Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:359

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-2022
Datum publicatie
15-03-2022
Zaaknummer
20/03745
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1118
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:3754
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen opzetheling van een (gestolen) auto, art. 416.1.a Sr. Wist verdachte, bijrijder van auto, t.t.v. voorhanden krijgen van auto dat deze door misdrijf was verkregen?

De bewezenverklaring houdt o.m. in dat verdachte t.t.v. voorhanden krijgen van auto ‘wist’ dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Dit onderdeel van de bewezenverklaring kan echter niet z.m. worden afgeleid uit ’s hofs bewijsvoering. ‘s Hofs uitspraak is ten aanzien daarvan dus ontoereikend gemotiveerd.

Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 21/03495 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2022-0055
RvdW 2022/326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/03745

Datum 15 maart 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 november 2020, nummer 23-000188-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S. Weening, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto ‘wist’ dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 31 oktober 2019 te Alkmaar, tezamen en in vereniging een goed, te weten een auto met kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een fotokopie van een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte met nummer PL0900-2019320852-1 van 27 oktober 2019, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , met goederenbijlage [doorgenummerde pagina’s 75-78].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 oktober 2019 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte van diefstal van de auto van mijn partner, een personenauto van het merk Mercedes-Benz, voorzien van kenteken [kenteken] . Op 25 oktober 2019, omstreeks 19:00 uur, heeft mijn man de auto geparkeerd te Bussum op een openbare weg. De auto is afgesloten met de handzender en er is gecontroleerd dat de personenauto was afgesloten. We hebben de lichten van de personenauto zien knipperen. Toen mijn man op 26 oktober 2019 omstreeks 11:00 uur de auto weer in gebruik wilde nemen, zag ik dat deze was weggenomen.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2019211085-2 van 1 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 7 en 8].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:

Op 31 oktober 2019 waren wij in uniform gekleed en met de noodhulptaak belast. Omstreeks 23:29 uur hoorden wij over de mobilofoon in ons voertuig dat er mogelijk een gestolen Mercedes met kenteken [kenteken] over de A9 naar het Kooimeerplein te Alkmaar zou komen. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , zag dat dit voertuig gesignaleerd stond. Wij zagen het voertuig de rotonde van het Kooimeer oprijden. Wij zagen dat het voertuig bij de derde afslag zijn richtingaanwijzer naar rechts aan had staan. Ter hoogte van de afslag zagen wij dat het voertuig linksaf sloeg. Het voertuig stopte voor het verkeerslicht dat op rood stond. Hierop zetten wij ons voertuig schuin voor het voertuig en heb ik samen met collega [verbalisant 4] de bijrijder die later de verdachte [verdachte] bleek te zijn, aangehouden. Ik verbalisant [verbalisant 5] heb samen met collega van [verbalisant 6] de bestuurder, die later de verdachte [medeverdachte] bleek te zijn, aangehouden.

Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] .

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2019211085-10 van 1 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 9 en 10].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:

Wij (eenheid 12.02) hoorden op 31 oktober 2019 via de portofoon dat er een gestolen voertuig over de A9 in de richting van Alkmaar kwam. Wij zijn met een opvallend dienstvoertuig richting verkeersplein Kooimeer gereden. Het voertuig bleek te zijn een Mercedes met kenteken [kenteken] . Ter plaatse hebben wij met eenheid 12.01 positie gepakt op het verkeersplein. Wij zijn met twee dienstvoertuigen achter de Mercedes aangereden. Wij zagen het voertuig op de rotonde in de richting van de Kennemerstraatweg rijden. Wij zagen het voertuig op het laatste moment abrupt van rijrichting veranderen zonder richting aan te geven.

Wij zagen dat het voertuig weer in de rijrichting van de snelweg A9 links stond.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2019211085-22 van 1 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina’s 12 en 13].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 1 november 2019 ben ik naar de cel van verdachte [medeverdachte] gegaan en vroeg hem of hij afstand deed van het voertuig. Ik hoorde hem zeggen dat het niet zijn auto is, maar dat hij wel afstand deed.

Voertuig: personenauto, Mercedes-Benz kenteken [kenteken] .”

2.2.3

Het hof heeft over de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

“Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze van diefstal afkomstig was. Zijn gebruik van het zwijgrecht rechtvaardigt daarnaast niet de conclusie dat de verdachte geen antwoord heeft op de tegen hem gerezen beschuldiging hieromtrent. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken.

Uit de aangifte in het dossier blijkt dat de Mercedes met kenteken [kenteken] in de periode gelegen tussen 25 oktober 2019 om 19:00 uur en 26 oktober 2019 om 11:00 uur is gestolen. Op 31 oktober 2019 rijden de medeverdachte, als bestuurder, en de verdachte, als bijrijder, in deze Mercedes. Toen de auto werd gevolgd door twee opvallende dienstvoertuigen, is deze auto abrupt en onlogisch van richting veranderd. In plaats van rechtsaf te slaan (richting de Kennemerstraatweg/bebouwde kom) waarvoor de auto richting aangaf, werd plots linksaf geslagen, waardoor de auto weer in de richting van de A9 reed, waar hij zojuist vandaan was gekomen.

Bovenstaande feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs van het ten laste gelegde, terwijl de verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. De verdachte heeft zich bij het politieverhoor op zijn zwijgrecht beroepen, terwijl hij zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep niet is verschenen op het onderzoek ter terechtzitting. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in vereniging met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de Mercedes.”

2.3

De bewezenverklaring houdt onder meer in dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto ‘wist’ dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Dit onderdeel van de bewezenverklaring kan echter niet zonder meer worden afgeleid uit de bewijsvoering van het hof. De uitspraak van het hof is ten aanzien daarvan dus ontoereikend gemotiveerd.

2.4

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2022.