Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:395

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-03-2022
Datum publicatie
18-03-2022
Zaaknummer
21/02894
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1229, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2021:1105, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familie- en jeugdrecht. Procesrecht. Machtiging tot uithuisplaatsing. Machtiging is niet binnen drie maanden ten uitvoer gelegd waardoor deze is vervallen (art. 1:265 lid 3 BW). Voldoende belang bij beoordeling in hoger beroep? Art. 8 EVRM. Moest hof gevolg geven aan op de voet van art. 810a lid 2 Rv gedaan verzoek tot deskundigenonderzoek?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/753
RvdW 2022/302
NJ 2022/134
JIN 2022/64 met annotatie van Winthagen, M.B.
RBP 2022/37
RFR 2022/81
JPF 2022/73 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
FJR 2022/59.12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/02894

Datum 18 maart 2022

BESCHIKKING

In de zaak van

[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: de moeder,

advocaat: A.H. Vermeulen,

tegen

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
kantoorhoudende te Helmond,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: de GI,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar;

a. de beschikking in de zaak C/01/363892 / JE RK 20-1605 van de rechtbank Oost-Brabant van 11 december 2020;

b. de beschikking in de zaken 200.288.217/01 en 200.288.217/02 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 april 2021.

De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan deze beschikking gehecht.

De GI heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de moeder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Uit het huwelijk van de moeder zijn twee kinderen geboren, in 2008 en 2013. Dat huwelijk is inmiddels door echtscheiding ontbonden.

(ii) De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.

(iii) De kinderen staan sinds 2019 onder toezicht van de GI.

2.2

De rechtbank heeft bij beschikking van 11 december 2020 aan de GI machtiging verleend om de kinderen uit huis te plaatsen.

2.3

De moeder heeft op 6 januari 2021 tegen de beschikking van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

2.4

Het hof1 heeft vastgesteld dat de GI de machtiging niet binnen drie maanden ten uitvoer heeft gelegd en dat de machtiging daarom ingevolge art. 1:265c lid 3 BW is vervallen (rov. 3.5). Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de moeder geen belang heeft bij het hoger beroep en op grond daarvan de verzoeken van de moeder in hoger beroep afgewezen. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

“3.7. (…) Op grond van artikel 3:303 [BW] komt zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe.

Aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, dient zijn procesbelang niet te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold, inmiddels is verstreken (HR 24 juni 2011, NJ 2011, 390). In het verlengde hiervan wordt ook in zaken waarin een ouder opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind aangenomen dat deze ouder, gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort aan deze ouder mitsdien niet zijn of haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken (HR 14 oktober 2011, NJ 2011, 596).

3.7.1.

Het hof is van oordeel dat de situatie in de onderhavige procedure afwijkt van de hiervoor door de Hoge Raad geschetste lijn, nu in deze situatie de machtiging tot uithuisplaatsing niet ten uitvoer is gelegd en ook niet meer ten uitvoer kan worden gelegd, waardoor geen inbreuk is (of kan worden) gemaakt op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven van de moeder en zij aldus in beginsel geen rechtens relevant belang heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen. (…) Dit zou mogelijk anders kunnen zijn indien bijkomende omstandigheden worden gesteld en onderbouwd die een schending van art. 8 EVRM aannemelijk maken. De enkele stelling echter van de moeder dat tijdens de periode van drie maanden de dreiging van een daadwerkelijke uithuisplaatsing van de kinderen steeds boven haar hoofd heeft gehangen, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat inbreuk is gemaakt op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezins- en privéleven van de moeder. Andere bijkomende of bijzondere omstandigheden die maken dat de gevolgen van de bestreden beschikking een schending hebben opgeleverd van haar private life of family life met de kinderen zijn door de moeder niet gesteld. Evenmin is gesteld of gebleken dat de moeder gedurende die periode meer beperkingen op de uitoefening van haar gezag heeft ervaren dan die reeds golden op basis van de ondertoezichtstelling. Voor zover de moeder heeft betoogd dat zij toch een belang heeft nu de GI inmiddels opnieuw een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing heeft ingediend bij de rechtbank en de rechtbank deze machtiging bij gelijkblijvende omstandigheden zal toekennen, kan dit evenmin een rechtens te respecteren belang opleveren. De rechtbank zal immers een beslissing hebben te nemen met inachtneming van alle op dat moment relevante factoren en omstandigheden die zich nu niet laten overzien en dus ook nu geen basis kunnen vormen voor een beoordeling op dit moment.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep. Het hof zal het hoger beroep van de moeder dan ook afwijzen.”

