Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:588

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2022
Datum publicatie
22-04-2022
Zaaknummer
20/02746
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:781, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2020:2175, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Asbestverontreiniging. Bereddingskosten, art. 7:957 BW; vereisten; verhouding tot normaal onderhoud. Zaak die verzekerde schade veroorzaakt; vraag of naast kosten verwijdering ook kosten vervanging tot bereddingskosten kunnen behoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/965
RvdW 2022/438
NJ 2022/207 met annotatie van M.L. Hendrikse
NTHR 2022, afl. 3, p. 124
JA 2022/110 met annotatie van Overes, J.S.
M en R 2022/63 met annotatie van F.C.S. Warendorf
RAV 2022/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/02746

Datum 22 april 2022

ARREST

In de zaak van

[de V.O.F.],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna: [de V.O.F.] ,

advocaat: A.C. van Schaick,

tegen

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., handelende onder de naam INTERPOLIS,
gevestigd te Apeldoorn,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,

hierna: Interpolis,

advocaat: L.V. van Gardingen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/02/339925 / HA ZA 18-6 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 april 2018 en 22 augustus 2018;

  2. het arrest in de zaak 200.251.339/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 juli 2020.

[de V.O.F.] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Interpolis heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Interpolis mede door M.E.B. de Gans.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Het gaat in deze zaak in cassatie om de vraag of Interpolis als verzekeraar het verwijderen of vervangen van asbestdaken moet vergoeden als bereddingskosten.

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [de V.O.F.] exploiteert een gemengd agrarisch bedrijf. De daken van de stallen op het bedrijf bestaan uit asbesthoudende golfplaten, zonder dakgoot.

(ii) [de V.O.F.] heeft verzekeringsovereenkomsten gesloten met Interpolis. Deze zijn ondergebracht in een zogenaamde Bedrijven Compact Polis (BCP). Tot de verzekeringen behoren een milieuschadeverzekering en een bedrijfs-aansprakelijkheidsverzekering. Op de verzekeringen waren in 2015 de Verzekeringsvoorwaarden Bedrijven Compact Polis Agrarisch, versie 5.3. van januari 2014 van toepassing (hierna: de polisvoorwaarden).

(iii) In de milieuschadeverzekering zijn bereddingskosten binnen de grenzen van het verzekerde bedrag meeverzekerd. In de polisvoorwaarden wordt het begrip ‘bereddingskosten’ als volgt omschreven:

“Bereddingskosten

Kosten die verbonden zijn aan maatregelen die tijdens de contractsduur van de verzekering door of vanwege de verzekerde worden getroffen en die redelijkerwijs geboden zijn om het onmiddellijk dreigende gevaar van schade af te wenden en/of om de schade te beperken en de schade aan zaken die daarbij zijn ingezet. (…)”

(iv) In opdracht van de provincies Overijssel en Gelderland hebben adviesbureaus [A] B.V. en [B] B.V. inventariserend onderzoek uitgevoerd naar erosie van asbesthoudende daken. Dat onderzoek heeft uitgewezen dat in de afwateringszone van dakgootloze asbesthoudende daken asbesthoudend materiaal en inadembare vezels in de bodem voorkomen.

[de V.O.F.] heeft op 22 december 2015 Interpolis verzocht om onder de milieuschadeverzekering zowel de kosten van bodemsanering als de kosten van vervanging van de asbestdaken te vergoeden. Verder heeft [de V.O.F.] Interpolis verzocht te bevestigen dat zij eventuele (letselschade)claims van derden onder dekking van haar aansprakelijkheidsverzekering in behandeling zal nemen.

(v) [de V.O.F.] heeft onderzoeksbureau [C] B.V. opgedragen om onderzoek te doen naar eventuele asbestverontreiniging rondom de stallen van haar bedrijf. Het bureau heeft in januari 2017 gerapporteerd. In het rapport staat onder ‘samenvatting’ onder meer vermeld:

“Uit het onderzoek volgt dat de daken en andere asbesthoudende (plaat)materialen zich in matige tot slechte slaat van onderhoud bevinden. Op de asbesthoudende daken is een sterke mosbegroeiing zichtbaar. Op het maaiveld rond de bebouwing wordt asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen, ook worden asbesthoudende mossen, afkomstig van de daken, aangetroffen.

In de toplaag van de bodem (0-2 cm) wordt aan de lijzijde de interventiewaarde voor asbest overschreden door de aanwezigheid van losse vezels, ook in de laag van 2-5 cm-mv wordt de interventiewaarde overschreden.

