Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:498

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-2022
Datum publicatie
19-04-2022
Zaaknummer
21/00828
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2021:293
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:212
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

‘Posbank-zaak’. Medeplegen doodslag en brandstichting in 2003. 1. Post-Keskin. Afwijzing van ttz. in h.b. gedaan verzoek tot horen van getuige die in natuurgebied de Posbank iemand op de grond heeft zien liggen en zag dat er twee personen liepen. Getuige à charge of à décharge? 2. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Kon hof duur van gijzeling op 365 dagen bepalen?

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2017:1015 m.b.t. motiveringseisen aan getuigenverzoeken en HR:2021:576 (post-Keskin) m.b.t. beoordeling van getuigenverzoeken door feitenrechter in situatie dat verzoek betrekking heeft op getuige t.a.v. wie verdediging ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl getuige al (in vooronderzoek of anderszins) belastende verklaring heeft afgelegd. Verdediging heeft aan getuigenverzoek ten grondslag gelegd dat zij getuige wenst te bevragen over (i) het feit dat getuige volgens artikel in tijdschrift had verklaard dat hij toenmalige medeverdachte bij behandeling van zaak in eerste aanleg ttz. heeft herkend en niet een dergelijke uitlating over verdachte heeft gedaan, en (ii) totstandkoming van een compositietekening waaraan getuige heeft meegewerkt. ’s Hofs kennelijke oordeel dat dit verzoek niet is gericht op het horen van getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring zoals die door rechter voor bewijs van tlgd. feiten zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt, waarvoor zou gelden dat geen nadere onderbouwing van het belang bij oproepen en horen van betreffende persoon mag worden verlangd, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. HR neemt daarbij in aanmerking dat hof de bij alarmcentrale binnengekomen melding en verklaring van getuige over wat hij in het natuurgebied de Posbank heeft waargenomen, uitsluitend voor bewijs van tlgd. feiten heeft gebruikt v.zv. melding en verklaring inhouden dat getuige langs parkeerplaats in natuurgebied de Posbank fietste, daar op de grond iemand in een wit shirt met een grote rode plek op zijn rug heeft zien liggen, dat hij zag dat er 2 personen liepen en dat hij via alarmnummer 112 de politie op de hoogte heeft gesteld van zijn vermoeden dat hij getuige was van misdrijf. Deze door hof aan verklaring van getuige ontleende feiten en/of omstandigheden, die op zichzelf geen betrekking hebben op betrokkenheid van verdachte bij tlgd. feiten en/of omstandigheden waarover verdediging de getuige wenst te (doen) ondervragen, zijn door verdediging niet betwist. In deze situatie geldt dus de in HR:2017:1015 neergelegde regel dat verzoek tot oproepen en horen van getuigen door verdediging moet worden gemotiveerd. HR:2021:576 heeft daarin geen verandering gebracht. Hof heeft verzoek tot horen van getuige afgewezen op de grond dat noodzaak daartoe niet is gebleken. Hieraan heeft hof in de kern ten grondslag gelegd dat getuige in politieonderzoek algemene en weinig onderscheidende signalementen heeft gegeven die niet voor het bewijs zullen worden gebruikt, en dat ook overigens gelet op aard van die signalementen en wat verdediging aan verzoek ten grondslag heeft gelegd, het stellen van vragen over herkenning van medeverdachte, het al dan niet herkennen van verdachte en totstandkoming van compositietekening van geen belang is voor door hof te nemen beslissingen. In aanmerking genomen wat verdediging ter onderbouwing van getuigenverzoek heeft aangevoerd, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte schadevergoedingsmaatregel opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 364 dagen gijzeling. O.g.v. art. 36f.5 Sr bepaalt rechter bij oplegging van maatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2021:812). HR zal zelf duur van gijzeling aldus verminderen dat is voldaan aan wettelijk bepaald maximum van 1 jaar.

