Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:621

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2022
Datum publicatie
22-04-2022
Zaaknummer
20/02691
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:953, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:1410, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Intellectuele eigendomsrecht; portretrecht, art. 21 Aw. Vraag of lookalike die in filmpje optreedt, als portret van de uitgebeelde persoon kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/964
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/02691

Datum 22 april 2022

ARREST

In de zaak van

1. Max Emilian VERSTAPPEN,
wonende te Monte Carlo, Monaco,

hierna: Verstappen,

2. MAVIC S.À.R.L.,
gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

hierna: Mavic,

EISERS tot cassatie,

hierna gezamenlijk: Verstappen c.s.,

advocaat: S.M. Kingma,

tegen

PICNIC B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Picnic,

advocaat: V. Rörsch.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/13/619564/ HA ZA 16-1210 van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2017, 6 september 2017 en 25 april 2018;

  2. het arrest in de zaak 200.248.685/01 van het gerechtshof Amsterdam van 2 juni 2020.

Verstappen c.s. hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Picnic heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Verstappen is een professioneel autocoureur. Hij geniet wereldwijde bekendheid.

(ii) Mavic behartigt de zakelijke belangen van Verstappen en heeft een exclusieve licentie om de intellectuele-eigendomsrechten en het portretrecht van Verstappen te promoten en te exploiteren.

(iii) Picnic is een in 2015 opgerichte online supermarkt die via internet bestelde boodschappen thuisbezorgt. Picnic onderhoudt een Facebook-pagina waarop zij regelmatig onder meer korte filmpjes plaatst, gericht op bestaande klanten en op haar werknemers onder wie haar bezorgers.

(iv) Verstappen trad op in een landelijke televisiereclame van supermarktketen Jumbo met de titel “Snel besteld, snel thuisbezorgd”, gelanceerd op 27 september 2016. In deze reclamefilm bracht Verstappen de boodschappen van Jumbo langs de deuren van de klanten met zijn Formule 1-auto, waarmee Jumbo reclame maakte voor het thuisbezorgen van boodschappen.

(v) Picnic heeft in de ochtend van 28 september 2016 op haar Facebook-pagina een filmpje van ongeveer 32 seconden geplaatst met de titel “als je op tijd bent hoef je niet te racen” (hierna: de film). In de film is te zien dat een lookalike van Verstappen (hierna: de lookalike) boodschappen van Picnic rondbrengt. De lookalike draagt eenzelfde raceoutfit en eenzelfde pet als Verstappen draagt tijdens optredens in de media en op het circuit. De film van Picnic begint met de lookalike die langs een bestelbus van supermarktketen Jumbo loopt en instapt in een bestelbusje van Picnic. In dat bestelbusje rijdt de lookalike bij wijze van pitstop langs het distributiecentrum van Picnic en bezorgt hij de boodschappen van Picnic aan huis. Door de film heen komt de tekst: “soms doe je iets voor je werk” en “soms doe je iets voor je lol”. De film eindigt met de van opzij gefilmde lachende lookalike, waarna het logo van Picnic verschijnt met de tekst: “supermarkt gratis aan huis”.

(vi) Na sommatie door Verstappen c.s. heeft Picnic de film van haar website verwijderd.

2.2

Verstappen c.s. vorderen in dit geding, voor zover in cassatie van belang, op grond van art. 21 Auteurswet (hierna: Aw) onder meer (i) een verklaring voor recht dat Picnic onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door de openbaarmaking van het portret van Verstappen en (ii) schadevergoeding.

2.3.1

De rechtbank heeft deze vorderingen, voor zover ingesteld door Verstappen, toegewezen.1

2.3.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van Verstappen afgewezen.2 Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“3.3.2. In het onderhavige geval betreft de beweerde schending van het portretrecht de verspreiding via Facebook van een korte film waarin zowel door het uiterlijk en de kleding van de daarin acterende (hoofd)persoon als door het scenario wordt gerefereerd aan het optreden van Verstappen in reclamefilms voor supermarktketen Jumbo. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de weergave op film van de desbetreffende acteur/lookalike en zijn optreden niet als portret van Verstappen in de zin van artikel 21 Aw kan worden aangemerkt. Hoewel enerzijds met het optreden/figureren van de lookalike het beeld van Verstappen wordt opgeroepen is anderzijds, met name door de (weliswaar gelijkende maar zeker niet identieke) gelaatstrekken van de lookalike en verschillende elementen van het scenario (smal elektrisch bestelbusje in plaats van Formule1 racewagen, nadruk niet op snelheid maar op tijdig vertrekken en plezier bezorger), voor de aanschouwer van de film van Picnic duidelijk dat het niet Verstappen zelf betreft maar dat het gaat om een persiflage van zijn optreden in reclamefilms voor Jumbo. Het gezicht of de persoon van Verstappen zelf wordt niet afgebeeld. De bescherming van een persoon tegen de openbaarmaking van zijn portret ingevolge artikel 21 Aw gaat niet zo ver dat zij zich uitstrekt tot verspreiding van beeldmateriaal waarin bepaalde kenmerken van de verschijning van een persoon door een ander worden uitgebeeld en/of nagespeeld of nagebootst, doch er geen redelijke twijfel bestaat – bijvoorbeeld door het persiflerende of verwijzende karakter van de beelden – dat het niet de persoon zelf betreft doch slechts iemand die op hem lijkt. Dat geldt ook als de associatie met opzet wordt gewekt.