Onder de toplaag van de bodem wordt asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen, plaatselijk wordt hierbij tevens de interventiewaarde overschreden ten gevolge van hechtgebonden materiaal. Uit onderzoek van het dak blijkt dat sprake is van veel losse vezelbundels.

De verontreiniging in de toplaag van de bodem is dan ook evident toe te schrijven aan het aanwezige dak. De resultaten zijn in overeenstemming met de bevindingen van het onderzoek van [A] .

Teneinde verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen adviseren wij mitigerende maatregelen te nemen. Door een bronaanpak wordt tevens de verspreiding van asbestvezels in de omgeving voorkomen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het vervangen van de asbesthoudende materialen (dient uiterlijk in 2024 te gebeuren) of aan het immobiliseren van de vezels door het aanbrengen van een coating.

De aanwezige bodemverontreiniging mag alleen door een daartoe erkend bedrijf gesaneerd worden op basis van een BUS-melding of een door het bevoegd gezag WBB goedgekeurd saneringsplan.”

(vi) Over de kosten heeft [C] B.V. in november 2016 aan [de V.O.F.] onder meer meegedeeld:

“De daken (en plaatselijk wanden) van asbesthoudende golfplaat bevatten “veel losse vezels”. Deze kunnen/zullen ten gevolge van afstromend regenwater op de bodem terechtkomen (…). Vastgesteld is dat de in matige tot slechte staat verkerende daken veelal een sterke mosgroei kennen. Aan de onderzijde van dit mos doen zich veel losse vezels voor. Bij harde wind of regen komt dit mos los van het dak en verspreidt zich dit in de omgeving (…). Ook is vastgesteld dat onder de in slechte staat verkerende daken asbesthoudend afgebrokkeld plaatmateriaal wordt aangetroffen (…).

(...)

Uitgaande van een sanering door vervangen van een dak dient u rekening te houden met een kostenpost van circa € 8,00/m2 (voor een dak zonder isolatie hieronder) tot € 12,00/m2 (voor een geïsoleerd dak). Deze bedragen zijn exclusief eventuele subsidies. Hierna zal alsnog een nieuw dak moeten worden aangebracht, hiervoor dient u rekening te houden met prijzen in de ordegrootte van circa € 35,00 per m2.

Er zijn mogelijkheden om een dak te fixeren door dit te behandelen met een speciale coating. (...) De kosten hiervoor bedragen circa € 7,50 per m2. Alvorens dit product kan worden toegepast dient het mos (en ander materiaal) verwijderd te zijn van de daken. Aangezien dit mos aan de onderzijde vezels bevat dient dit door een erkende asbest-verwijderaar te worden uitgevoerd. Hiervoor is een indicatieftarief afgegeven van € 6,00 per m2.”

(vii) [de V.O.F.] heeft op 24 januari 2017 het rapport van [C] B.V. aan Interpolis gestuurd en Interpolis gesommeerd om te bevestigen dat zij (i) dekking biedt voor schade gemeld onder de milieuschadeverzekering en de aansprakelijkheids-verzekering, (ii) zorgdraagt voor (vergoeding van de kosten van) de bodemsanering en, in het kader van beredding, het wegnemen van de vervuilingsbron (dat wil zeggen: de asbestdakplaten met een aangetaste toplaag vervangen) en (iii) de expertisekosten vergoedt.

(viii) In opdracht van Interpolis heeft [D] B.V. een asbestinventarisatie uitgevoerd ter plaatse van de schuren. [D] B.V. heeft in mei 2017 gerapporteerd. Volgens het rapport zijn potentieel risicovolle asbesthoudende toepassingen aangetroffen met betrekking tot de dakbedekking van enkele schuren. [D] B.V. beveelt aan op (zeer) korte termijn te saneren.

2.3

[de V.O.F.] vordert in deze procedure – kort gezegd – nakoming van de verzekeringsovereenkomst door Interpolis, in het bijzonder door vergoeding van de kosten van asbestsanering van de grond en van de vervanging van de aangetaste dakplaten op de stallen.