Volgt verwerping. Vervolg op HR:2019:1983.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2022-0087
NJB 2022/983
RvdW 2022/484
JIN 2022/133 met annotatie van Briejer, A.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/00828

Datum 19 april 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 februari 2021, nummer 22-000116-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] de duur van de gijzeling is bepaald op ten hoogste 365 dagen, tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast voor de duur van ten hoogste een jaar, en tot verwerping het beroep voor het overige.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van [betrokkene] als getuige ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1. meer subsidiair

hij op 20 januari 2003 te Rheden tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en verdachtes mededader met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels in/door het lichaam van die [slachtoffer 2] hebben geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

2.

hij op 20 januari 2003 te Erp, gemeente Veghel, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk een brandbare (vloei)stof (benzine) heeft gesprenkeld en/of gegoten in/rondom/over een auto (Opel Omega met kenteken [kenteken] ) en vervolgens opzettelijk (open) vuur in aanraking heeft gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“6. Een proces-verbaal meldingen meldkamer d.d. 14 maart 2003 van de politieregio Gelderland-Midden met nr. 140320031132. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 298):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Wij hebben geluidsopnames en documenten verkregen in verband met het misdrijf gepleegd op [slachtoffer 2] .

112 alarmcentrale meldkamer Korps Landelijke Politiedienst te Driebergen. Maandag 20 januari 2003 te 17:02:42 uur.

[betrokkene] : Ja, ik wil onmiddellijk de politie. Ik ben getuige van een misdrijf.

NN vrouw: In welke plaats?

[betrokkene] : In Rheden: (...)

NN vrouw: Ik verbind u door meneer, blijf aan de lijn.”

(...)

7. Een proces-verbaal melding misdrijf d.d. 5 februari 2003 van de politieregio Gelderland-Midden met nr. 050220031201. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 295 en 296):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 2 februari 2003 werd mij een diskette ter hand gesteld waarop enkele digitale bestanden waren gekopieerd. Deze bestanden betreffen opnames van gesprekken die werden gevoerd door personeel van de Centrale Meldkamer Gelderland-Midden naar aanleiding van een vermoedelijk gepleegd misdrijf op 20 januari 2003.

Het eerste bestand betreft een gesprek tussen melder [betrokkene] en personeel van de meldkamer.

H: U spreekt met uh... [betrokkene] . Ik ben getuige van een misdrijf. Ik ben over de Posbank met mijn mountainbike aan het fietsen, vlakbij Paviljoen de Posbank en van daaraf uh.. ga ik uh.. richting uh.. (...) Zypendaalseweg. Uh.. Op een gegeven moment krijg je de uh.. krijg je een uh.. splitsing uh.. naar rechts. Daar kan je heen naar Laag Soeren. Daar is een kleine parkeerplaats. Daar zag ik iemand liggen in een wit shirt met een hele grote rooie plek en daar liepen twee mannen, die liepen eigenlijk weg en ik heb maar gedaan of ik het niet zag. Uh.. en ik ben hier maar even gestopt in het bos, want ik ben bang dat er uh.. sprake is van een misdrijf.

C: D’r liep iemand met een wit shirt met uh.. een grote rooie vlek.

H: Ja, die lag op de grond en d’r liepen twee andere mensen bij. (...)

C: En die andere twee?

H: Ja, die liepen eigenlijk heel rustig weg. (...) Ja, ’t is echt een rooie plek op z’n rug, dus ik ben bang dat er (...) of op gestoken is of geschoten.

8: Een proces-verbaal van verhoor d.d. 21 januari 2003 van de politie district Arnhem Veluwezoom met nr. PL0789/03-011685. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 332 en 333):

als de op 21 januari 2003 afgelegde verklaring van [betrokkene] :

Op 20 januari 2003 besloot ik om een stuk te gaan fietsen. Meestal rijd ik een route in en om de Posbank. Ik reed richting het restaurant bovenop de Posbank. Ik denk dat het ongeveer 16.45 uur was toen ik bij dit restaurant arriveerde. Het was erg rustig op de Posbank. Voorbij het restaurant reed ik over de weg in de richting van de Burgemeester Bloemersweg. Ik denk dat ik ongeveer 300 meter over dit fietspad reed toen ik rechts van mij iets wits in het bos zag liggen. Dat witte viel mij op. Al rijdende zag ik dus iets wits met rood liggen op de grond. Ik kreeg een raar gevoel en dacht: hier is iets niet goed. Ik reed ongeveer 10 meter door en toen zag ik ook weer rechts van mij op een open plek twee personen lopen. Beide personen zag ik rustig lopen in de richting van de Burgemeester Bloemersweg. Ik zag de personen in de richting van de auto lopen. Ik keek naar rechts en zag dat het witte een mens was. Ik zag dat deze persoon was gekleed in een wit shirt en midden op de rug zag ik een rode plek van ongeveer 30 centimeter. Ik fietste een stuk door en besloot de politie te bellen. Na ongeveer 200 meter heb ik de politie gebeld via 112. Ik moet u zeggen dat ik niet gestopt ben toen ik de persoon in het bos zag liggen. Ik ben achter een boom gaan zitten en had vanaf die plaats goed zicht op de openbare weg. Ik heb daar ongeveer 5 minuten gezeten. In die tijd is er geen auto voorbij gereden. Na ongeveer 5 minuten ben ik terug gefietst naar de parkeerplaats. Op de parkeerplaats, zag ik toen geen auto en geen personen meer. Ook zag ik niemand op de grond liggen.”

