Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:689

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2022
Datum publicatie
13-05-2022
Zaaknummer
21/05384
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:214, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wvggz. Klachtzaak (art. 10:7 Wvggz). Art. 8:16 Wvggz. Betrokkene is overgeplaatst naar andere accommodatie van dezelfde zorgaanbieder en heeft als gevolg daarvan andere zorgverantwoordelijke gekregen. Klacht dat ten onrechte is geoordeeld dat aan wisseling van zorgverantwoordelijke in dit geval niet een beslissing van de geneesheer-directeur op de voet van art. 8:16 Wvggz ten grondslag behoefde te liggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/1199
RvdW 2022/495
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/05384

Datum 13 mei 2022

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: G.E.M. Later,

tegen

STICHTING LENTIS MAATSCHAPPELIJKE ONDERNEMING,
gevestigd te Zuidlaren,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Lentis,

advocaat: M.A.M. Wagemakers.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/19/136827/FA RK 21-1604 van de rechtbank Noord-Nederland van 28 september 2021.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan deze beschikking gehecht.

Lentis heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Deze zaak gaat over de vraag of, kort gezegd, voor een wisseling van de zorgverantwoordelijke een uitdrukkelijke beslissing van de geneesheer-directeur op de voet van art. 8:16 Wvggz is vereist (zie ook hierna in 3.3).

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Betrokkene is eind juni 2019 opgenomen in een accommodatie in Winschoten van Lentis. Daar verbleef hij op vrijwillige basis.

(ii) Op 25 januari 2021 is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak tot en met 25 juli 2021, voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder ‘opnemen in een accommodatie’.

(iii) Wegens de zomersluiting van de accommodatie in Winschoten is betrokkene op 21 mei 2021 overgeplaatst naar een accommodatie van Lentis in Groningen.

(iv) Bij brief van 22 mei 2021 heeft de zorgverantwoordelijke aan de geneesheer-directeur bericht dat zij heeft besloten om per die datum de volgende vormen van verplichte zorg aan betrokkene te gaan verlenen: (i) beperken van de bewegingsvrijheid, (ii) insluiten en (iii) opnemen in een accommodatie, alle voor maximaal de duur van de verleende zorgmachtiging. Het betreft hier een beslissing op grond van art. 8:9 lid 1 Wvggz. Onder ‘opnemen in een accommodatie’ heeft de zorgverantwoordelijke in de brief het volgende vermeld:

“De verwachting is dat Lentis als zorgaanbieder kan blijven fungeren. De accommodatie waar verplichte zorg zal worden geboden en de eerste accommodatie waar een beroep op zal worden gedaan, zal naar verwachting primair:

[x] HIC Winschoten of Groningen

(…)

[x] Overig, namelijk...

zijn dan wel één van de andere accommodaties van Lentis.”

Onder het kopje ‘motivering’ bij deze vorm van verplichte zorg heeft de zorgverantwoordelijke het volgende geschreven:

“Betrokkene is reeds lange tijd opgenomen in een accommodatie omdat intensieve klinische zorg noodzakelijk is om ernstige ontregeling bij de schizo-affectieve stoornis te voorkomen.

Dhr. heeft een (soms zeer) gestructureerde klinische setting nodig om enige stabiliteit in het psychiatrisch beeld te verkrijgen en behouden. Om deze reden werd er een aanmelding gedaan naar het ART in Zuidlaren. Dhr. is het niet eens met deze verwijzing en zou zelf graag met ontslag naar huis gaan. Inmiddels is er een intake geweest bij het ART en staat dhr. op de wachtlijst voor overplaatsing naar Olmenstaete.”

(v) Bij brieven van 25 mei 2021 heeft de geneesheer-directeur op de voet van art. 8:9 lid 3 Wvggz betrokkene en zijn advocaat van de beslissing van de zorgverantwoordelijke op de hoogte gesteld.

(vi) Op 14 juni 2021 is betrokkene van de accommodatie in Groningen overgeplaatst naar een andere accommodatie van Lentis, ART Zuidlaren, afdeling Olmenstaete.

