Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:592

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2022
Datum publicatie
22-04-2022
Zaaknummer
20/04419
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1010, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Peildatum waardering voormalige echtelijke woning; afwijking van uitgangspunt dat datum van verdeling geldt als peildatum voor waardering. Grievenstelsel. Begrijpelijkheid oordeel hof dat de man het bestaan van een lening inzake de woning heeft erkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/973
RvdW 2022/447
NJ 2022/174
RFR 2022/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/04419

Datum 22 april 2022

BESCHIKKING

In de zaak van

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: de man,

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: de vrouw,

advocaat: C.G.A. van Stratum.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaken C/10/504919 / FA RK 16-5428 en C10/524226 /FA RK 17-2923 van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2018;

  2. de beschikking in de zaken 200.238.559/01, 200.238.586/01, 200.239.218/01 en 200.239.537 van het gerechtshof Den Haag van 30 september 2020.

De man heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen.

(ii) Het huwelijk van partijen is in 2020 door echtscheiding ontbonden.

2.2

De rechtbank heeft de wijze van verdeling van de gemeenschap gelast zoals weergegeven in rov. 2.9.4 tot en met 2.9.10 van haar beschikking. In rov. 2.9.7 heeft de rechtbank over de verdeling van de echtelijke woning als volgt overwogen:

“2.9.7. Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning, de hypothecaire lening en de daaraan verbonden polissen van levensverzekering aan de vrouw dienen te worden toegescheiden. Voorts zijn partijen het erover eens dat de echtelijke woning eerst dient te worden getaxeerd en dat de uitkomst van de taxatie tussen hen bindend is.

(…)

De rechtbank acht het redelijk dat bij de taxatie rekening wordt gehouden met een (eventuele) waardevermeerdering van de woning in de staat van vóór de verbouwing tot aan het tijdstip van de taxatie.”

2.3

Het hof1 heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aldus gelast:

- dat bij de verdeling met toedeling aan de vrouw als waarde op de peildatum 6 februari 2018 heeft te gelden € 590.000,--;

- dat ten behoeve van de vaststelling van de vergoeding door de vrouw aan de man op deze waarde in mindering komt een schuld aan de zuster van de vrouw tot een bedrag van € 47.000,--.

Het hof heeft daartoe, onder meer, als volgt overwogen:

Verdeling

Peildatum

(…)

5.19

De bestreden beschikking is gewezen op 6 februari 2018. In de bestreden beschikking is door de rechtbank de wijze van verdeling gelast, waarbij deze datum voor de waardering van de goederen van de ontbonden huwelijksgemeenschap in aanmerking komt tenzij in appel tegen de door de rechtbank gelaste wijze van verdeling als geheel wordt opgekomen. De man heeft geen grief gericht tegen de door de rechtbank gelaste toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw, zijn bezwaren richten zich uitsluitend tegen de financiële gevolgen ervan, zodat als peildatum voor de waardering deze datum ook in hoger beroep in stand blijft.

(…)

Waarde voormalige echtelijke woning

5.22

Zoals hiervoor overwogen is de peildatum voor de waardering van de voormalige

echtelijke woning 6 februari 2018. (…)

5.23

Bij journaalbericht van 15 juli 2020 heeft de vrouw (…) het taxatierapport

van Ooms Taxaties B.V. te Rotterdam overgelegd waaruit een waarde van de voormalige

echtelijke woning volgt van € 590.000,-.

Nu partijen tijdens de zitting van 5 juni 2020 bij het hof een bindende afspraak hebben gemaakt over de wijze van taxeren van de woning per de peildatum van 6 februari 2018, gaat het hof uit van het taxatierapport dat door de vrouw in het geding is gebracht. (…)

Schulden/financiering van de voormalige echtelijke woning.

(…)

5.26

De vrouw stelt dat haar zus een vordering heeft op partijen ter hoogte van € 86.000,- en dat die vordering in de verdeling moet worden betrokken. De man betwist dat en stelt dat de bankrekening van de zus van de vrouw werd gevoed met gelden afkomstig van partijen en dat partijen ten tijde van de aankoop van de voormalige echtelijke woning volledig schuldenvrij waren.