2.4

De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen.1 Het hof heeft het vonnis gedeeltelijk vernietigd en – kort gezegd – Interpolis veroordeeld tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst door onder de milieuschadeverzekering de kosten van asbestsanering van de bodem te vergoeden en onder de bedrijfsschadeverzekering de schade te vergoeden die derden lijden als gevolg van de asbestverontreiniging van de bodem, en waarvoor [de V.O.F.] jegens die derden aansprakelijk is.2

2.5

Volgens het hof is de verontreiniging van de bodem het rechtstreeks en uitsluitend gevolg van de emissie van asbestdeeltjes als gevolg van een van buiten komend onheil, te weten de weersomstandigheden waardoor de dakplaten verweren en de asbestdeeltjes loslaten. (rov. 5.23)

2.6

De vordering tot vergoeding van de kosten van de vervanging van de dakplaten heeft het hof afgewezen. In cassatie is alleen de afwijzing van deze vordering aan de orde. Aan deze vordering heeft [de V.O.F.] ten grondslag gelegd dat de kosten van het vervangen van de dakplaten bereddingskosten zijn in de zin van de polisvoorwaarden en art. 7:957 lid 1 BW. Het hof heeft daarover het volgende overwogen.

Bij bereddingskosten moet het gaan om kosten voor maatregelen die in zoverre bijzonder zijn dat deze noodzakelijk zijn om onmiddellijk dreigende schade af te wenden. Deze bijzondere maatregelen moeten worden onderscheiden van normale voorzorgsmaatregelen om het intreden van schade te voorkomen. De normale in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid brengt mee dat de verzekerde dergelijke maatregelen op eigen kosten neemt, zodra hij ontdekt dat een gevaarsituatie ontstaat. Slechts indien en voor zover de bijzondere maatregel samenvalt met de normale voorzorgsmaatregelen, kan plaats zijn voor het vergoeden van de kosten daarvan als bereddingskosten. (rov. 5.26)

De daken van de stallen dateren van 1929 en 1965. Onder invloed van weersomstandigheden zijn de daken aan slijtage onderhevig, waardoor geleidelijk asbestdeeltjes vrijkomen en vervolgens op en in de bodem terechtkomen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van [de V.O.F.] om de daken te onderhouden en zo nodig tijdig te vervangen, als deze door de slechte staat tot schade of verdere schade dreigen te leiden. Nu [de V.O.F.] weet dat asbestdeeltjes van de daken van de stallen losraken en schade kunnen veroorzaken, is het aan hem om maatregelen te nemen om de schade te voorkomen. Dit vloeit voort uit zijn verantwoordelijkheid en plicht als eigenaar en heeft niet te maken met beredden ten behoeve van Interpolis. Doordat volgens partijen onderhoud door de geldende regels niet meer mogelijk is, is het vervangen van de daken de normale voorzorgsmaatregel die [de V.O.F.] behoort te treffen. Als [de V.O.F.] de kosten daarvan, die hij begroot op € 160.000,-- niet kan dragen, is dat geen grondslag om deze af te wentelen op Interpolis. In die zin zijn de asbesthoudende dakplaten niet anders dan andere onderdelen van een gebouw, zoals dakpannen. Als dakpannen door ouderdom losraken en schade aan voorbijgangers opleveren of dreigen op te leveren, zullen de kosten van het vervangen van de versleten dakpannen geen bereddingskosten zijn. Het hof laat dan nog in het midden dat [de V.O.F.] eraan voorbijziet dat alleen het verwijderen van de dakplaten nodig is om de verzekerde schade te voorkomen. [de V.O.F.] dient niet het belang van Interpolis door zijn stallen weer functioneel te maken met het plaatsen van nieuwe daken. (rov. 5.27)

Het oordeel dat de kosten van het verwijderen en vervangen van de dakplaten geen bereddingskosten zijn, geldt voor zowel de milieuschadeverzekering als de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Voor zover [de V.O.F.] nog een beroep heeft willen doen op de eventuele verzekering ‘aansprakelijkheid particulier’ geldt hetzelfde. (rov. 5.28)

3. Beoordeling van de middelen in het principale en in het voorwaardelijk incidentele beroep

3.1

Het middel in het principale beroep klaagt over het oordeel van het hof dat de kosten van het verwijderen en vervangen van de dakplaten op de stallen van [de V.O.F.] geen bereddingskosten zijn in het kader van de verzekeringen van [de V.O.F.] bij Interpolis. Volgens het middel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is het onbegrijpelijk gemotiveerd.