2.2.3

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder onder meer het volgende overwogen:

“De feiten
Op 20 januari 2003 is bij de alarmcentrale van de politie een melding van een misdrijf binnengekomen. Het misdrijf zou hebben plaatsgevonden op de parkeerplaats Bloemers in het natuurgebied de Posbank in de gemeente Rheden. De melder, [betrokkene] , had gezien toen hij op zijn fiets langs de parkeerplaats reed, dat er iemand op de grond in een wit shirt met een hele grote rode plek op zijn rug lag en voorts dat er twee personen liepen. Nadat hij ongeveer 200 meter is doorgefietst, heeft hij de politie via het alarmnummer 112 gebeld. Als tijdstip van de melding staat in het dossier 17:02:42 uur genoteerd.

De getuige [betrokkene 24] , destijds werkzaam als faunabeheerder bij Natuurmonumenten in het Nationaal Park Veluwezoom, heeft verklaard dat hij op 20 januari 2003 om 17:00 uur drie “droge, harde knallen” hoorde. Gelet op zijn ervaring met vuurwapens wist hij zeker dat het pistoolschoten waren. De schoten klonken regelmatig na elkaar met een tussenpoos van ongeveer één seconde. Omdat [betrokkene 24] in een hoogzit zat toen hij de schoten hoorde, kon hij goed de richting van de schoten bepalen. Hij trok daartoe denkbeeldig een rechte lijn door het bos. Die lijn liep parallel langs de Burgemeester Bloemersweg en dwars door de parkeerplaats Bloemers.

Op 20 januari 2003 om 19:50 uur werd de vermissing van [slachtoffer 2] gemeld. [slachtoffer 2] zou op die dag vroeg in de middag ergens op de Veluwe, op de Posbank, zijn gaan hardlopen.

Diezelfde dag om 20:22 uur en om 20:25 uur volgden meldingen bij de politie over een brand in de bossen tussen Erp en Gemert. In het bosperceel de Hurkse bossen werd een personenauto aangetroffen die op dat moment in brand stond.

De brandweer kwam 20:36 uur ter plaatse. Om 20:39 uur werd gemeld dat de brandweer de brand meester was.

De auto bleek totaal uitgebrand. Het betrof een groene Opel Omega met het kenteken [kenteken] , die op naam stond van [slachtoffer 2] .

Om 20:42 uur werd door de brandweer contact opgenomen met de meldkamer regiopolitie Brabant Zuidoost en werd meegedeeld dat men sterk het vermoeden had dat er iemand in de uitgebrande auto lag. Korte tijd later werd dat vermoeden bevestigd.

Het lichaam van het slachtoffer lag op de achterbank van de personenauto met daarbij de linkerzijde voorovergebogen met het hoofd achter de bestuurdersstoel. De verbrande resten van de benen van het slachtoffer lagen op de rechterzijde van de achterbank. Om de linkerpols van het slachtoffer werd een polshorloge aangetroffen. Het horloge stond stil op het tijdstip van 20:13 uur. Deze persoon is na een vergelijking van de gebitsgegevens voor en na het overlijden met 100 procent zekerheid geïdentificeerd als [slachtoffer 2] .

