Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:493

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-04-2022
Datum publicatie
01-04-2022
Zaaknummer
21/03802
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1245
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:GHARL:2021:8488
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Huurrecht. Art. 7:220 BW. Vergoeding van verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie. Heeft huurder van woonruimte die tijdens renovatie tijdelijk verblijft in door de verhuurder ter beschikking gestelde, volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning, recht op wettelijke verhuiskostenvergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2022/7, UDH:S&E HW/52424 met annotatie van Wouter Kempe
NJB 2022/873
RvdW 2022/361
JHV 2022/17 met annotatie van Briedé, D.
JIN 2022/88 met annotatie van Kamp, E.E. van der
TvPP 2022, afl. 3, p. 107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/03802

Datum 1 april 2022

PREJUDICIËLE BESLISSING

In de zaak van

1. [verzoeker 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [verzoekster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

APPELLANTEN in hoger beroep,

hierna gezamenlijk: de huurders,

niet verschenen in de prejudiciële procedure,

tegen

STICHTING PORTAAL,
gevestigd te Utrecht,

GEÏNTIMEERDE in hoger beroep,

hierna: de verhuurster,

advocaat in de prejudiciële procedure: P.A. Fruytier.

1. De prejudiciële procedure

Bij tussenarrest in de zaak 200.261.994 van 7 september 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.

De verhuurster heeft schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen zoals vermeld onder 4 van de conclusie.

De advocaat van de verhuurster heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

De prejudiciële vragen stellen aan de orde of een huurder ten laste van de verhuurder recht heeft op de wettelijke minimumbijdrage in verhuis- en inrichtingskosten, indien de huurder tijdens een renovatie van de woning verblijft in een door de verhuurder ter beschikking gestelde, volledig ingerichte en gestoffeerde ‘wisselwoning’.

2.2

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:

(i) De huurders huren van de verhuurster een woning in een flatgebouw.

(ii) De verhuurster heeft aangekondigd groot onderhoud en renovatiewerkzaamheden te willen uitvoeren in een aantal flatgebouwen, waaronder het flatgebouw waarin de woning van de huurders is gelegen.

(iii) De renovatiewerkzaamheden omvatten onder meer het aanbrengen van een lift per flat, wijziging van de entree, wijziging van de elektrische installatie, wijziging van de verwarmingsinstallatie en energiebesparende maatregelen bestaande uit het isoleren van gevels, daken en glas. De renovatiewerkzaamheden worden gecombineerd met het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden.

(iv) De werkzaamheden in het complex waarin de huurders wonen, zijn begin 2015 aangevangen. In het najaar van 2015 hebben de werkzaamheden in de woning van de huurders plaatsgevonden. De huurders hebben gedurende een periode van zes weken verbleven in een volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning, die door de verhuurster ter beschikking was gesteld.

(v) In maart 2016 heeft de verhuurster aan alle huurders een financiële vergoeding toegekend van € 400,-- wegens de uitloop van de werkzaamheden en als tegemoetkoming in de onkosten die de bewoners hebben gemaakt.

2.3

In deze procedure vorderen de huurders, voor zover voor de beantwoording van de prejudiciële vragen van belang, de verhuurster te veroordelen tot betaling van € 5.910,--, zijnde de minimumbijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten in de zin van art. 7:220 lid 6 BW.

2.4

De kantonrechter heeft de vordering van de huurders afgewezen.

2.5

Het hof heeft in een eerste tussenarrest1 onder meer het volgende overwogen.

