerechtshoven de nieuwe bepalingen opschorten totdat in een bodemprocedure is beslist.

2.4

De voorzieningenrechter1 heeft prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld, de vordering tot opschorting van de werking van de nieuwe bepalingen afgewezen en iedere verdere beslissing aangehouden. De prejudiciële vragen luiden als volgt:

“1. Heeft de rechter op grond van artikel 19 lid 2 Rv en/of enige andere wettelijke bepaling en/of de eisen van een goede procesorde en/of enige andere grondslag de bevoegdheid om in hoger beroep

(a) te beslissen dat een processtuk aan een maximum lengte is gebonden, bijvoorbeeld een maximaal aantal pagina’s of woorden, en

(b) een processtuk te weigeren wanneer dit de vooraf bepaalde maximale lengte overschrijdt en/of andere consequenties te verbinden aan een dergelijke overschrijding, zoals het buiten beschouwing laten van een deel van een processtuk?

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is, zijn de gerechtshoven dan bevoegd om in een landelijk procesreglement algemene regels op te nemen waarin op voorhand wordt bepaald dat processtukken in beginsel (met de mogelijkheid van uitzonderingen) aan een maximum lengte zijn gebonden, bijvoorbeeld een maximaal aantal pagina’s of woorden?

3. Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend is, worden het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter dan voldoende gewaarborgd wanneer dit procesreglement

(a) een partij het recht geeft om voordat het processtuk ingediend moet worden, gemotiveerd te verzoeken een processtuk in te mogen dienen dat de in het procesreglement bepaalde maximale lengte overschrijdt en haar wederpartij vervolgens de mogelijkheid geeft op dit verzoek te reageren;

(b) een partij het recht geeft om, indien de toegestane maximum omvang van het processtuk ontoereikend blijkt te zijn, gemotiveerd te verzoeken een aanvullend processtuk te mogen nemen ter nadere toelichting van een in het eerdere processtuk reeds opgenomen grief, eiswijziging of verweer en haar wederpartij vervolgens de mogelijkheid geeft op dit verzoek te reageren;

(c) een partij het recht geeft om binnen twee weken nadat een processtuk vanwege een overschrijding van de maximaal toegestane omvang geweigerd is, dit processtuk in te korten en opnieuw in te dienen?

4. Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend is, aan welke vereisten moet een bepaling in het procesreglement waarin de omvang van de processtukken in hoger beroep wordt gemaximeerd, dan ten minste voldoen met het oog op het recht op hoor en wederhoor en het recht op toegang tot de rechter?

5. Indien in een procesreglement de omvang van processtukken in hoger beroep kan worden gemaximeerd, hoe kan daarbij dan het volgende mogelijke probleem worden opgelost: volgens het procesreglement wordt de beslissing genomen door een (rol)raadsheer. De beslissing heeft mogelijk ingrijpende gevolgen voor de partij die het betreft. Wordt met de regeling in het procesreglement en de bestaande mogelijkheden van toetsing in cassatie de rechtsbescherming voldoende gewaarborgd? Zo nee, hoe kan dan worden voorzien in toereikende rechtsbescherming?”

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen

De vaststelling van de procesreglementen

3.1.1 De Hoge Raad ziet aanleiding om eerst in te gaan op de hiervoor in 2.2 onder (i) weergegeven wijze van vaststelling van de procesreglementen en in het bijzonder op de vraag welk orgaan bevoegd is procesreglementen vast te stellen.

3.1.2 Procesreglementen strekken ertoe dat rechters op dezelfde manier toepassing geven aan procesrechtelijke normen en regels. Uniforme toepassing van procesrecht bevordert de rechtszekerheid, de gelijke behandeling en de kwaliteit van de rechtspleging. Een procesreglement dat door een daartoe bevoegd rechterlijk orgaan is vastgesteld en behoorlijk is bekendgemaakt, moet worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 RO.2