Uit het door het NFI opgemaakte sectieverslag betreffende [slachtoffer 2] d.d. 29 januari 2003 bleek dat zijn lichaam sterk was verbrand en deels was verkoold. In het lichaam werd een perforatiekanaal door de voorste borstwand, het hartzakje en het hart aangetroffen. Aan de voorzijde en aan de achterzijde was het hartoppervlak rafelig geperforeerd met een diameter van 9 millimeter. De aard van dit perforatiekanaal past bij een schotkanaal, waarbij een doorschot mogelijk is. Het intreden van de dood is zonder meer te verklaren door de hartperforatie (als gevolg van het bij de sectie gebleken doorschot door het hart) en het bloedverlies dat daardoor is ontstaan. Het is mogelijk dat er meer schotletsels zijn geweest die door de sterke thermische schade aan het lichaam niet meer vastgesteld konden worden.

Door de technische recherche zijn monsters veiliggesteld onder andere vanaf de vloer achter de bestuurdersstoel en vanaf de vloer voor de rechtervoorstoel om nader te onderzoeken of er in de auto brandversnellende middelen waren gebruikt. Uit onderzoek blijkt dat er bij de brand op de plaats delict in Erp brandversnellende middelen, waaronder motorbenzine, zijn aangetroffen.

Op de parkeerplaats Bloemers in de Posbank is op 20 en 21 januari 2003 door de technische recherche onderzoek gedaan op de plaats die door de getuige was aangewezen als de plek waar vermoedelijk een slachtoffer had gelegen. Door middel van luminol-onderzoek is vastgesteld dat zich op deze plek, bloed bevond. De technische recherche heeft monsters veiliggesteld. Uit DNA-onderzoek door het NFI is gebleken dat de DNA-profielen van het onderzochte celmateriaal in de bemonsteringen overeenkomen met het DNA-profiel van [slachtoffer 2] .

Voor het hof staat op grond van deze feiten vast dat [slachtoffer 2] op 20 januari 2003 omstreeks 17:00 uur is doodgeschoten op de Posbank te Rheden en dat zijn lichaam vervolgens in zijn auto naar de bossen bij Erp is vervoerd, waar zijn auto met daarin zijn lichaam is uitgebrand.

Bewijsoverwegingen
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte, samen met een ander, verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood van [slachtoffer 2] en voor de brandstichting. Daartoe overweegt het hof als volgt.

[betrokkene 2] , die inmiddels onherroepelijk is veroordeeld vanwege zijn aandeel bij de gebeurtenissen op de Posbank en in de bossen van Erp, heeft op verschillende momenten verklaringen afgelegd.

Zo heeft hij verklaard dat hij in 2003 door de verdachte is benaderd voor het plegen van een overval op een van de auto's van de meubelzaak [A] . Deze auto's zouden aan het eind van de dag enveloppen met contant geld brengen naar de meubelzaak. Hij heeft verklaard dat zij voor de geplande overval een auto nodig hadden, dat de verdachte en hij op 20 januari 2003 zijn gaan rijden, dat zij op een parkeerplaats kwamen, dat daar een groene auto - een stationwagen - geparkeerd stond en dat zij zijn blijven wachten op de eigenaar van de groene auto. [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte pistolen had meegenomen. Ze hadden beiden een pistool vast. Ook heeft hij verklaard dat ze allebei een mutsje op hadden. Toen er iemand kwam aanlopen die naar de voorkant van de groene auto liep, hebben ze de man aangesproken en hebben geroepen dat zij zijn auto dan wel zijn sleutels wilden. Toen de man met open armen en onder het slaken van een kreet op [betrokkene 2] afkwam, heeft [betrokkene 2] op hem met een pistool geschoten. [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte ook heeft geschoten. Ze hebben de man samen in de groene auto gelegd en zijn achter elkaar van de parkeerplaats weggereden. [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte in de auto van het slachtoffer achter hem aan reed, maar dat de verdachte de lampen van de auto waarin hij reed niet aan had en dat ze aan het einde van de weg waar de huizen beginnen daarom zijn gestopt. Afzonderlijk van elkaar zijn ze vervolgens naar een afgesproken plek op een bospad in de bossen tussen Erp en Gemert gereden. Toen [betrokkene 2] daar aankwam, was de verdachte daar nog niet. [betrokkene 2] heeft daarna de verdachte gebeld met de vraag waar hij bleef. Korte tijd later is de verdachte gearriveerd. [betrokkene 2] heeft verklaard dat de auto in Erp door de verdachte in brand is gestoken.