Het renovatievoorstel van de verhuurster was redelijk in de zin van art. 7:220 lid 3 BW. (rov. 4.4 en 4.5)

Wegens de persoonlijke omstandigheden van de huurders was het voor de huurders noodzakelijk de woning tijdens de renovatiewerkzaamheden te verlaten. (rov. 4.13-4.15)

De verhuurster heeft aan de huurders een volledig gestoffeerde en ingerichte woning ter beschikking gesteld. De huurders hebben een wieg en wat persoonlijke spullen meegenomen naar de wisselwoning en daar vitrages opgehangen. De huurders hebben niet onderbouwd dat ze inrichtingskosten hebben gemaakt bij terugkeer naar de gehuurde woning. (rov. 4.16)

2.6

Het hof heeft in een tweede tussenarrest2 de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

1. Moet een tijdelijke intrek in een door de verhuurder ter beschikking gestelde, volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning, worden aangemerkt als een verhuizing, zoals bedoeld in art. 7:220 lid 5 BW?

2. Is het antwoord op vraag 1. mogelijk anders als in combinatie met de onder 1 geschetste situatie de woning ten behoeve van de renovatiewerkzaamheden volledig of grotendeels ontruimd moet worden?

3. Maakt het bij de beantwoording van de onder 2. vermelde vraag nog verschil of de inboedel wordt opgeslagen in een door de verhuurder op diens kosten ter beschikking gestelde opslagruimte?

4. En maakt het bij de beantwoording van vraag 3. nog verschil of de kosten van verplaatsing van de inboedel (naar die opslagruimte en terug naar de woning) voor rekening van de verhuurder komen?

5. Maakt het bij de beantwoording van de onder 1. vermelde vraag nog verschil of de huurder bij terugkeer in de gerenoveerde woning als gevolg van de renovatiewerkzaamheden herinrichtingskosten in de eigen woning heeft moeten maken? Hieronder wordt niet begrepen herstel van schade, maar herinrichtingskosten die noodzakelijk zijn als gevolg van de renovatiewerkzaamheden, bijvoorbeeld bij een gewijzigde maatvoering van gerenoveerde kozijnen.

6. Zijn er nog andere factoren die meegewogen moeten worden bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een verhuizing, als bedoeld in art. 7:220 lid 5 BW?

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen

Inleiding

3.1.1 Het hof heeft in zijn eerste tussenarrest overwogen dat de veroudering van de woningvoorraad meebrengt dat periodiek renovaties nodig zijn en dat verhuurders, in het bijzonder woningcorporaties, voor de taak staan de door hen verhuurde woningen te verduurzamen. Daarom zullen ook de komende jaren veel renovatiewerkzaamheden in wooncomplexen plaatsvinden.

3.1.2 De verhuurster heeft in haar schriftelijke opmerkingen uiteengezet dat zij en andere woningcorporaties met het oog op deze grootschalige renovatiewerkzaamheden gebruikmaken van volledig ingerichte wisselwoningen, teneinde de renovatie van de woningvoorraad gefaseerd uit te voeren en kosten te besparen.

Rechten en verplichtingen van de huurder in geval van renovatie (art. 7:220 BW)

3.2.1 Indien een verhuurder gedurende de huurtijd met voortzetting van de huurovereenkomst wil overgaan tot renovatie van de gebouwde onroerende zaak waarop die overeenkomst betrekking heeft, en daartoe aan de huurder een redelijk voorstel doet, moet de huurder daartoe gelegenheid geven. Deze verplichting van de huurder om een renovatie te gedogen, laat onverlet de aanspraken van de huurder op vermindering van de huurprijs, ontbinding van de huurovereenkomst en schadevergoeding. Zie voor het voorgaande art. 7:220 lid 2 in verbinding met lid 1 BW. Bij renovatie, evenals bij onderhoudswerkzaamheden, kan de huurder, indien sprake is van een gebrek in de zin van art. 7:204 BW, op de voet van de art. 7:207 en 7:208 BW aanspraak maken op huurvermindering en/of vergoeding van eventuele daarmee gepaard gaande kosten of schade.3 Een vergoeding voor de door de huurder te ondervinden overlast en eventuele schade verdient een plaats in het renovatievoorstel van de verhuurder.4 De rechter beslist in voorkomende gevallen of een renovatievoorstel redelijk is.5 Indien het gaat om een renovatie van ten minste tien woningen of bedrijfsruimten die een bouwkundige eenheid vormen, wordt het voorstel vermoed redelijk te zijn wanneer ten minste 70% van de huurders met het voorstel heeft ingestemd (art. 7:220 lid 3 BW).