3.2.1

Art. 7:957 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeringnemer en de verzekerde, zodra zij van de verwezenlijking van het risico of het ophanden zijn daarvan op de hoogte zijn, of behoren te zijn, verplicht zijn binnen redelijke grenzen alle maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen leiden. Lid 2 van de bepaling verplicht de verzekeraar tot vergoeding van de kosten die aan het nemen van de in lid 1 bedoelde maatregelen zijn verbonden, en van de schade aan zaken die daarbij worden ingezet. Volgens lid 3 kan, als de verzekerde de in lid 1 bedoelde verplichting niet is nagekomen, de verzekeraar de uitkering verminderen met de schade die hij daardoor lijdt.

3.2.2

Volgens de rechtspraak komen de kosten die een verzekerde of verzekeringnemer heeft gemaakt ter voldoening aan zijn verplichting het intreden van schade te voorkomen of ingetreden schade te beperken, voor vergoeding in aanmerking als hij in redelijkheid heeft mogen aannemen dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar dat slechts door het treffen van bijzondere maatregelen kon worden weggenomen en als deze maatregelen, die, ook als daartoe een andere verplichting bestond, ten bate van de verzekeraar moeten zijn gemaakt, redelijk en doelmatig zijn. Een en ander moet worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de verzekerde of verzekeringnemer tot het nemen van maatregelen heeft besloten. Hij mag daarbij in beginsel afgaan op het advies van ingeschakelde deskundigen, tenzij hij wist of had behoren te weten dat dit advies niet op deugdelijke gronden berustte.3

3.2.3

De definitie van ‘bereddingskosten’ in de polisvoorwaarden (zie hiervoor in 2.2 onder (iii)) sluit bij de in 3.2.2 weergegeven rechtspraak aan.

3.2.4

In de toelichting op het ontwerp van art. 7:957 BW is opgemerkt dat op de verzekerde de algemene verplichting rust tegen het ontstaan van schade te waken. Zo zal hij zijn huis van goed sluitwerk moeten voorzien. De kosten van deze normale voorzorgen worden door de verzekeraar niet vergoed. Het artikel doelt op buitengewone maatregelen die tot afweer van onmiddellijk dreigend gevaar of tot bestrijding van een acute schadeoorzaak moeten worden genomen. In zoverre geeft het voor deze omstandigheden een speciale regeling van de verplichting tot schadebeperking.4

3.3.1

Het oordeel van het hof komt erop neer dat het vervangen van de asbestdaken geen bijzondere maatregel is ter voorkoming van schade, maar een algemene voorzorgsmaatregel waarvan de kosten niet voor rekening van de verzekeraar komen.

3.3.2

Het oordeel van het hof berust klaarblijkelijk op de opvatting dat [de V.O.F.] de kosten van normaal onderhoud of van het achterwege laten daarvan niet voor rekening van zijn verzekeraar zou moeten kunnen brengen. Die opvatting lijkt aan te sluiten bij de hiervoor in 3.2.4 aangehaalde opmerking in de parlementaire toelichting op art. 7:957 BW. Het hof heeft met zijn oordeel evenwel miskend dat de toestand van de daken – die volgens de deskundigenrapporten in matige tot slechte staat van onderhoud verkeren – er volgens zijn eigen oordeel niet aan in de weg staat dat de kosten van sanering van de met asbest verontreinigde bodem gedekt zijn onder de verzekering op de in 2015 geldende polisvoorwaarden. Vast staat dat het verwijderen van de daken de enige mogelijkheid is om het ontstaan van verdere asbestverontreiniging te voorkomen. Daarom is niet uitgesloten dat [de V.O.F.] op grond van art. 7:957 lid 1 BW en de polisvoorwaarden gehouden was de asbestdaken te verwijderen om verdere bodemverontreiniging te voorkomen. Voor zover schade die het gevolg is van deze verdere bodemverontreiniging verzekerd was, diende hij daarmee ook het belang van Interpolis als verzekeraar. Tegenover deze verplichting van [de V.O.F.] staat dan de verplichting van Interpolis om de met deze bereddingsmaatregel verbonden kosten en schade aan zaken te vergoeden. Hieraan doet niet af dat de kosten van onderhoud normaal niet voor rekening van een verzekeraar kunnen worden gebracht. Of kosten bereddingskosten zijn, moet in gevallen van onmiddellijk dreigend gevaar of waarin schade beperkt kan worden na verwezenlijking van het risico, immers worden beoordeeld aan de hand van de daarvoor geldende maatstaven (zie hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2). Een maatregel die vereist is om onmiddellijk dreigend gevaar af te wenden of om de schade te beperken, moet in dat verband als een ‘bijzondere’ maatregel worden aangemerkt, ook al zou deze in andere omstandigheden tot het normale onderhoud behoren.