In de Hurkse bossen in Erp is een muts met het opschrift “Sox” en twee oogopeningen met rafelige randen aangetroffen op een afstand van ruim 15 meter van de uitgebrande Opel Omega. Bij het onderzoek aan deze muts zijn - onder meer - een lichaamshaar en speeksel veiliggesteld. Het haar bevond zich aan de binnenzijde van de muts, evenals het speeksel dat zich bevond aan de binnenzijde van de muts ter hoogte van de mond. Van deze sporen is een DNA-profiel vastgesteld. Dat profiel heeft een match opgeleverd met het DNA van de verdachte.

Uit telefoongegevens is gebleken dat op 20 januari 2003 om 18:28 uur vanaf een zendmast met cell-ID 28871, Brugstraat 13 te Erp, met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is gebeld naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , dat in gebruik was bij de verdachte. [betrokkene 2] had (in ieder geval vanaf 24 januari 2003 - vanaf die datum zijn namelijk gegevens verstrekt -) telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik. De zendmast met cell-ID 28871 is “serving” ofwel het sterkst beschikbaar vanaf de Gemertsedijk/Meerbosweg te Erp, in de omgeving van de plaats delict te Erp (waar de auto in brand is gestoken).

Betrouwbaarheid verklaringen [betrokkene 2]
De raadsvrouw heeft betoogd dat de door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden omdat zijn verklaringen om verschillende redenen onvoldoende betrouwbaar zijn. Zo stelt de verdediging dat de door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen een aaneenschakeling van onwaarschijnlijkheden, tegenstrijdigheden en vaagheden zijn en de verdediging meent dat er terughoudend met het gebruik van zijn verklaringen dient te worden omgegaan. (...)

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 2] voldoende betrouwbaar zijn. [betrokkene 2] heeft op verschillende momenten over de gebeurtenissen op 20 januari 2003 op de Posbank en in de bossen bij Erp bij de politie, bij de rechter-commissaris op 18 mei 2017 en op de terechtzitting in hoger beroep op 25 januari 2021 verklaard. Het hof stelt vast dat de verklaringen van [betrokkene 2] die hij vanaf november 2016 heeft afgelegd in hoofdlijnen consistent zijn gebleven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [betrokkene 2] met zoveel woorden bevestigd hetgeen hij eerder heeft verklaard.

De verklaring van [betrokkene 2] wordt ondersteund door hetgeen [betrokkene 12] op 22 november 2016 tegenover de politie heeft verklaard, namelijk dat [betrokkene 2] haar ‘op de dag erna of dezelfde dag’ (het hof begrijpt: 20 januari 2003) heeft verteld wat er op de Posbank op 20 januari 2003 is gebeurd, wat de aanleiding is geweest, dat zowel hij als de verdachte had geschoten en dat de auto in brand is gestoken. Ook [betrokkene 2] heeft verklaard dat kort nadat het op de Posbank was gebeurd hij het aan [betrokkene 12] heeft verteld.

De verklaringen van [betrokkene 2] worden voorts ondersteund door de verklaringen van de getuigen [betrokkene] , [betrokkene 23] en [betrokkene 24] .

Zo heeft getuige [betrokkene] verklaard dat hij op zijn fiets op 20 januari 2003 op de parkeerplaats Bloemers iemand op de grond heeft zien liggen en twee personen heeft zien lopen.

Getuige [betrokkene 24] heeft verklaard dat hij op 20 januari 2003 om 17:00 uur drie droge, harde knallen heeft gehoord. Gelet op zijn ervaring met vuurwapens wist hij zeker dat het pistoolschoten waren. Hij wist dat het 17:00 uur was, want hij keek direct op zijn horloge. Hij kon vanwege onder andere de hoge ligging van de hoogzit, de richting van waaruit er geschoten werd, goed bepalen. Hij trok daartoe denkbeeldig een rechte lijn door het bos. Die lijn liep parallel langs de Burgemeester Bloemersweg en dwars door de parkeerplaats Bloemers.

De verklaring van [betrokkene 2] dat zij, nadat zij beiden op 20 januari 2003 van de parkeerplaats Bloemers waren weggereden, na ongeveer een kilometer zijn gestopt omdat [betrokkene 2] de verdachte erop wilde wijzen dat de groene auto waarin de verdachte reed geen verlichting aan had, komt overeen met de verklaring van getuige [betrokkene 23] dat hij rond 17:10-17:15 uur een groene Opel Omega met dakdragers heeft gezien op de parkeerplaats aan de Heuvenseweg nabij het bezoekerscentrum te Rheden. Deze parkeerplaats is op korte afstand gelegen van de parkeerplaats Bloemers.