3.1.3 De wet voorziet niet uitdrukkelijk in de vaststelling van procesreglementen en wijst dan ook geen instantie aan die bevoegd is procesreglementen vast te stellen. Omdat procesreglementen beogen om, als recht in de zin van art. 79 RO, de rechter op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging te binden binnen de ruimte die procesrechtelijke normen en regels aan de rechter laten, kunnen procesreglementen niet worden vastgesteld door een instantie die niet de bevoegdheid heeft rechters in die zin te binden.3 De wet, in het bijzonder art. 23 RO, biedt geen grondslag voor het vaststellen van procesreglementen door het gerechtsbestuur. Art. 23 lid 3 RO geeft het bestuur slechts de bevoegdheid overleg te voeren met de gerechtsvergadering of een afvaardiging daarvan, gericht op de bevordering van uniforme rechtstoepassing.4 Rechters kunnen, door middel van procesreglementen, wel zichzelf binden.5 Omdat een procesreglement een vorm van zelfbinding door rechters is, zijn de gerechtsvergaderingen als bedoeld in art. 22 RO bevoegd procesreglementen vast te stellen, ook al noemt art. 28 RO deze bevoegdheid niet. De landelijke gelding van een procesreglement kan worden bereikt door vaststelling van dezelfde tekst door alle gerechtsvergaderingen van de rechtbanken dan wel de gerechtshoven.

Inleiding op de beantwoording van de prejudiciële vragen

3.2.1 De bepalingen in de procesreglementen houden kort gezegd het volgende in:

a. De omvang van de processtukken in hoger beroep is in beginsel beperkt tot 25 bladzijden voor de memorie van grieven/het beroepschrift en de memorie van antwoord/het verweerschrift in het principaal hoger beroep en 15 bladzijden voor de processtukken in het incidenteel hoger beroep en andere stukken. In octrooizaken geldt als beperking 60, respectievelijk 36 bladzijden.

b. Partijen kunnen gemotiveerd verzoeken een langer processtuk te mogen indienen. Op dit verzoek wordt beslist aan de hand van de aanwijzingen opgenomen in Bijlage VI, respectievelijk Bijlage V van de procesreglementen.

c. Als een partij een processtuk indient dat meer bladzijden omvat dan strookt met het reglement zonder dat daarvoor toestemming is gegeven, wordt het stuk geweigerd en krijgt die partij de gelegenheid binnen twee weken een processtuk in te dienen dat het maximum aantal bladzijden niet overschrijdt.

d. Ook kan een partij een gemotiveerd verzoek doen om na indiening van het processtuk dat aan de bladzijdelimiet voldoet, een aanvullende akte te mogen nemen ter nadere toelichting op een ingenomen stelling of verweer.

3.2.2 Het geschil tussen partijen heeft betrekking op de vraag of in de procesreglementen beperkingen mogen worden gesteld aan de omvang van de processtukken in hoger beroep, en zo ja, op welke wijze de desbetreffende regels gehandhaafd kunnen worden. In het licht daarvan herformuleert de Hoge Raad de prejudiciële vragen als volgt:

1. Is de rechter bevoegd om beperkingen te stellen aan de omvang van processtukken in hoger beroep en mag zo’n beperking in een procesreglement worden gesteld?

2. Mag in een procesreglement worden bepaald dat bij overschrijding van het maximale aantal bladzijden het processtuk wordt geweigerd?

3. Is een weigering van toestemming om een langer processtuk of een aanvullend processtuk in te dienen een schending van het recht op hoor en wederhoor of het recht op toegang tot de rechter?

4. Bieden de bepalingen in de procesreglementen die inhouden dat een (rol)raadsheer beslist (a) op verzoeken tot het mogen indienen van een omvangrijker processtuk of een aanvullende akte en (b) over de weigering van processtukken die de gestelde limieten overschrijden, voldoende rechtsbescherming indien de toestemming, respectievelijk het processtuk, wordt geweigerd?

Beantwoording van de vragen

3.3.1 De eerste hiervoor in 3.2.2 genoemde vraag stelt aan de orde of de rechter bevoegd is beperkingen te stellen aan de omvang van processtukken, en of die bevoegdheid kan worden gereguleerd in een procesreglement. Die vragen moeten bevestigend worden beantwoord. De rechter kan (in iedere individuele zaak), door toepassing van de eisen van een goede procesorde, door het nemen van alle beslissingen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure (art. 19 lid 2 Rv) en uit hoofde van zijn taak te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure (art. 20 lid 1 Rv), beperkingen stellen aan de omvang van processtukken. Een procesreglement strekt ertoe om, bij wijze van zelfregulering, de toepassing door de rechter van procesrechtelijke normen en regels te harmoniseren en te uniformeren, ter bevordering van een behoorlijke rechtspleging (zie hiervoor in 3.1.2). Ook de bevoegdheid van de rechter om grenzen te stellen aan de omvang van processtukken kan daarom worden gereguleerd door middel van een procesreglement.