2.3.1

Op 16 juni 2021 heeft betrokkene bij de regionale klachtencommissie Wvggz Groningen een klacht ingediend. De brief heeft als aanhef “Klacht over overplaatsing” en verwijst in de eerste alinea naar art. 10:3 lid 1, onder f, Wvggz. Betrokkene heeft in de klachtbrief voorts een verzoek tot schadevergoeding gedaan (art. 10:11 lid 1 Wvggz). In cassatie is de in de brief geformuleerde “Klacht 1: Toepassing verplichte zorgvorm: 8.9 Wvggz c.q. overplaatsing onder 8:16 Wvggz” van belang. De patiëntvertrouwenspersoon heeft deze klacht op 23 juni 2021 als volgt toegelicht:

“De overplaatsing van cliënt naar Olmenstaete had moeten plaatsvinden op basis van een beslissing ex art. 8:16 Wvggz.

Vanwege het overplaatsen van klager naar een andere locatie binnen de instelling heeft klager een andere zorgverantwoordelijke toegewezen gekregen. Deze beslissing is niet door de geneesheer-directeur genomen terwijl deze volgens art. 8:16 lid 1 hiervoor de aangewezen persoon is.

Nu de beslissing niet door de juiste persoon is genomen is, is aan de andere formele vereisten van art 8:16, alsmede de algemene uitgangspunten van hoofdstuk 2 en 3 van de Wvggz ook niet voldaan.”

2.3.2

Bij beslissing van 30 juni 2021, verstuurd op 14 juli 2021, heeft de klachtencommissie de klacht van betrokkene over de gedwongen overplaatsing naar ART Zuidlaren, locatie Olmenstaete gegrond verklaard en betrokkene een bedrag van € 100,-- als schadevergoeding toegekend. Kort gezegd acht de klachtencommissie de beslissing tot overplaatsing materieel juist, maar formeel onjuist omdat die beslissing is genomen op de voet van art. 8:9 Wvggz en niet op de voet van art. 8:16 Wvggz.

2.4.1

Lentis heeft bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend als bedoeld in art. 10:7 lid 1 Wvggz, dat zich onder meer richtte tegen het hiervoor in 2.3.2 vermelde oordeel van de klachtencommissie. Zij heeft de rechtbank verzocht de klachten van betrokkene alsnog ongegrond te verklaren en geen schadevergoeding toe te kennen.

2.4.2

De rechtbank heeft de beslissing van de klachtencommissie vernietigd, de klacht van betrokkene ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“5.4. De klacht van betrokkene richt zich tegen de feitelijke overplaatsing naar een andere locatie binnen Lentis. Betrokkene wilde heel nadrukkelijk niet overgeplaatst worden naar ART Zuidlaren, afdeling Olmenstaete. Uit artikel 8:9 Wvggz volgt dat zodra betrokkene verzet vertoont tegen de door de zorgaanbieder te verlenen zorg, voor de toepassing van verplichte zorg een uitvoeringsbeslissing moet worden genomen. De zorgverantwoordelijke is bevoegd deze beslissing te nemen. (…) Door de psychiater is toegelicht dat bij iedere (nieuwe) toepassing van verplichte zorg, in het geval er sprake is van twijfel aan de behandelbereidheid of er is sprake van verzet, een artikel 8:9 Wvggz-beslissing wordt genomen. Indien er sprake is van een wijziging van omstandigheden wordt een voorgaande artikel 8:9 Wvggz-beslissing geactualiseerd door een opvolgende beslissing om zo betrokkene te informeren over deze aanpassing. Ten gevolge van het nadrukkelijke verzet van betrokkene tegen de overplaatsing naar een andere locatie is door de psychiater, zijnde de zorgverantwoordelijke derhalve terecht een artikel 8:9 Wvggz-beslissing genomen.

(…)

5.9.