Daarnaast worden de door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen ten aanzien van een door hem gevoerd telefoongesprek op 20 januari 2003 ondersteund door de telefoongegevens. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op die dag nadat hij op de afgesproken plek in het bos bij Erp was aangekomen, heeft gebeld naar de verdachte met de vraag waar hij, de verdachte, bleef.

Door de raadsvrouw is er op gewezen dat uit de stukken zou blijken dat pas vanaf 24 januari 2003 het imeinummer [001] aan [betrokkene 2] te koppelen is en juist niet op 20 januari 2003 en dat derhalve niet kan worden vastgesteld dat [betrokkene 2] degene is geweest die als gebruiker van dit imeinummer op 20 januari 2003 om 18:28:19 uur gebeld heeft naar de gebruiker met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Uit het dossier blijkt dat de historische gegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] zijn opgevraagd over de periode van 1 december 2002 tot en met 18 maart 2003, maar dat ze om een niet verklaarbare reden inderdaad pas geleverd zijn vanaf 24 januari 2003, hetgeen naar het oordeel van het hof niet zonder meer met zich brengt dat dit telefoonnummer op 20 januari 2003 niet zou toebehoren aan [betrokkene 2] . Het hof stelt vast dat er op 20 januari 2003 om 18:28:19 uur met dit nummer is gebeld naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] dat aan de verdachte wordt gekoppeld en dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] daarbij een telefoonmast aanstraalde in de omgeving van de plaats delict te Erp. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij die dag nadat hij was aangekomen op de afgesproken plek op een bospad tussen Erp en Gemert, welke plaats wordt gedekt door de telefoonmast met cell-ID 28871, heeft gebeld met de verdachte. Op grond hiervan, gaat het hof ervan uit dat [betrokkene 2] en niet een ander, degene is geweest die op 20 januari 2003 om 18:28 uur heeft gebeld naar de verdachte.

Het hof acht de verklaringen van [betrokkene 2] op grond van het voorgaande betrouwbaar.”

2.3.1

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2021 gehechte pleitnota heeft de raadsvrouw van de verdachte daar een verzoek gedaan om [betrokkene] als getuige te horen. Dat verzoek houdt het volgende in:

“Ook wenst de verdediging getuige [betrokkene] alsnog te horen:

De verdediging heeft onlangs de beschikking gekregen over een interview in het blad Panorama (bijlage I-eerder toegezonden) waarin [betrokkene] geïnterviewd wordt over zijn aanwezigheid bij de behandeling van deze zaak in Arnhem. Hij zegt expliciet dat hij [betrokkene 2] zou hebben herkend ter terechtzitting. Ten aanzien van cliënt heeft hij een dergelijke uitlating niet gedaan. De verdediging wenst hem hierover te bevragen. Tevens wenst de verdediging deze getuige te bevragen over totstandkoming van een compositietekening waaraan hij jaren geleden heeft meegewerkt naar aanleiding van een interview met journalisten van de Telegraaf. Het signalement van beide mannen komt namelijk niet overeen met het uiterlijk van cliënt. (bijlage II-eerder toegezonden)

De verklaring van [betrokkene] maakt deel uit van de bewijsmiddelen die het hof Arnhem heeft gebruikt ten laste van cliënt. De verdediging meent dat op basis van het arrest Keskin van het EHRM van afgelopen dinsdag 19 januari dit verzoek niet afgewezen kan worden: ik wijs in het bijzonder op overweging 45.

(ii) The right to cross-examine prosecution witnesses

44. As regards the right to the examination of prosecution witnesses, the Court has held that, before an accused can be convicted, all evidence against him must normally be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument. Exceptions to this principle are possible but must not infringe the rights of the defence, which, as a rule, require that the accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him, either when that witness makes his statement or at a later stage of proceedings (see Lucà v. Italy, cited above, § 39, and Al-Khawaja and Tahery v. the United Kingdom [GC], nos. 26766/05 and 22228/06, § 118, ECHR 2011).