3.3.2 Niet alleen is het belang van de rechtszekerheid gediend bij uniforme toepassing van de bevoegdheid van de rechter om beperkingen te stellen aan de omvang van processtukken, maar ook ligt het reguleren van die bevoegdheid voor de hand omdat de rechterlijke capaciteit beperkt is. Voorkomen moet worden dat sommige partijen door hun wijze van procederen een zodanig beslag leggen op de rechterlijke capaciteit dat dit ten koste gaat van een effectieve toegang tot de rechter voor anderen. Dat maakt het voeren van regie op landelijk niveau wenselijk. Het stellen van regels voor de omvang van processtukken draagt bij aan een optimale aanwending van de beperkte rechterlijke capaciteit en is aldus in overwegende mate een organisatorische maatregel gericht op behoorlijke rechtspraak. Daaraan doet niet af dat de regels de processuele rechten van partijen begrenzen. Daarbij komt dat onnodig lange processtukken belastend zijn voor de wederpartij en dat regulering van de omvang kan bijdragen aan een gelijke mate van toegang tot de rechter van de partijen in een geschil. Een en ander is ook tot uitdrukking gebracht in de hiervoor in 2.2 onder (vi) geciteerde toelichting op de nieuwe bepalingen.

3.3.3 Het door art. 6 EVRM beschermde recht op toegang tot de rechter en het in art. 19 lid 1 Rv verankerde beginsel van hoor en wederhoor zijn kernbeginselen van het burgerlijk procesrecht, maar deze beginselen zijn niet absoluut. Het recht op hoor en wederhoor kan onder meer worden beperkt doordat het recht om een proceshandeling te verrichten, vervalt als die proceshandeling niet binnen de daarvoor gestelde termijn is verricht (art. 133 lid 4 Rv) en doordat de rechter stukken kan weigeren die te laat worden overgelegd.6 Het recht op toegang tot de rechter kan, in het bijzonder in hoger beroep, onderworpen zijn aan beperkingen. Voorschriften die de toegang tot de rechter regelen, mogen deze toegang niet zodanig beperken, dat de essentie van het recht op toegang tot de rechter wordt aangetast. Bovendien moeten de voorschriften een legitiem doel dienen en in het licht van dat doel proportioneel zijn.7

3.3.4 Bij de beoordeling of de gestelde beperkingen de essentie van het recht op toegang tot de rechter aantasten, is het volgende van belang. Partijen moeten in de gelegenheid zijn hun standpunten voldoende toe te lichten en op standpunten van de wederpartij voldoende te reageren. In het burgerlijk recht krijgen veel normen pas gestalte in het licht van de omstandigheden van het concrete geval en partijen moeten daarom voldoende gelegenheid hebben de feiten die in het licht van de norm relevant zijn, naar voren te brengen. Partijen zijn voorts verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig (en naar waarheid) aan te voeren (art. 21 Rv). De bevoegdheid van de rechter om beperkingen te stellen aan de omvang van processtukken en de bevoegdheid van de gerechtsvergaderingen om die bevoegdheid te reguleren, worden daardoor begrensd. Voor zover beperkingen aan de omvang van processtukken worden gesteld die afbreuk doen aan de essentie van het recht op toegang tot de rechter of aan hoor en wederhoor, kan ook niet gezegd worden dat die beperkingen voortvloeien uit de eisen van een goede procesorde, nodig zijn voor een goed verloop van de procedure of onredelijke vertraging van het geding voorkomen.

3.3.5 Uit hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen, volgt dat de mogelijkheid van het beperken van de omvang van processtukken in hoger beroep een legitiem doel dient.8 De desbetreffende regels zijn ook niet disproportioneel omdat te verwachten valt dat in de overgrote meerderheid van de zaken het recht op toegang tot de rechter en op hoor en wederhoor niet in het gedrang komt door de in de reglementen gestelde beperkingen, mede in aanmerking genomen dat in hoger beroep kan worden voortgebouwd op het debat in eerste aanleg en steeds gelegenheid bestaat om de zaak mondeling toe te lichten (art. 87 lid 8 Rv in verbinding met art. 353 lid 1 Rv; art. 279 Rv in verbinding met art. 362 Rv). Bovendien voorzien de procesreglementen in de mogelijkheid om, op grond van de kenmerken van de concrete zaak, toestemming te verkrijgen voor de indiening van een omvangrijker processtuk.

