Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:585

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2022
Datum publicatie
22-04-2022
Zaaknummer
20/02867
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:918, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:1774, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Verzet. Brengt niet-ontvankelijkheid in het verzet wegens termijnoverschrijding mee dat in reconventie ingestelde vorderingen evenmin kunnen worden beoordeeld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/966
RvdW 2022/439
Prg. 2022/192
JIN 2022/89 met annotatie van Peerboom, A.J.
TvPP 2022, afl. 4, p. 136
JBPr 2022/51 met annotatie van Harryvan, G.J.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/02867

Datum 22 april 2022

ARREST

In de zaak van

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

hierna: [eiser],

advocaten: A.H.H. Conradi-Vermeulen en C.S.G. Janssens,

tegen

BOUWINVEST DUTCH INSTITUTIONAL RESIDENTIAL FUND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Bouwinvest,

advocaat: H. Boom.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaak 7148683\CV EXPL 18-7201 van de kantonrechter te Haarlem van 23 januari 2019;

  2. het arrest in de zaak 200.260.272/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2020.

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Bouwinvest heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Bouwinvest mede door C.A. Bosma.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaten van [eiser] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan, kort samengevat, van het volgende worden uitgegaan.

(i) In 2006 heeft [eiser] van (de rechtsvoorganger van) Bouwinvest zelfstandige woonruimte gehuurd (hierna: de woning).

(ii) In 2017 heeft de beheerder namens Bouwinvest, na klachten van onderburen van [eiser] over lekkage, de woning betreden. De beheerder heeft de watertoevoer afgesloten en het slot van de woning vervangen.

(iii) Eind 2017 zijn tussen partijen afspraken gemaakt over onder andere het leefbaar maken van de woning en zijn aan [eiser] nieuwe sleutels van het gehuurde verstrekt. In januari 2018 is [eiser] gesommeerd zich aan de afspraken te houden.

(iv) Op verzoek van Bouwinvest heeft de kantonrechter bij verstekvonnis van 23 mei 2018 de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en [eiser] onder meer veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis.

(v) Bouwinvest heeft het verstekvonnis op 4 juni 2018 laten betekenen door een afschrift daarvan in een gesloten envelop achter te laten op het adres van de woning. Daarbij is [eiser] aangezegd de woning binnen veertien dagen te ontruimen.

(vi) Op 21 juni 2018 is het verstekvonnis tenuitvoergelegd. De woning is ontruimd en de inboedel van [eiser] vernietigd. [eiser] was daarbij niet aanwezig en daarvan niet op de hoogte.

2.2

Bij dagvaarding van 1 augustus 2018 heeft [eiser] verzet ingesteld. Daarbij heeft hij in oppositie ontheffing van de in het verstekvonnis uitgesproken veroordelingen gevorderd en afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen van Bouwinvest. In reconventie heeft [eiser], naast veroordeling van Bouwinvest om de huurovereenkomst met hem voort te zetten en hem toegang tot de woning te verschaffen, gevorderd voor recht te verklaren (onder meer) dat Bouwinvest onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en door zijn eigendommen niet te bewaren, en dat Bouwinvest aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade. Verder heeft hij (terug)betaling van (een evenredig gedeelte van) de huurpenningen over de maand juni 2018 gevorderd.

2.3

De kantonrechter heeft [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet. In reconventie heeft zij Bouwinvest veroordeeld tot (terug)betaling aan [eiser] van de huurpenningen over de periode 22 juni tot en met 30 juni 2018, en de vorderingen voor het overige afgewezen.

2.4

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.1 Voor zover in cassatie van belang heeft het als volgt overwogen:

“3.5. (…) In het onderhavige geval staat vast dat op 21 juni 2018 het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd door het gehuurde te ontruimen. Dit betekent dat de verzettermijn op 21 juni 2018 een aanvang heeft genomen en dat uiterlijk op 19 juli 2018 verzet moest worden gedaan om daarin ontvankelijk te zijn. Vast staat echter dat [eiser] pas op 1 augustus 2018 verzet heeft gedaan, hoewel hij zelf heeft gesteld dat hij reeds op 5 juli 2018 bekend is geraakt met de inhoud van het verstekvonnis, zodat hij nog veertien dagen de tijd heeft gehad om tijdig verzet te doen. Dit impliceert dat het recht van [eiser] op toegang tot de rechter in beginsel niet in de kern is aangetast (…). [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat dit niettemin het geval zou (kunnen) zijn, zodat mogelijke toepassing van artikel 6 lid 1 EVRM hier niet aan de orde komt. De conclusie is dat [eiser] niet ontvankelijk is in het door hem gedane verzet (…).