45. Contrary to the situation with defence witnesses, the accused is not required to demonstrate the importance of a prosecution witness. In principle, if the prosecution decides that a particular person is a relevant source of information and relies on his or her testimony at the trial, and if the testimony of that witness is used by the court to support a guilty verdict, it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary (see Khodorkovskiy and Lebedev v. Russia, nos. 11082/06 and 13772/05, § 712, 25 July 2013, and Khodorkovskiy and Lebedev v. Russia (no. 2), nos. 51111/07 and 42757/05, § 484, 14 January 2020).”

2.3.2

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2021 gehechte pleitnota heeft de raadsvrouw van de verdachte dit verzoek bij pleidooi als volgt herhaald:

“Ook wenst de verdediging getuige [betrokkene] alsnog te horen: [betrokkene] heeft ooit in een interview gezegd dat hij [betrokkene 2] zou hebben herkend ter terechtzitting in Arnhem terwijl hij zich over cliënt niet al zodanig heeft uitgelaten, hetgeen opmerkelijk is. [betrokkene] is door het Hof Arnhem ten laste van cliënt gebruikt, cliënt meent op basis van het arrest Keskin de ruimte moet worden geboden om hem als getuige te horen zeker nu [betrokkene] de enige getuige is geweest (voor zover de verdediging weet) die iemand op de grond heeft zien liggen en daar personen bij in de buurt heeft gezien.”

2.3.3

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2021 houdt verder onder meer het volgende in:

“De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid tot repliek en voert het woord als volgt:

(...)

Er hoeft geen nader onderzoek meer plaats te vinden. Getuige [betrokkene] is helemaal niet nodig voor het bewijs. Hij belast de verdachte niet. Ik verzoek het hof uitspraak te doen in deze zaak, al dan niet met gebruikmaking van het undercovertraject.

De raadsvrouw van de verdachte krijgt de gelegenheid tot dupliek en voert het woord als volgt:

(...)

De verdediging meent dat [betrokkene] een belangrijke getuige is. Ik laat u een tekening zien van de vermeende dader, die niet overeenkomt met het signalement van mijn cliënt. Ik wil daar vragen over stellen en dat vindt het Openbaar Ministerie dan niet nodig. (...)

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij verklaart het volgende:

(...)

[betrokkene] heeft [betrokkene 2] herkend en mij niet. Hoe cruciaal moet een getuige zijn? Door [betrokkene] zit ik al vier jaar onschuldig vast.”

2.4

Het hof heeft het verzoek tot het horen van de getuige bij eindarrest als volgt afgewezen:

“Horen getuige [betrokkene]

De verdediging heeft verzocht de getuige [betrokkene] te doen horen. Daartoe is aangevoerd dat de getuige [betrokkene] volgens een artikel in het blad Panorama [betrokkene 2] ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland te Arnhem herkende en niet ook de verdachte die daar eveneens aanwezig was. Het hof begrijpt de toelichting van de raadsvrouw aldus dat een (mogelijke) verklaring van [betrokkene] dat hij de verdachte niet herkent hem ontlast. Verder dient [betrokkene] gehoord te worden over de totstandkoming van een compositietekening van twee personen, nu het signalement van beide mannen niet overeenkomt met het uiterlijk van de verdachte.

Het hof overweegt dat de getuige [betrokkene] in het politieonderzoek heeft verklaard dat hij twee mannen heeft gezien bij de plaats delict op de Posbank. Hij heeft van hen algemene en weinig onderscheidende signalementen gegeven. Geen van de signalementen van de beide mannen zal door het hof tot het bewijs gebezigd worden. De door een op de terechtzitting in eerste aanleg aanwezige journalist opgetekende herkenning door deze getuige van de (destijds) medeverdachte [betrokkene 2] - 14 jaar na de dood van [slachtoffer 2] op de Posbank - leidt niet tot noodzaak thans deze getuige te vragen of hij de verdachte herkent. Het hof acht verder de door de getuige opgegeven signalementen dermate vaag en soms onderling tegenstrijdig dat de beantwoording van de vraag of hij de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg al dan niet heeft herkend of thans na 18 jaar al dan niet herkent irrelevant is. De verdediging is door het niet horen van [betrokkene] niet in haar belangen geschaad. Vragen over de totstandkoming van een compositietekening zijn dermate vaag dat het hof daartoe gelet op de onderbouwing geen noodzaak ziet.”