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

De onderdelen 3.1.1-3.1.5 van het middel klagen in de kern dat onjuist is het oordeel van het hof dat de moeder, zonder bijkomende omstandigheden, geen belang heeft bij het hoger beroep omdat de machtiging tot uithuisplaatsing niet ten uitvoer is gelegd en is vervallen.

De onderdelen 3.2.2, 3.2.3 en 3.3 klagen, in het verlengde hiervan, dat het hof ten onrechte de grieven van de moeder tegen de beslissing van de rechtbank onbesproken heeft gelaten en de zaak niet inhoudelijk heeft beoordeeld.

3.1.2

Indien ten tijde van de uitspraak in hoger beroep de periode is verstreken waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing is gegeven, dient het hof aan de hand van de aangevoerde grieven te beoordelen of de bestreden beslissing terecht is gegeven.2 Dit geldt ook indien, zoals in dit geval aan de orde, de machtiging tot uithuisplaatsing niet binnen de in art. 1:265c lid 3 BW genoemde termijn ten uitvoer is gelegd en daardoor ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is vervallen. De machtiging tot uithuisplaatsing vormt een inmenging in het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, ook indien die machtiging niet ten uitvoer wordt gelegd. Het is immers aannemelijk dat alleen al de in die machtiging besloten liggende dreiging van uithuisplaatsing het gezinsleven verstoort. De ouder heeft daarom ook in dat geval een rechtens relevant belang om in hoger beroep te laten beoordelen of de machtiging terecht is gegeven.3 Daarvoor zijn geen bijkomende omstandigheden vereist.

De hiervoor in 3.1.1 weergegeven klachten slagen dan ook.

3.2.1

Onderdeel 3.3 klaagt voorts dat het hof het subsidiaire verzoek van de moeder om op de voet van art. 810a lid 2 Rv een deskundigenonderzoek te gelasten ten onrechte ongemotiveerd heeft afgewezen. Een dergelijk verzoek betreft immers een essentieel zelfstandig recht van de moeder om tegenover de bevindingen van de GI een eigen deskundigenonderzoek te laten instellen in het kader van het door art. 8 EVRM voorgeschreven equality of arms, aldus het onderdeel.

3.2.2

Bij de hiervoor in 3.1.2 bedoelde beoordeling van de machtiging tot uithuisplaatsing dient het hof uit te gaan van de situatie ten tijde van de beslissing van de rechtbank en van de gegevens waarover de rechtbank beschikte, met inachtneming van het in hoger beroep gevoerde debat. Voor die beoordeling kan mede van belang zijn of de rechtbank een verzoek om een deskundigenonderzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv ten onrechte heeft afgewezen.4

Deze beoordeling brengt evenwel niet mee dat het hof gevolg zou moeten geven aan een in eerste aanleg of in hoger beroep gedaan verzoek tot een deskundigenonderzoek. Een dergelijk onderzoek kan immers niet bijdragen aan de beoordeling of de rechtbank naar de situatie ten tijde van haar beslissing en op basis van de op dat moment beschikbare gegevens terecht de machtiging heeft gegeven.

De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht berust dan ook op een onjuiste rechtsopvatting en kan daarom niet tot cassatie leiden.

3.3

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 april 2021;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 18 maart 2022.

1 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 april 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1105.

2 HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1112, rov. 3.1.2.

3 Vgl. HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151.

4 Vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1112, rov. 3.2.2.