3.3.6 De procesreglementen bevatten een bijlage met aanwijzingen voor de behandeling van en de beslissing op een verzoek tot het mogen indienen van een processtuk van grotere omvang of een aanvullende akte (zie hiervoor in 2.2 onder (iv) en (v)). Die aanwijzingen zijn gegeven om het recht op toegang tot de rechter en het recht op hoor en wederhoor te waarborgen. Aan de hand daarvan dient bij de beslissing op een zodanig verzoek te worden beoordeeld of bij een gehele of gedeeltelijke afwijzing daarvan afbreuk wordt gedaan aan de essentie van die rechten en of, tegen de achtergrond van het doel van het beperken van de omvang van processtukken, het geheel of gedeeltelijk afwijzen van het verzoek de eisen van een goede procesorde dient, nodig is voor een goed verloop van de procedure of strekt tot het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding. De niet-limitatieve lijst van gronden voor toewijzing van een verzoek tot indiening van een processtuk van grotere omvang of een aanvullende akte biedt voldoende ruimte voor toepassing van die maatstaf. De mogelijkheid van een aanvullende akte als bedoeld in de bijlagen onder 3 is niet strijdig met de tweeconclusieregel,9 omdat de aanvullende akte slechts mag strekken tot nadere uitwerking van eerder naar voren gebrachte grieven, verweren, feiten en stellingen.10

3.3.7 Uit het voorgaande volgt dat het antwoord op de eerste hiervoor in 3.2.2 genoemde vraag is dat de rechter bevoegd is om beperkingen te stellen aan de omvang van processtukken in hoger beroep en dat ook in een procesreglement aan die omvang beperkingen mogen worden gesteld, mits de essentie van het recht op toegang tot de rechter en van het recht op hoor en wederhoor niet wordt aangetast en de voorschriften een legitiem doel dienen en in het licht van dat doel proportioneel zijn.

3.3.8 De tweede in 3.2.2 genoemde vraag heeft betrekking op de processuele gevolgen die verbonden kunnen worden aan de indiening van een processtuk dat de met inachtneming van het procesreglement geldende maximale omvang overschrijdt.

3.3.9 De procesreglementen houden in dat als een memorie het maximumaantal bladzijden overschrijdt zonder dat daarvoor toestemming is gegeven, de memorie wordt geweigerd en dat de partij uiterlijk binnen twee weken een memorie kan indienen die het maximumaantal bladzijden niet overschrijdt. Uit de bevoegdheid van de rechter om grenzen te stellen aan de omvang van processtukken (zie hiervoor in 3.3.1), vloeit voort dat de rechter bevoegd is om stukken die de gestelde omvang overschrijden, te weigeren. De procesreglementen stellen op overschrijding van het maximale aantal bladzijden niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid. Wel kan aan de weigering van het te omvangrijke stuk en het vervolgens uitblijven van een stuk dat wel aan de limiet voldoet, de consequentie verbonden zijn dat het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Voor de dagvaardingsprocedure volgt dat uit art. 133 lid 4 Rv en geldt dat de appellant in beginsel niet-ontvankelijk is indien geen grieven zijn geformuleerd. Voor de verzoekschriftprocedure volgt uit de wettelijke termijn waarbinnen hoger beroep moet worden ingesteld in samenhang met het voorschrift dat het beroepschrift de gronden van het hoger beroep moet bevatten (art. 359 Rv), dat weigering van een beroepschrift kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van de appellant. Indien de appellant nalaat tijdig een processtuk van toegestane lengte in te dienen, kan dat dus zowel in de dagvaardings- als in de verzoekschriftprocedure leiden tot niet-ontvankelijkheid, maar dat betekent niet dat de bevoegdheid van de rechter om een stuk te weigeren een andere wettelijke grondslag vergt dan de bevoegdheid om grenzen te stellen aan de omvang van processtukken.

3.3.10 Gelet op de ingrijpende gevolgen die de weigering van een processtuk kan hebben, moet aan partijen voldoende gelegenheid worden geboden om te voorkomen dat die gevolgen intreden.11 Afgezien van de mogelijkheid om toestemming te verzoeken een processtuk van grotere omvang in te dienen, houden de procesreglementen in dat, na weigering van een processtuk, de partij binnen twee weken een aangepast processtuk kan indienen dat de maximale omvang niet overschrijdt. Daarmee geven de reglementen een in beginsel toereikende gelegenheid om de overschrijding van de in de reglementen gestelde maximale omvang te herstellen en een weigering van het processtuk met de daaraan verbonden gevolgen te voorkomen.