2.5.1

In zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. Deze motiveringsplicht houdt in dat de verdediging ten aanzien van iedere door haar opgegeven getuige moet toelichten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) te nemen beslissing. Aan dit motiveringsvereiste ligt ten grondslag dat de rechter in staat wordt gesteld de relevantie van het verzoek te beoordelen, mede in het licht van de onderzoeksbevindingen zoals deze zich op het moment van het verzoek in het dossier bevinden.

2.5.2

De uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in de zaak Keskin tegen Nederland (EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16) heeft aanleiding gegeven de eisen met betrekking tot de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen bij te stellen waar het gaat om getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd. In de terminologie van het EHRM betreft het dan ‘prosecution witnesses’ of getuigen à charge. Die bijstelling houdt - kort gezegd en voor zover hier van belang - in dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576).

2.5.3

In deze zaak heeft de verdediging verzocht om [betrokkene] als getuige op te roepen en te horen. Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat de verdediging [betrokkene] wenst te bevragen over (i) het feit dat hij volgens een artikel in het blad Panorama had verklaard dat hij de toenmalige medeverdachte [betrokkene 2] bij de behandeling van deze zaak in eerste aanleg ter terechtzitting heeft herkend en niet een dergelijke uitlating over de verdachte heeft gedaan, en (ii) de totstandkoming van een compositietekening waaraan [betrokkene] heeft meegewerkt. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat dit verzoek niet is gericht op het horen van een getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring zoals die door de rechter voor het bewijs van de tenlastegelegde feiten zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt, waarvoor zou gelden dat geen nadere onderbouwing van het belang bij het oproepen en horen van de betreffende persoon mag worden verlangd. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat het hof, in navolging van de rechtbank, de bij de alarmcentrale binnengekomen melding en de verklaring van [betrokkene] over wat hij op 20 januari 2003 in het natuurgebied de Posbank heeft waargenomen, uitsluitend voor het bewijs van de tenlastegelegde feiten heeft gebruikt voor zover de melding en de verklaring - kort gezegd - inhouden dat [betrokkene] op 20 januari 2003 langs de parkeerplaats Bloemers in het natuurgebied de Posbank fietste, daar op de grond iemand in een wit shirt met een grote rode plek op zijn rug heeft zien liggen, dat hij zag dat er twee personen liepen en dat hij via het alarmnummer 112 de politie op de hoogte heeft gesteld van zijn vermoeden dat hij getuige was van een misdrijf. Deze door het hof aan de verklaring van [betrokkene] ontleende feiten en omstandigheden, die op zichzelf geen betrekking hebben op de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten en/of omstandigheden waarover de verdediging [betrokkene] wenst te (doen) ondervragen, zijn door de verdediging niet betwist.

2.5.4

In deze situatie geldt dus de in het hiervoor genoemde arrest van 4 juli 2017 neergelegde regel dat het verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. Het arrest van 20 april 2021 heeft daarin geen verandering gebracht.

2.6

Het hof heeft het verzoek tot het horen van [betrokkene] als getuige afgewezen op de grond dat de noodzaak tot het horen van deze getuige niet is gebleken. Aan dat oordeel heeft het hof in de kern ten grondslag gelegd dat [betrokkene] in het politieonderzoek algemene en weinig onderscheidende signalementen heeft gegeven die niet voor het bewijs zullen worden gebruikt, en dat ook overigens gelet op de aard van die signalementen en wat de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, het stellen van vragen aan [betrokkene] over de herkenning van [betrokkene 2] , het al dan niet herkennen van de verdachte en de totstandkoming van de compositietekening van geen belang is voor de door het hof te nemen beslissingen. In het licht van hetgeen onder 2.5 is overwogen en in aanmerking genomen wat de verdediging ter onderbouwing van het getuigenverzoek heeft aangevoerd, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

2.7

Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

4.1

Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer [slachtoffer 1] het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen gijzeling.

4.2

Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812).

4.3

De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer [slachtoffer 1] ;

- bepaalt dat voor zover het hof ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van dit in het arrest genoemde slachtoffer met toepassing van artikel 6:4:20 Sv de gijzeling op 365 dagen heeft bepaald, dient te worden uitgegaan van een gijzeling voor de duur van 360 dagen;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2022.