3.2.2 Onder renovatie wordt zowel sloop met vervangende nieuwbouw als gedeeltelijke vernieuwing door verandering of toevoeging verstaan (art. 7:220 lid 2 BW). Renovatie in de hier bedoelde zin wordt, anders dan onderhoud, geacht te leiden tot een toename van het woongenot als gevolg van de vervangende nieuwbouw dan wel als gevolg van de gedeeltelijke vernieuwing van de bestaande woning door middel van een verandering of toevoeging.6

3.2.3 Indien verhuizing noodzakelijk is in verband met de renovatie draagt de verhuurder van woonruimte bij in de kosten die de verhuizing voor de huurder meebrengt (art. 7:220 lid 5 BW). Als verhuizing noodzakelijk is, niet wegens een renovatie, maar wegens dringende werkzaamheden in de zin van art. 7:220 lid 1 BW, heeft de huurder aanspraak op vergoeding van de verhuiskosten indien sprake is van een gebrek in de zin van art. 7:204 BW.7

3.2.4 De minimumbijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten voor de huurders van zelfstandige woningen en woonwagens en standplaatsen (hierna: de minimumbijdrage) wordt bij ministeriële regeling vastgesteld en wordt jaarlijks geïndexeerd (art. 7:220 lid 6 BW).8 Deze minimumbijdrage was ten tijde van de renovatie in de onderhavige zaak € 5.910,--. Eventuele door de gemeente aan de huurder te verstrekken bijdragen of vergoedingen voor verhuis- of inrichtingskosten kan de verhuurder in mindering brengen op de hoogte van de minimumbijdrage (art. 7:220 lid 7 BW).

3.2.5 De omvang van de minimumbijdrage is gebaseerd op het rapport “Berekening verhuiskosten bij renovaties” van het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) van juni 2002.9Dat rapport bevat een benadering van de kosten verbonden aan het verhuizen naar en het inrichten van een nieuwe woning. Als kosten neemt het rapport in aanmerking de kosten van verhuizing van de inboedel en van vloerbedekking, stoffering, schilderwerk en overige kosten zoals aansluitkosten voor diverse nutsvoorzieningen.

3.2.6 De minimumbijdrage geldt bij een verhuizing die noodzakelijk is. Blijkens de parlementaire geschiedenis10 is die noodzaak er als de werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd terwijl de huurder in de woning blijft wonen. Niet enkel de aard en omvang van de werkzaamheden is daarbij bepalend. Denkbaar is dat, zoals in het onderhavige geval, de werkzaamheden het voor de meeste huurders niet noodzakelijk maken het gehuurde tijdelijk te verlaten, maar het op grond van bijkomende omstandigheden voor een individuele huurder noodzakelijk is het gehuurde tijdens (een deel van) de werkzaamheden te verlaten. Wanneer de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd terwijl de huurder in de woning blijft wonen, maar de huurder niettemin gebruikmaakt van een aanbod van de verhuurder om in een wisselwoning te verblijven, is de verhuiskostenregeling niet van toepassing. De verhuiskostenregeling is evenmin van toepassing als de huurder tijdens een renovatie in de woning blijft wonen.

3.2.7 Uit de parlementaire geschiedenis kan daarnaast worden afgeleid dat – indien sprake is van een noodzaak tot verhuizing in de zin van art. 7:220 lid 5 BW – de huurder éénmaal recht heeft op de minimumbijdrage, ongeacht hoe lang het verblijf elders duurt en ongeacht of de huurder na de renovatie terugkeert in de gerenoveerde woning, en dat de vergoeding een forfaitair karakter heeft, zodat de huurder recht heeft op de minimumbijdrage, ook indien de huurder geen of minder kosten maakt. Heeft de huurder meer kosten gemaakt, dan komt het meerdere boven de minimumbijdrage voor vergoeding in aanmerking op de voet van art. 7:220 lid 1 BW.11