5.27

Het hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking is in r.o. 2.9.10 overwogen dat partijen ter zitting hebben afgesproken, onder meer, dat de schuld bij [de zus van de vrouw] van € 47.000,- aan de vrouw wordt toegescheiden. In de derde grief van de vrouw staat:

“de rechtbank heeft volgens de vrouw de vrouw verkeerd begrepen in haar verdelingsvoorstel en heeft ten onrechte bepaald dat de schuld bij [de zus van de vrouw] (…) aan de vrouw wordt toegescheiden. (…) Nu schulden niet verdeeld kunnen worden zal de vrouw de schuld bij [haar zus] ad € 47.000,- zelf aflossen. enz”

De vrouw geeft hiermee aan dat er een schuld is aan haar zuster van € 47.000,-. In het

principale appelschrift van de man wordt (…) door de man verzocht om de schuld van € 47.000,- aan de vrouw toe te scheiden. Ook de man heeft het bedrag van € 47.000,- erkend.”

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 2.2-IV van het middel klaagt onder meer dat het hof het grievenstelsel heeft miskend door een andere peildatum voor de waardering van de echtelijke woning te hanteren dan de rechtbank had bepaald, terwijl de vrouw niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de waarde van de woning wordt vastgesteld per taxatiedatum.

3.1.2

Deze klacht slaagt. De rechtbank heeft in rov. 2.9.7 overwogen het redelijk te achten dat bij de taxatie rekening wordt gehouden met een eventuele waardevermeerdering van de woning in de staat van vóór de verbouwing tot aan het tijdstip van de taxatie. Aldus heeft de rechtbank klaarblijkelijk geoordeeld dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat de datum van de verdeling – in dit geval de datum van de beschikking van de rechtbank – als peildatum heeft te gelden voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap.2 Uit de gedingstukken blijkt niet dat de vrouw tegen dat oordeel in hoger beroep is opgekomen. Voor zover het hof het beroepschrift van de vrouw aldus heeft uitgelegd dat daarin een grief tegen dat oordeel was opgenomen, is deze uitleg onbegrijpelijk. Voor zover het hof het beroepschrift van de vrouw niet aldus heeft uitgelegd, heeft het miskend dat het, bij gebreke van een daartegen gerichte grief, gebonden was aan het oordeel van de rechtbank dat voor de waardering van de echtelijke woning in dit geval een andere peildatum heeft te gelden dan de datum van verdeling.

3.2.1

De onderdelen 2.2-IX en 2.2-X keren zich onder meer tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.26-5.27) dat partijen een schuld van € 47.000,-- hadden aan de zus van de vrouw inzake de woning en dat de man deze schuld zou hebben erkend. De onderdelen betogen daartoe onder meer dat de man het bestaan van de schuld in de procedure bij het hof gemotiveerd heeft betwist.

3.2.2

Ook deze klacht slaagt. De gedingstukken in hoger beroep laten geen andere uitleg toe dan dat de man gemotiveerd heeft betwist dat door de betalingen vanaf de rekening van de zus van de vrouw naar rekening(en) van partijen dan wel de notaris, een schuld van partijen aan de zus is ontstaan. Daartoe heeft de man onder meer betoogd dat sprake was van op de rekening van de zus geparkeerde gelden die feitelijk reeds aan partijen toebehoorden. Het verzoek van de man de schuld van € 47.000,-- aan de vrouw toe te scheiden kan tegen de achtergrond van die stellingen niet anders worden begrepen dan als voorwaardelijk, te weten voor zover het bestaan van een schuld zou worden aangenomen. Het oordeel dat de man het bestaan van de schuld zou hebben erkend, is daarom onbegrijpelijk.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 30 september 2020;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 22 april 2022.

1 Gerechtshof Den Haag 30 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1892.

2 Vgl. HR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2851, rov. 3.3.2.