Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:582

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2022
Datum publicatie
22-04-2022
Zaaknummer
20/04355
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:2616, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1247, Gevolgd
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Gemengde overeenkomst. Klachtplicht; art. 7:23 BW. Ambtshalve toepassing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/972
RvdW 2022/446
NJ 2022/173
Prg. 2022/184
JIN 2022/90 met annotatie van Braams, W.A.
RCR 2022/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/04355

Datum 22 april 2022

ARREST

In de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie,

hierna: [eiser] ,

advocaat: M.J. van Basten Batenburg,

tegen

DUTCH CAMPERS B.V.,
gevestigd te Lelystad,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: DC,

advocaat: R.T. Wiegerink.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak 7031600 CV EXPL 18-14317 van de kantonrechter te Amsterdam van 14 september 2018 en 25 januari 2019;

  2. het arrest in de zaak 200.259.768/01 van het gerechtshof Amsterdam van 29 september 2020.

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

DC heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor DC toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiser] heeft met DC een overeenkomst gesloten op grond waarvan DC een bestelauto van [eiser] heeft omgebouwd tot een camper.

(ii) Na de oplevering van de camper heeft [eiser] bij DC geklaagd over gebreken met betrekking tot, onder meer, de keukenkastjes en het dakluik van de camper.

2.2

[eiser] vordert in dit geding, voor zover in cassatie van belang, vervangende schadevergoeding ter hoogte van (in hoofdsom) € 16.795,--.

2.3

De rechtbank heeft DC veroordeeld tot betaling van (in hoofdsom) € 3.525,44.

2.4

Het hof heeft – voor zover in cassatie van belang – het vonnis van de rechtbank vernietigd, DC veroordeeld tot betaling van (in hoofdsom) € 7.719,06 en het meer of anders gevorderde afgewezen.1 Het hof heeft de vordering met betrekking tot de gestelde gebreken aan de keukenkastjes en het dakluik afgewezen op de grond dat [eiser] daarover te laat heeft geklaagd. Het heeft in dat verband het volgende overwogen.

De overeenkomst tussen partijen moet ingevolge art. 7:5 lid 4 BW worden gekwalificeerd als een gemengde overeenkomst, waarop zowel de bepalingen betreffende consumentenkoop als die betreffende aanneming van werk van toepassing zijn. (rov. 3.5)

Ingevolge art. 7:23 lid 1 BW kan een koper er geen beroep meer op doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken hiervan in kennis heeft gesteld. Ten aanzien van consumentenkoop wordt een termijn van twee maanden na de ontdekking nog als tijdig beschouwd. De strekking van deze bepaling is dat de verkoper zo snel als mogelijk kennis draagt van de gestelde gebreken en dat hij beschermd wordt tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten. (rov. 3.8)

In zijn e-mail van 20 juni 2017 heeft [eiser] voor het eerst te kennen gegeven dat niet was voldaan aan zijn keuze met betrekking tot de keukenkastjes en de plaats van het dakluik. Naar aanleiding daarvan heeft DC (blijkbaar) gevraagd om een lijst met alle gebreken, getuige de e-mail van 19 juli 2017 van [eiser] aan DC: “n.a.v. de navolgende lijst waar je om hebt gevraagd.”. In deze lijst van gebreken keert het punt van de keukenkastjes en de plaats van het dakluik niet terug. Mede gelet op deze chronologische gang van zaken en de strekking van art. 7:23 BW, te weten het bieden van duidelijkheid aan de verkoper ten aanzien van eventuele opleveringsgebreken, alsmede in aanmerking genomen dat [eiser] tussen 20 juni 2017 en 19 juli 2017 met de camper op vakantie was geweest en de camper dus uitgebreid heeft kunnen beoordelen, mocht DC erop vertrouwen dat de gebrekenlijst van 19 juli 2017 volledig was, en dat deze de lijst van 20 juni 2017 verving. Het eerstvolgende moment waarop [eiser] aan DC kenbaar heeft gemaakt het niet doorlopen van de kastjes en van de alu trim en de plaatsing van het dakluik als gebreken te beschouwen, was met het rapport van DEKRA in januari 2018. Dit is meer dan zes maanden na oplevering en ook meer dan zes maanden na 20 juni 2017, en derhalve te laat. (rov. 3.8 wat betreft de keukenkastjes en rov. 3.17 wat betreft het dakluik)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel A van het middel voert aan dat DC geen beroep op de klachtplicht heeft gedaan. Het hof heeft in rov. 3.8 en 3.17 miskend dat art. 7:23 BW (de klachtplicht) niet ambtshalve mag worden toegepast.

3.2

Art. 7:23 lid 1 BW bepaalt dat de koper er geen beroep meer op kan doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven. Indien de schuldenaar (de verkoper) niet het verweer voert dat niet tijdig is geklaagd als bedoeld in art. 7:23 BW, dan kan deze bepaling niet worden toegepast.2

3.3

De gedingstukken laten geen andere uitleg toe dan dat DC niet het verweer heeft gevoerd dat niet tijdig is geklaagd. Door desondanks aan [eiser] op grond van art. 7:23 BW het recht te ontzeggen nog een beroep te doen op de door hem gestelde gebreken in de prestatie van DC, heeft het hof dus ten onrechte toepassing gegeven aan deze bepaling. De hiervoor onder 3.1 weergegeven klacht slaagt dan ook.

3.4

De klacht van onderdeel B2 behoeft geen behandeling.

De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

  • -

    vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 september 2020;

  • -

    verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

  • -

    veroordeelt DC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 534,59 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 22 april 2022.

1 Gerechtshof Amsterdam 29 september 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2616.

2 Vgl. onder meer HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, rov. 5.6.2.