Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:578

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-2022
Datum publicatie
20-04-2022
Zaaknummer
21/02178
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:199
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verlaten plaats ongeval, art. 7.1 WVW 1994. N-o verklaring in verzet tegen strafbeschikking. Ontvankelijkheid verzet en ontvangsttheorie, art. 257e Sv. Is verzet n-o omdat het te laat is gedaan?

Het middel berust allereerst op de opvatting dat art. 6:9 Awb, waarin is bepaald dat bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen, van overeenkomstige toepassing is op de procedure van verzet tegen een strafbeschikking a.b.i. art. 257e Sv. Die opvatting is onjuist omdat art. 6:9 Awb o.g.v. art. 1:6 Awb niet van toepassing is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

Hof heeft vastgesteld dat verdachte op 29 december 2017 een strafbeschikking heeft ontvangen en dat brief van verdachte waarmee hij verzet wilde instellen, op 17 januari 2018 bij het parket is ingekomen. Op grond daarvan heeft hof geoordeeld dat het verzet is gedaan buiten de in art. 257e.1 Sv genoemde termijn van veertien dagen, zodat verdachte n-o moet worden verklaard in het verzet. Het daarin besloten liggende oordeel dat de datum van ontvangst op het parket bepalend is voor de vaststelling of het verzet tijdig is gedaan, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR:1992:6).

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2022-0088
NJB 2022/984
RvdW 2022/489
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/02178

Datum 19 april 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 mei 2021, nummer 21-005367-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. van Beest, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het tegen de strafbeschikking gedane verzet niet-ontvankelijk is omdat het verzet te laat is gedaan.

2.2

Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Verdachte heeft een strafbeschikking ontvangen van het Centraal Justitieel Incassobureau, gedagtekend 29 december 2017, tot betaling van een geldboete van 500 euro. Bij brief van 11 januari 2018, gericht aan het parket Oost Nederland in Arnhem, heeft verdachte de officier van justitie bericht dat hij op 29 december 2017 een boete heeft ontvangen en aan hem verzocht de strafbeschikking te vernietigen. Deze brief is blijkens het daarop vermelde stempel bij het parket ingekomen op 17 januari 2018. Op grond van het bepaalde in artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering had verdachte in dit geval binnen veertien dagen na 29 december 2017 verzet moeten doen bij het parket van de officier van justitie, waarbij de datum van ontvangst ten parkette naar het oordeel van het hof bepalend is voor de vaststelling of het verzet tijdig is gedaan. Dit staat overigens ook zo vermeld in de door verdachte ontvangen strafbeschikking. Nu verdachtes brief, inhoudende verzet, pas op 17 januari 2018 bij het parket van de officier van justitie is ingekomen, heeft verdachte te laat verzet gedaan. Dat betekent dat de politierechter verdachte niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het verzet. Anders dan de raadsman heeft gesteld is het te laat doen van het verzet niet geheeld door het feit dat de politierechter in eerste aanleg de strafzaak inhoudelijk heeft behandeld.”

2.3

Artikel 257e leden 1 tot en met 4 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luiden, voor zover van belang:

“1. Tegen een strafbeschikking kan de verdachte verzet doen binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Onverminderd de vorige zin kan tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan € 340 is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, verzet worden gedaan tot uiterlijk zes weken na toezending. Verzet kan niet worden gedaan indien de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Verzet kan voorts niet worden gedaan indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe.

2. Het verzet wordt gedaan bij het parket dat in de strafbeschikking vermeld wordt. Wordt het verzet gedaan bij een ander parket, dan wordt het doorgeleid naar een officier van justitie die het verzet bij een bevoegde rechter aanhangig kan maken.

3. Het verzet kan door de verdachte, een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd, alsmede een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde in persoon op het parket worden gedaan. In dat geval kan aanstonds een oproeping van de verdachte worden betekend om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen voor de behandeling van het verzet. De verdachte alsmede een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd kunnen schriftelijk verzet doen bij een aan de officier van justitie gerichte, ondertekende brief. Op de brief wordt onverwijld dag en uur van ontvangst aangetekend. Zij wordt bij de processtukken gevoegd.

4. Het schriftelijk verzet bij een aan de officier van justitie gerichte, ondertekende brief, bedoeld in het derde lid, kan langs elektronische weg worden ingediend met behulp van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening. De ontvangst van het verzet wordt bevestigd. Als de dag en het tijdstip waarop het verzet door de officier van justitie langs elektronische weg is ontvangen gelden de dag en het tijdstip waarop het verzet via de aangewezen elektronische voorziening de officier van justitie heeft bereikt. Het bericht wordt bij de processtukken gevoegd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het gebruik van de elektronische voorziening.”

2.4.1

Het cassatiemiddel berust allereerst op de opvatting dat artikel 6:9 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waarin is bepaald dat bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het (kort gezegd) niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen, van overeenkomstige toepassing is op de procedure van verzet tegen een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257e Sv. Die opvatting is onjuist omdat artikel 6:9 Awb op grond van artikel 1:6 Awb niet van toepassing is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

2.4.2

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 29 december 2017 een strafbeschikking heeft ontvangen en dat de brief van de verdachte waarmee hij verzet wilde instellen, op 17 januari 2018 bij het parket is ingekomen. Op grond daarvan heeft het hof geoordeeld dat het verzet is gedaan buiten de hier toepasselijke in artikel 257e lid 1 Sv genoemde termijn van veertien dagen, zodat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzet. Het daarin besloten liggende oordeel dat de datum van ontvangst op het parket bepalend is voor de vaststelling of het verzet tijdig is gedaan, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 19 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:6). Ook in zoverre faalt het cassatiemiddel.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2022.