Voor wat betreft de (onjuiste) conclusie van de klachtencommissie dat door Lentis een artikel 8:16 Wvggz-beslissing had moeten worden genomen, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de wet volgt dat indien betrokkene het niet eens is met het krijgen van een andere zorgverantwoordelijke, ook indien dit binnen dezelfde instelling is, de geneesheer-directeur op grond van artikel 8:16 Wvggz hierover een beslissing kan nemen en betrokkene ook op grond van dit artikel kan klagen over deze beslissing. Betrokkene klaagt echter nadrukkelijk niet over het krijgen van een nieuwe zorgverantwoordelijke. Noch in zijn klaagschrift als ter zitting heeft betrokkene er blijk van gegeven dat hij het niet eens is met het hebben van een andere zorgverantwoordelijke. De klacht van betrokkene richt zich juist op de feitelijke overplaatsing, welke beslissing niet beheerst wordt door artikel 8:16 Wvggz, maar door artikel 8:9 Wvggz. Lentis heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat haar aanzegging van 22 mei 2021 viel onder de reikwijdte van dat laatste artikel. Dat deze feitelijke overplaatsing met zich brengt dat er ook een wijziging van zorgverantwoordelijke volgt, een (ambtshalve) beslissing die mogelijk wel onder de reikwijdte van artikel 8:16 Wvggz valt, doet in dit geval niet ter zake. De klacht van betrokkene richt zich immers niet tegen de wijziging van zorgverantwoordelijke, maar tegen zijn feitelijke verhuizing naar een andere locatie.”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het oordeel van de rechtbank in rov. 5.9 in strijd is met de wet. Het onderdeel voert daartoe aan dat in deze zaak aan de orde is de situatie waarin de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de zorg wordt toegewezen aan een andere zorgverantwoordelijke. Voor zo’n overplaatsing is in art. 8:16 Wvggz een regeling opgenomen. Dat betekent dat aan de in art. 8:16 Wvggz vermelde voorwaarden moet worden voldaan. De rechtbank is ten onrechte ervan uitgegaan dat in deze zaak niet sprake is van een beslissing die valt onder de reikwijdte van art. 8:16 Wvggz op de grond dat de klacht van betrokkene zich richt tegen de feitelijke overplaatsing.

3.2

Art. 8:16 Wvggz maakt deel uit van paragraaf 5 van hoofdstuk 8 van die wet. Paragraaf 5 heeft als opschrift ‘Overplaatsing, tijdelijke onderbreking en beëindiging’. Art. 8:16 lid 1 Wvggz bepaalt dat de geneesheer-directeur op aanvraag of ambtshalve de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging aan een andere zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke kan toewijzen. De betrokkene, de vertegenwoordiger, de advocaat of de zorgverantwoordelijke kan bij de geneesheer-directeur daartoe een schriftelijke en gemotiveerde aanvraag indienen. Art. 8:16 lid 2 Wvggz bepaalt dat de geneesheer-directeur zijn beslissing op grond van het eerste lid schriftelijk en gemotiveerd aan de betrokkene meedeelt en een afschrift van de beslissing zendt aan de vertegenwoordiger, de advocaat en de officier van justitie. Art. 8:16 lid 3 Wvggz bepaalt dat de geneesheer-directeur geen ambtshalve beslissing of instemmende beslissing op de aanvraag kan nemen dan nadat de beoogde zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke zich bereid heeft verklaard tot het verlenen van zorg of verplichte zorg op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging. De leden 4 tot en met 7 van art. 8:16 lid Wvggz regelen onder meer aan wie een afschrift van de beslissing moet worden gezonden, dat de geneesheer-directeur de betrokkene, de vertegenwoordiger of de advocaat schriftelijk in kennis stelt van de klachtwaardigheid van de beslissing en dat het dossier van de betrokkene ter beschikking komt van de nieuw aangewezen zorgverantwoordelijke.

3.3

In deze zaak staat de vraag centraal of toewijzing van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een zorgmachtiging aan een andere zorgverantwoordelijke in alle gevallen een uitdrukkelijke beslissing van de geneesheer-directeur op de voet van art. 8:16 lid 1 Wvggz vergt, en of bij zo’n toewijzing ook aan de overige vereisten van art. 8:16 Wvggz moet worden voldaan.

3.4

De tekst van de wet wijst erop dat de geneesheer-directeur aan de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een zorgmachtiging aan een andere zorgverantwoordelijke in alle gevallen een uitdrukkelijke beslissing ten grondslag moet leggen. Dat art. 8:16 lid 1 Wvggz bepaalt dat de geneesheer-directeur de verantwoordelijkheid kan toewijzen aan een andere zorgverantwoordelijke, brengt tot uitdrukking dat art. 8:16 Wvggz aan de geneesheer-directeur een bevoegdheid toekent waarvan hij in voorkomend geval gebruik kan maken. Daarmee is niet tot uitdrukking gebracht dat de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg ook kan overgaan zonder zo’n toewijzing van de geneesheer-directeur. Dat zou ook niet ermee stroken dat in alle gevallen waarin de verantwoordelijkheid van de zorg overgaat naar een andere zorgverantwoordelijke, moet zijn voldaan aan de overige vereisten die art. 8:16 Wvggz stelt, waaronder het bestaan van de bereidheid de verantwoordelijkheid voor de zorg over te nemen en het ter beschikking komen van het dossier als bedoeld in art. 8:4 Wvggz van de nieuw aangewezen zorgverantwoordelijke.

