Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:349

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-03-2022
Datum publicatie
11-03-2022
Zaaknummer
20/02857
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:841, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:1769, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Recht op informatie over de eigen afstamming als onderdeel van recht op bescherming privéleven (art. 8 EVRM); onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Botsing grondrecht kind om te weten wie zijn biologische vader is met grondrecht vermoedelijke biologische vader om afstamming geheim te houden en om niet onvrijwillig DNA-test te ondergaan. Belangenafweging met als uitgangspunt dat belang kind prevaleert; is het hof op toereikende gronden daarvan afgeweken?

Wetsverwijzingen
Grondwet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/694
PFR-Updates.nl 2022-0064
GZR-Updates.nl 2022-0077
RvdW 2022/297
RAV 2022/33
NJ 2022/169 met annotatie van S.F.M. Wortmann
JIN 2022/82 met annotatie van Dijk, E.A.C. van
RFR 2022/83
JPF 2022/83 met annotatie van Graaf, J.H. de
FJR 2022/59.15
FJR 2022/66.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/02857

Datum 11 maart 2022

ARREST

In de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie,

hierna: [eiser] ,

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [verweerder] ,

advocaat: K. Teuben.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaak C/13/635651 / HA ZA 17-971 van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2018;

  2. het arrest in de zaak 200.246.902/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2020.

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad zoals in de conclusie onder nr. 3.26 is voorgesteld. De advocaat van [verweerder] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiser] is geboren in [geboortedatum] 1968.

(ii) [verweerder] heeft in 1967 gedurende enige tijd een relatie gehad met de moeder van [eiser] (hierna: de moeder).

(iii) De moeder is in maart 1969 gehuwd met een man (hierna: de wettige vader) die niet de biologische vader is van [eiser] .

(iv) [eiser] heeft [verweerder] meermalen verzocht DNA te laten afnemen om te onderzoeken of [verweerder] zijn biologische vader is. [verweerder] heeft hieraan geen medewerking verleend.

2.2

[eiser] vordert in dit geding dat [verweerder] wordt veroordeeld mee te werken aan het laten afnemen van DNA. Daaraan heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat [verweerder] onrechtmatig jegens hem handelt door niet mee te werken aan DNA-onderzoek en dat het grondrecht van [eiser] om zijn familie te leren kennen zwaarder weegt dan het belang van [verweerder] om niet mee te werken. De rechtbank heeft de vordering toegewezen.

2.3

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering alsnog afgewezen. Daartoe heeft het hof, samengevat, het volgende overwogen.

Voldoende aannemelijk is dat [verweerder] de verwekker van [eiser] kan zijn. (rov. 3.6)

Het aan grondrechten als het recht op respect voor het privéleven ten grondslag liggende algemene persoonlijkheidsrecht omvat mede het recht om te weten van welke ouders men afstamt. Dit recht is echter niet absoluut. Het moet wijken voor de rechten en vrijheden van anderen, zoals het eveneens fundamentele, in het recht op respect voor zijn privéleven besloten liggende recht van de potentiële vader om de afstamming verborgen te houden, wanneer dat in het gegeven geval zwaarder weegt. Er zal derhalve een afweging van belangen moeten plaatsvinden. Daarbij dient in beginsel het belang van het kind te prevaleren. Behalve door het vitale belang om te weten van welke ouders men afstamt voor het kind, wordt dit uitgangspunt daardoor gewettigd dat de natuurlijke ouder in de regel mede verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van het kind. De overige omstandigheden van het geval kunnen evenwel meebrengen dat in het specifieke geval het belang van de ouder, in dit geval [verweerder] als de vermoedelijke biologische vader, alsnog zwaarder weegt. (rov. 3.8)

In dit geval weegt het belang van [eiser] niet zwaarder dan de belangen van [verweerder] . [eiser] weet al meer dan veertig jaar dat [verweerder] zijn biologische vader is en had daarover zelf geen twijfel. Voor [eiser] heeft zijn ontstaansgeschiedenis dus geen onduidelijkheid opgeleverd. [eiser] verwacht en wil volgens zijn eigen stellingen niets van [verweerder] . De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is, nu [eiser] door de wettige vader is erkend, niet mogelijk en wordt door [eiser] ook niet beoogd. Voorts is het hebben van contact met [verweerder] niet iets wat [eiser] , volgens zijn stellingen, nastreeft, en ligt toekomstig contact tussen hen ook allerminst in de lijn der verwachting. Hierdoor zal informatie over eventuele mentale of fysieke aandoeningen ook niet zonder meer worden verkregen, nog daargelaten dat [verweerder] heeft weersproken dat de uitslag van het DNA-onderzoek gebruikt mag worden voor het verkrijgen van kennis over mogelijke genetische aanleg voor het een of ander. Het belang van [eiser] is derhalve met name gelegen in het wegnemen van de door [verweerder] door zijn ontkenning van zijn verwekkerschap gecreëerde onzekerheid. Voor zover [eiser] voorts contact wenst met familieleden van [verweerder] , heeft hij al stappen ondernomen om dit te realiseren en contact gelegd met diens zoon(s) en zou het zelfs mogelijk zijn in overleg met hen bloedverwantschap tussen (een van) hen en hemzelf te laten vaststellen.