3.6. (…)

Voor zover [eiser] (…) betoogt (…) dat zelfs als in rechte vaststaat dat de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde niet ongegrond of onrechtmatig is geweest, Bouwinvest en/of de deurwaarder onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem omdat zijn inboedel bij de ontruiming niet schadevrij is afgevoerd en in bewaring is gegeven, maar is vernietigd, heeft hij, mede gelet op het gemotiveerde verweer van Bouwinvest, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat Bouwinvest te dezer zake onrechtmatig (…) jegens hem heeft gehandeld. Voor zover [eiser] (…) met deze grief betoogt (…) dat als hij niet ontvankelijk is in het door hem gedane verzet, hij ook niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn reconventionele vorderingen, faalt ook dit betoog. Een niet ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vorderingen in reconventie zou immers slechts aan de orde zijn indien eiseres in conventie, Bouwinvest, niet ontvankelijk zou zijn verklaard in haar vorderingen. Dat geval doet zich hier echter niet voor. (…)”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel van het hof dat [eiser] het verzet te laat heeft ingesteld en daarin daarom niet-ontvankelijk is. De klacht kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.2.1

Onderdeel 2 is gericht tegen de verwerping van het betoog van [eiser] dat hij, wanneer hij niet-ontvankelijk is in zijn verzet, ook in zijn vorderingen in reconventie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat wanneer de opposant er niet in slaagt de procedure in conventie te heropenen, geen procedure in reconventie aanhangig kan worden gemaakt.

3.2.2

Het exploot van verzet geldt op grond van art. 147 lid 1 Rv als conclusie van antwoord. Daarbij kan een vordering in reconventie worden ingesteld (art. 146 lid 2 Rv). Als het exploot niet wordt uitgebracht binnen de verzettermijn en de betrokken partij op die grond in haar verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard, brengt dat niet alleen mee dat de instantie in conventie niet wordt heropend, maar ook dat het exploot van verzet in zijn functie van conclusie van antwoord te laat is. Dat betekent evenwel niet dat de in het exploot reconventioneel geformuleerde vordering niet kan worden beoordeeld. Indien de betrokken partij te kennen geeft ingeval van niet-ontvankelijkheid in het verzet toch beoordeling van haar vordering te wensen, kan het exploot worden aangemerkt als een gewone dagvaarding, die een nieuwe procedure inluidt.

3.2.3

Het hof heeft niet vastgesteld dat [eiser] te kennen heeft gegeven ingeval van niet-ontvankelijkheid in het verzet toch beoordeling van de in reconventie geformuleerde vorderingen te wensen. Het onderdeel slaagt dus.

3.2.4

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd voor zover daarin de vorderingen in reconventie zijn afgewezen en [eiser] zal in die vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Nu het hoger beroep van [eiser] zich niet mede uitstrekte tot de veroordeling van Bouwinvest tot (terug)betaling aan hem van de huurpenningen over de periode 22 juni tot en met 30 juni 2018 (zie hiervoor in 2.3) en [eiser] van zijn hoger beroep niet slechter kan worden, blijft dit gedeelte van het vonnis in stand.

3.2.5

De kantonrechter heeft [eiser] in de kosten van het geding in reconventie veroordeeld en deze aan de zijde van Bouwinvest begroot op nihil. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en [eiser] in de kosten van het hoger beroep veroordeeld. Gelet op de uitkomst van het cassatieberoep (niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn verzet en in zijn vorderingen in reconventie voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen), ziet de Hoge Raad geen aanleiding tot een andere beslissing op dit punt.

3.3

Nu onderdeel 2 slaagt, zal Bouwinvest in de kosten van het geding in cassatie worden veroordeeld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2020 voor zover daarin de afwijzing van de vorderingen in reconventie is bekrachtigd;

- vernietigt het vonnis van de kantonrechter voor zover daarin de vorderingen in reconventie zijn afgewezen;

- verklaart [eiser] in zoverre niet-ontvankelijk in zijn vorderingen in reconventie;

- veroordeelt Bouwinvest in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 415,34 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresident M.J. Kroeze en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 22 april 2022.

1 Gerechtshof Amsterdam 16 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1774.