Bij het voorgaande komt dat het middel erop wijst dat [de V.O.F.] heeft aangevoerd dat de dakplaten, afgezien van het recent ontdekte gevaar van asbestverontreiniging, nog functioneel waren, en dat er zonder dit gevaar geen noodzaak tot verwijdering of vervanging bestond. Zonder nadere toelichting is het oordeel van het hof in het licht van die stelling onbegrijpelijk.

3.3.3

De klacht van het principale middel treft in dit opzicht dus doel. Na verwijzing zal alsnog aan de hand van alle hiervoor in 3.2.2 weergegeven criteria moeten worden beoordeeld of het verwijderen van de dakplaten kan worden beschouwd als een maatregel tot voorkoming of vermindering van de schade in de zin van art. 7:957 lid 1 BW. Bij deze beoordeling dient zo nodig ook het standpunt van Interpolis te worden betrokken dat als gevolg van de wijziging van de polisvoorwaarden in 2015, schade door verdere verontreiniging niet is gedekt, zodat met het nadien verwijderen van de daken geen belang van Interpolis meer wordt gediend. [de V.O.F.] heeft dit standpunt bestreden; het hof heeft daarover geen oordeel gegeven. Het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep, dat ervan uitgaat dat het hof het standpunt van Interpolis heeft verworpen, kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.4.1

Het middel in het principale beroep betoogt verder dat niet alleen de kosten van het verwijderen van de dakplaten als bereddingskosten zijn aan te merken, maar ook de kosten van vervanging van de platen.

3.4.2

Het hof heeft in rov. 5.27 overwogen dat alleen het verwijderen van de dakplaten nodig is om de verzekerde schade te voorkomen en niet het plaatsen van nieuwe daken. Die constatering brengt echter op zichzelf niet mee dat – aangenomen dat het verwijderen van de dakplaten als een maatregel van beredding kan worden aangemerkt, zie hetgeen hiervoor in 3.3.3 is overwogen – [de V.O.F.] geen aanspraak kan maken op een vergoeding ter zake van de kosten van vervanging van de dakplaten. Voor vergoeding in aanmerking komen immers de kosten van die maatregelen die redelijk en doelmatig zijn (zie hiervoor in 3.2.2). Bij de vaststelling welke maatregelen redelijk en doelmatig zijn dient in aanmerking te worden genomen dat art. 7:957 BW er mede toe strekt te voorkomen dat de verzekerde of verzekeringnemer het treffen van maatregelen ter voorkoming of beperking van (verdere) schade achterwege laat. In een geval waarin beredding bestaat in verwijdering van de schadeveroorzakende zaak, kan een en ander, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, meebrengen dat niet alleen de kosten van verwijdering, maar ook kosten van vervanging als kosten van beredding moeten worden aangemerkt, omdat de enkele verwijdering weliswaar doelmatig zou zijn, maar het verlies van de functie van die zaak redelijkerwijs niet of niet volledig voor risico van de verzekerde of verzekeringnemer behoort te komen. Ook in dit opzicht is het principale middel dus gegrond. Indien het verwijderen van de dakplaten als beredding kan worden aangemerkt, en als gevolg van die verwijdering de zaak waarvan die dakplaten onderdeel uitmaken in haar functie wordt aangetast, kan, gelet op het voorgaande, een redelijke begroting van de kosten van beredding meebrengen dat ook kosten van het herstel van die functie daarin worden betrokken. Daarbij kan waar dat redelijk is rekening worden gehouden met waardevermeerdering van de betrokken zaak als gevolg van het herstel, overeenkomstig hetgeen geldt voor het begroten van zaakschade (art. 6:97 en 98 BW).

4 Beslissing

De Hoge Raad: in het principale beroep:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2020;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt Interpolis in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de V.O.F.] begroot op € 992,42 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Interpolis deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;

In het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt Interpolis in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de V.O.F.] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Interpolis deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 22 april 2022.

1 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 augustus 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:7230.

2 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2175.

3 Vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2309 (HDI c.s. /SGS), rov. 3.7; HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7560 (Staedion), rov. 3.4; HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7230 (Forbo), rov. 3.4.4 en HR 13 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC3080 (Amercentrale).

4 Parl. Gesch. Boek 7 (titel 17), p. 177.