Denkbaar is dat zich omstandigheden voordoen die meebrengen dat strikte handhaving van de genoemde termijn van twee weken niet aanvaardbaar is, mede gelet op de ingrijpende gevolgen die de weigering van het processtuk kan hebben. In dat geval dient toepassing te worden gegeven aan de regel dat indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, het gerechtshof van het procesreglement kan afwijken (art. 1.16 van het procesreglement dagvaardingzaken en art. 1.1.1.22 van het procesreglement verzoekschriftprocedures). Die mogelijkheid om af te wijken strookt met het uitgangspunt dat een procesreglement als vorm van zelfbinding geen afbreuk kan doen aan de bevoegdheid van de rechter om in een individuele zaak af te wijken van het procesreglement.

3.3.11 Uit het voorgaande volgt dat het antwoord op de tweede hiervoor in 3.2.2 genoemde vraag is dat in een procesreglement mag worden bepaald dat bij overschrijding van het maximale aantal bladzijden het processtuk wordt geweigerd.

3.3.12 De derde hiervoor in 3.2.2 genoemde vraag heeft betrekking op het waarborgen van de fundamentele rechten op toegang tot de rechter en op hoor en wederhoor. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, kan slechts aan de hand van de bijzonderheden van het concrete geval worden vastgesteld of een weigering van toestemming om een langer processtuk of een aanvullend processtuk in te dienen, een schending is van het recht op toegang tot de rechter of het recht op hoor en wederhoor. Bij de beantwoording van die vraag in een concreet geval geldt als uitgangspunt dat beperkingen op die rechten toelaatbaar zijn, maar dat de essentie van die rechten niet mag worden aangetast en dat voor de toelaatbaarheid van de beperking de hiervoor in 3.3.6 genoemde maatstaf geldt.

3.3.13 De vierde hiervoor in 3.2.2 genoemde vraag stelt aan de orde of voldoende rechtsbescherming wordt geboden door de wijze waarop volgens de procesreglementen wordt beslist op verzoeken tot het mogen indienen van een omvangrijker processtuk of een aanvullende akte en of voldoende rechtsbescherming bestaat tegen een weigering van processtukken die de gestelde limieten overschrijden. Toepassing van de hiervoor in 3.3.6 genoemde maatstaf bij de beoordeling van deze verzoeken, waarborgt dat de toegang tot de rechter en het recht op hoor en wederhoor niet in ontoelaatbare mate worden beperkt. In het bijzonder een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dient voldoende te worden gemotiveerd. Van een beslissing op een verzoek tot het mogen indienen van een omvangrijker processtuk of van een aanvullende akte, dan wel een weigering van een processtuk kan met inachtneming van art. 401a lid 2 Rv cassatieberoep worden ingesteld, ook in zaken waarin de wet een hogere voorziening uitsluit.12 Dit samenstel van regels vormt een toereikende rechtsbescherming ten aanzien van de toepassing van de beperkingen die de procesreglementen stellen aan de omvang van processtukken in hoger beroep.

4 Beslissing

De Hoge Raad: - beantwoordt de vragen op de hiervoor in 3.3.7, 3.3.11, 3.3.12 en 3.3.13 weergegeven wijze; - begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van de Advocaten en aan de zijde van de Staat.

Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 3 juni 2022.

1 Rechtbank Den Haag 11 juni 2021, ECLI:NL:RBDH:2021:5927.

2 HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, rov. 3.6.2 en HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2117, rov. 3.2.

3 Vgl. HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1542, rov. 4.2.

4 Kamerstukken II 2000/01, 27181, nr. 6, p. 51.

5 Kamerstukken II 2000/01, 27182, nr. 6, p. 35.

6 Vgl. HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9613, rov. 3.5.

7 Zie o.m. EHRM 28 mei 1985, CEDH Serie A vol. 93, rov. 57; EHRM 17 januari 2012, nr. 36760/06, rov. 230; EHRM 29 november 2016, nr. 76943/11, rov. 89; EHRM 5 april 2018, nr. 40160/12, rov. 78.

8 Vgl. EHRM 19 december 1997, nr. 155/1996/774/975, rov. 36 en EHRM 17 januari 2012, nr. 36760/06, rov. 242.

9 Zie HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, rov. 4.2.2 en HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6699, rov. 3.6.

10 Vgl. HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:281, rov. 3.5.5, HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, rov. 3.3.2 en HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:641, rov. 3.5.2.

11 Vgl. HR 16 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3978, rov. 3.4.

12 Zie HR 22 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0188, rov. 3.2.