3.3.3.

Dit brengt mee dat niet ingegaan behoeft te worden op de vraag in hoeverre een redelijk belang van Verstappen in de zin van artikel 21 Aw zich tegen openbaarmaking van dat beeldmateriaal verzette althans vergde dat die openbaarmaking achterwege bleef zolang niet op adequate wijze aan het commerciële belang van Verstappen tegemoet was gekomen.”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1.1 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.3.2 dat de weergave op film van de lookalike van Verstappen en zijn optreden niet als portret van Verstappen in de zin van art. 21 Aw kan worden aangemerkt. Het onderdeel voert onder meer aan dat het hof heeft miskend dat beeldmateriaal, zoals in deze zaak, waarin de kenmerken van de verschijning van een persoon (bewust) worden uitgebeeld en/of nagespeeld of nagebootst, moet worden gekwalificeerd als een portret in de zin van art. 21 Aw, in elk geval als daarmee een voldoende gelijkend of herkenbaar beeld van die persoon wordt opgeroepen. Dat er geen redelijke twijfel kan bestaan dat het beeldmateriaal niet de uitgebeelde persoon zelf betreft, maar iemand die op hem lijkt, kan daaraan niet afdoen, aldus het onderdeel.

3.2.1

Een portret als bedoeld in art. 21 Aw is een afbeelding, op welke wijze ook vervaardigd, van een persoon die in deze afbeelding kan worden herkend.3

3.2.2

Een afbeelding van een lookalike, bijvoorbeeld in een film, kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een portret van de persoon op wie hij lijkt. Daarvoor is niet alleen vereist dat deze persoon in de afbeelding van de lookalike kan worden herkend, maar ook dat de mogelijkheid tot herkenning door bijkomende omstandigheden is vergroot, zoals door de wijze van presentatie van de lookalike (bijvoorbeeld door gebruik van grime en kleding), door hetgeen de afbeelding overigens toont of door de context waarin de afbeelding is openbaar gemaakt. Aldus wordt voorkomen dat een afbeelding van iemand die toevallig op een ander lijkt, zonder meer wordt aangemerkt als een portret van die ander.

De omstandigheid dat voor de aanschouwer duidelijk is dat de lookalike niet degene is op wie hij lijkt, staat niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van een portret.

3.2.3

Het karakter van de afbeelding, bijvoorbeeld een parodie, is niet van belang voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een portret. Dat karakter kan wel een rol spelen in de door art. 21 Aw voorgeschreven belangenafweging en kan meebrengen dat niet kan worden gezegd dat een redelijk belang van de geportretteerde in de zin van deze bepaling zich tegen openbaarmaking van het portret verzet.

3.3

Het oordeel van het hof in rov. 3.3.2 kan niet anders worden begrepen dan dat Verstappen in de afbeelding van de lookalike kan worden herkend en dat de mogelijkheid van herkenning is vergroot door uiterlijk en kleding van de lookalike alsmede door het scenario van de film. Zijn oordeel dat niettemin geen sprake is van een portret omdat voor de aanschouwer duidelijk is dat het niet Verstappen zelf betreft, maar dat het gaat om een persiflage van zijn optreden in reclamefilms voor Jumbo, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.1-3.2.3 is overwogen. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt dus.

3.4

In het voetspoor van onderdeel 1.1 komt onderdeel 1.2 terecht op tegen het oordeel van het hof (in rov. 3.3.3) dat niet behoeft te worden ingegaan op de vraag in hoeverre een redelijk belang van Verstappen in de zin van art. 21 Aw zich tegen openbaarmaking van het beeldmateriaal verzette, althans vergde dat die openbaarmaking achterwege bleef zolang niet op adequate wijze aan het commerciële belang van Verstappen tegemoet was gekomen. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, is sprake van een portret van Verstappen in de zin van art. 21 Aw. Na verwijzing zal de door die bepaling voorgeschreven belangenafweging alsnog moeten plaatsvinden. Daarbij is het hof na verwijzing niet gebonden aan hetgeen in het bestreden arrest (rov. 3.4.1-3.4.3 en 3.5) is overwogen ter beantwoording van de vraag of het handelen van Picnic jegens Verstappen anderszins onrechtmatig is.

3.5

Onderdeel 2 kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit onderdeel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juni 2020;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt Picnic in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Verstappen c.s. begroot op € 1.013,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Picnic deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 22 april 2022.

1 Rechtbank Amsterdam 6 september 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:6395 en Rechtbank Amsterdam 25 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2648.

2 Gerechtshof Amsterdam 2 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1410.

3 Vgl. HR 30 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0034, rov. 3.2; HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3416, rov. 4.6.3.