3.2.8 De wettelijke regeling van de verhuiskostenvergoeding bij renovatie van woonruimte is van dwingendrechtelijke aard.12 Dit brengt mee dat partijen hiervan niet kunnen afwijken. Evenmin kan een huurder afstand doen van zijn uit art. 7:220 leden 5 en 6 BW voortvloeiende rechten door aanvaarding van een redelijk voorstel van de verhuurder tot uitvoering van renovatiewerkzaamheden zoals bedoeld in art. 7:220 lid 2 BW, dan wel door middel van een uitdrukkelijk in het renovatievoorstel opgenomen bepaling.13

Aanspraak op de minimumbijdrage in geval van tijdelijk verblijf in een wisselwoning?

3.3.1 Uit hetgeen hiervoor in 3.2.6-3.2.8 is overwogen, blijkt dat in de parlementaire geschiedenis aan de orde is geweest in welke gevallen sprake is van een noodzaak tot verhuizing en dat de minimumbijdrage een forfaitair karakter heeft. De parlementaire geschiedenis biedt geen duidelijk aanknopingspunt voor de beantwoording van de vraag of ook aanspraak op de minimumbijdrage bestaat indien de verhuurder aan de huurder die het gehuurde tijdelijk moet verlaten, een volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning ter beschikking stelt.

3.3.2 De strekking van de wettelijke regeling van de verhuiskostenvergoeding is dat de huurder schadeloos wordt gesteld voor de kosten die hij wegens verhuizing moet maken omdat hij tijdens de renovatie niet in het gehuurde kan blijven wonen. In lijn daarmee is het bedrag van de minimumbijdrage gebaseerd op daaraan in het normale geval gerelateerde kosten, zoals die van verplaatsing van de inboedel, stoffering, schilderwerk en aansluiting op nutsvoorzieningen (zie hiervoor in 3.2.5). Het forfaitaire karakter van de minimumbijdrage dient de rechtszekerheid en heeft ten doel om geschillen tussen verhuurder en huurder over de daadwerkelijk gemaakte kosten zoveel mogelijk te vermijden. Met het aanbod om tijdens de renovatie te verblijven in een door de verhuurder ter beschikking gestelde, volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning, biedt de verhuurder aan de huurder evenwel juist de gelegenheid om dergelijke kosten te voorkomen.

3.3.3 In het licht van het bovenstaande brengt een redelijke wetsuitleg mee dat een huurder van zelfstandige woonruimte die tijdens een renovatie het gehuurde moet verlaten en tijdelijk verblijft in een door de verhuurder ter beschikking gestelde, volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning, geen aanspraak kan maken op de minimumbijdrage. Dat geldt ook indien de verhuurder daartoe een redelijk aanbod heeft gedaan (zie hierna in 3.3.4), maar de huurder dit aanbod niet heeft aanvaard. In die gevallen heeft de verhuurder immers, door het ter beschikking stellen van een volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning, een redelijke en passende voorziening getroffen die meebrengt dat de huurder zelf geen verhuis- en herinrichtingskosten behoeft te maken. Dat geval kan daarom niet op een lijn worden gesteld met de situatie dat de verhuurder niet een zodanige voorziening treft en de huurder die het gehuurde wegens een renovatie moet verlaten niettemin geen verhuis- en inrichtingskosten maakt of minder kosten dan de minimumbijdrage. In die situatie brengt de dwingendrechtelijke aard van de regeling van de verhuiskostenvergoeding en het forfaitaire karakter van de minimumbijdrage mee, dat de huurder ten minste daarop aanspraak heeft, ongeacht de daadwerkelijk gemaakte kosten.

Voor zover een tijdelijk verblijf in een wisselwoning toch gepaard gaat met kosten voor de huurder, zoals vervoers- en opslagkosten met betrekking tot (een gedeelte van) de inboedel en herinrichtingskosten bij terugkeer in de gerenoveerde woning, volgt uit art. 7:220 lid 2 BW dat de huurder in beginsel aanspraak kan maken op vergoeding van die kosten (zie hiervoor in 3.2.1).