3.5

Dat bij toewijzing van de verantwoordelijkheid van de zorg op grond van een zorgmachtiging aan een andere zorgverantwoordelijke de geneesheer-directeur in alle gevallen een daarop gerichte beslissing moet nemen, strookt ook met de parlementaire toelichting op art. 8:16 Wvggz. Daarin is vermeld dat deze bepaling het mogelijk maakt om de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg aan een ander toe te wijzen, waarbij het uitgangspunt is dat de geneesheer-directeur en de betrokkene tot overeenstemming komen met alle betrokken partijen. Voorwaarde is dat onder meer de beoogde zorgverantwoordelijke instemt met het overnemen van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de zorgmachtiging. Over de beslissing van de geneesheer-directeur kan worden geklaagd.1 Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet van een andere wijze waarop de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op een andere zorgverantwoordelijke kan overgaan.

In de parlementaire geschiedenis is voorts opgemerkt dat bij de dreiging van een vastlopende behandelrelatie overwogen kan worden om met gebruikmaking van de mogelijkheid van art. 8:16 Wvggz de behandeling te laten voortzetten door een andere zorgverantwoordelijke.2 De geneesheer-directeur kan ingrijpen in de toepassing van verplichte zorg in een individuele casus. Hij kan besluiten om tijdens de uitvoering van de zorgmachtiging een andere zorgverantwoordelijke aan te wijzen (zie art. 8:16 Wvggz). Meestal zal art. 8:16 Wvggz toegepast worden als de betrokkene wordt overgeplaatst naar een andere setting, waarmee het logisch is dat een andere zorgverantwoordelijke wordt aangewezen, aldus de parlementaire geschiedenis.3 Ook uit het voorgaande blijkt niet van een andere wijze waarop de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op een andere zorgverantwoordelijke kan overgaan dan door een beslissing van de geneesheer-directeur.

3.6

Met de Wvggz is beoogd de rechtspositie van de betrokkene te versterken.4 De zorgverantwoordelijke heeft in de Wvggz een eigen positie, met eigen plichten, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, die hij zelfstandig kan uitoefenen, en die op de rechtspositie en de situatie van de betrokkene van grote invloed kunnen zijn. Met het voorgaande strookt niet dat de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een zorgmachtiging aan een andere zorgverantwoordelijke zou kunnen worden toegewezen, zonder dat daaraan een beslissing van de geneesheer-directeur ten grondslag ligt en zonder dat aan de overige vereisten van art. 8:16 Wvggz is voldaan. Voorkomen moet worden dat de betrokkene en andere bij zijn positie nauw betrokken personen, niet van zodanige beslissing op de hoogte raken, en niet van het hun toegekende klachtrecht gebruik kunnen maken.

Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om voor de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg aan een andere zorgverantwoordelijke een ander systeem te aanvaarden dan ten grondslag ligt aan art. 8:16 Wvggz, ook als dat om organisatorische redenen wenselijk zou zijn.

3.7

Ook indien de betrokkene uitsluitend klaagt over een overplaatsing naar een andere accommodatie van dezelfde zorgaanbieder, en op zichzelf geen bezwaar heeft tegen wisseling van de zorgverantwoordelijke, moet aan de vereisten van art. 8:16 Wvggz worden voldaan. Uit de omstandigheid dat een overplaatsing naar een andere accommodatie van dezelfde zorgaanbieder wisseling van de zorgverantwoordelijke zal meebrengen, volgt dat de geneesheer-directeur daartoe een beslissing als bedoeld in art. 8:16 Wvggz moet nemen en dat ook aan de overige in die bepaling gestelde voorwaarden moet zijn voldaan.

3.8

Hetgeen hiervoor in 3.4 tot en met 3.7 is overwogen, leidt ertoe dat de hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad: - vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 28 september 2021; - wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 13 mei 2022.

1 Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 94-95.

2 Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 86.

3 Kamerstukken I 2017/18, 32399, nr. D, p. 26 en 30.

4 Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 1.