3.3.4 Het ligt op de weg van de verhuurder om in voorkomend geval in het renovatievoorstel als bedoeld in art. 7:220 lid 2 BW een concreet aanbod te doen met betrekking tot het tijdelijke verblijf in een volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning en de vergoeding van eventuele kosten die daarmee gepaard kunnen gaan. Omdat de noodzaak van verhuizing afhankelijk kan zijn van de persoonlijke omstandigheden van de huurder, hoeft dat voorstel niet voor iedere huurder in een te renoveren complex hetzelfde te zijn en kunnen tussen de huurder en de verhuurder nadere afspraken worden gemaakt, rekening houdend met die omstandigheden. Of de aangeboden wisselwoning een redelijke en passende voorziening is, hangt onder meer af van de ligging en kwaliteit van de wisselwoning, de duur van het verblijf in de wisselwoning, de vraag of enig deel van de inboedel moet worden verplaatst en de persoonlijke omstandigheden van de huurder. Indien de aangeboden wisselwoning geen redelijke en passende voorziening is, heeft de huurder aanspraak op de minimumbijdrage.

Beantwoording prejudiciële vragen

3.4.1 Op grond van het voorgaande, dienen de prejudiciële vragen als volgt te worden beantwoord.

3.4.2 Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag is dat een huurder van zelfstandige woonruimte die tijdens een renovatie het gehuurde moet verlaten en tijdelijk verblijft in een door de verhuurder ter beschikking gestelde, volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning, geen aanspraak heeft op de minimumbijdrage als bedoeld in art. 7:220 lid 6 BW. Dat geldt ook als de huurder geen gebruik maakt van de door de verhuurder aangeboden wisselwoning, indien die woning in de gegeven omstandigheden een redelijke en passende voorziening is.

3.4.3 De tweede tot en met vijfde vraag dienen ontkennend te worden beantwoord. De in die vragen bedoelde kosten van de huurder, die gepaard kunnen gaan met een tijdelijk verblijf in een wisselwoning of gemaakt worden bij terugkeer in de gerenoveerde woning, moet de verhuurder in beginsel vergoeden op de voet van art. 7:220 lid 2 in verbinding met art. 7:208 BW.

3.4.4 De zesde prejudiciële vraag leent zich niet voor beantwoording.

4 Beslissing

De Hoge Raad: - beantwoordt de vragen 1 tot en met 5 op de hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 weergegeven wijze;

- ziet af van beantwoording van vraag 6; - begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op nihil aan de zijde van de huurders en op € 1.800,-- aan de zijde van de verhuurster.

Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 1 april 2022.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6124.

2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8488.

3 Kamerstukken II 1997/98, 26089, nr. 3, p. 30 en Kamerstukken II 2007/08, 31528, nr. 3, p. 3.

4 Kamerstukken II 2007/08, 31528, nr. 3, p. 4-5.

5 Kamerstukken II 2007/08, 31528, nr. 3, p. 4.

6 HR 24 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726, rov. 3.4.2.

7 Kamerstukken II 2008/09, 31528, nr. 7 p. 6-7; vgl. HR 24 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726, rov. 3.4.3.

8 Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie, Stcrt. 26 februari 2010, nr. 2982.

9 Zie de Nota van Toelichting bij het Besluit van 22 april 2005 tot wijziging van het Besluit beheer sociale-huursector (verplichte verhuiskostenvergoeding bij renovatie en enkele kleine wijzigingen), Stb. 2005, 215, p. 4.

10 Kamerstukken II 2007/08, 31528, nr. 3, p. 4.

11 Kamerstukken II 2007/08, 31528, nr. 3, p. 4, Kamerstukken I 2009/10, 31528, nr. C, p. 3.

12 HR 24 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726, rov. 3.6.4.

13 HR 24 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726, rov. 3.6.4 en 3.6.1.