Hiertegenover staat dat [verweerder] thans op leeftijd is (bijna 80 jaar) en dat de huidige situatie bijzonder stressvol voor hem is en een grote druk op hem legt. [verweerder] is duidelijk in zijn standpunt dat hij met rust wil worden gelaten door [eiser] . De inmenging van [eiser] in zijn persoonlijke leven heeft ertoe geleid dat bij [verweerder] sprake is van een reactieve depressieve stoornis en dat hij zich voor hulpverlening tot een psycholoog heeft moeten wenden. [verweerder] heeft belang bij een rustige oude dag, terwijl [eiser] – ondanks de wetenschap die hij over [verweerder] had – jarenlang de situatie heeft gelaten voor wat zij was, waardoor nu ook de leeftijd van [verweerder] en zijn (mentale) gezondheid gewicht in de schaal leggen. Wegens de grote weerslag die de onderhavige situatie derhalve zowel fysiek als mentaal op [verweerder] heeft, dient thans zijn belang bij het voorkomen van (verdere) inmenging in zijn privéleven zwaarder te wegen dan het belang van [eiser] . Het hof gaat voorbij aan het betoog van [eiser] dat hij de ontkenning van [verweerder] dat hij zijn verwekker is, wil ontkrachten omdat hij niet als leugenaar of oplichter te boek wil staan. Behalve dat [eiser] zelf, ondanks alle weerstand van [verweerder] , is doorgegaan met het benaderen van de omgeving van [verweerder] en met verschillende personen contact heeft gezocht met de mededeling dat hij de zoon is van [verweerder] , betreft dit niet een belang dat van zodanig gewicht is dat de belangenafweging ten gunste van [eiser] uitvalt. Ditzelfde geldt voor zover [eiser] zich beroept op psychische klachten. De huisarts benoemt in een door [eiser] overgelegde verklaring weliswaar dat de door [eiser] ervaren klachten zijns inziens het gevolg zijn van een identiteitsstoornis door de ontkenning van het verwekkerschap door [verweerder] , maar een dergelijke conclusie volgt niet uit de eveneens door [eiser] overgelegde verklaring van een psycholoog. Uit deze verklaring volgt onder meer dat de reden van [eiser] zijn vader te zoeken een medisch aspect heeft (kennis van zijn biologische achtergrond) en een sociaal aspect (contact). Beide aspecten zijn hier aan de orde geweest en worden niet opgelost indien de vordering wordt toegewezen. (rov. 3.11)

Gelet op het voorgaande prevaleert het belang van [verweerder] bij het voorkomen van inmenging in zijn privéleven en zijn welbevinden, en daarmee zijn recht op respect voor zijn privéleven, boven het belang van [eiser] om met volstrekte zekerheid te weten door wie hij is verwekt en zijn daarmee gemoeide welbevinden. Om deze reden kan niet worden gezegd dat [verweerder] , door niet te willen meewerken aan een DNA-onderzoek, jegens [eiser] handelt in strijd met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Van een onrechtmatige daad is geen sprake. (rov. 3.12)

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 2.1 van het middel betoogt onder meer dat uit de rechtspraak van het EHRM en van de Hoge Raad volgt dat bij botsing van het recht op informatie over de eigen afstamming met het recht op privacy van de (vermoedelijke) vader, het eerstbedoelde recht voorgaat. Dit geldt ook in het geval waarin de verlangde medewerking aan de verkrijging van informatie over de eigen afstamming bestaat in medewerking aan DNA-onderzoek, aldus het onderdeel. Het onderdeel klaagt dat hetgeen het hof in rov. 3.8 heeft overwogen weliswaar met die rechtsleer overeenstemt, maar dat de toepassing die het hof daaraan in de daarop volgende overwegingen heeft gegeven, strijdig is met die rechtsleer en tevens onvoldoende begrijpelijk is dan wel ondeugdelijk gemotiveerd.

3.1.2

Het recht op informatie over de eigen (biologische) afstamming is een fundamenteel recht dat wordt beschermd door internationale mensenrechtenverdragen, onder meer door art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), als onderdeel van het recht op bescherming van het privéleven1. De mogelijkheid om informatie te verkrijgen over de eigen afstamming is van belang voor het vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid.2 Het belang bij bescherming van dit recht wordt niet minder, maar neemt veeleer toe naarmate een persoon ouder wordt.3

3.1.3

Tegenover het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, staat het recht van de potentiële ouder om de afstammingsrelatie verborgen te houden, alsmede het recht van een persoon om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen. Die rechten zijn eveneens fundamentele rechten die besloten liggen in het recht op bescherming van het privéleven en die als zodanig eveneens worden beschermd door art. 8 EVRM.4 Indien het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, botst met het recht van de mogelijke ouder om dat verborgen te houden dan wel niet mee te werken aan een DNA-test, moet volgens de rechtspraak van het EHRM door middel van een belangenafweging worden vastgesteld welk van deze rechten prevaleert, waarbij aan de lidstaten een margin of appreciation toekomt.5

3.1.4

Over de onderlinge rangorde tussen enerzijds het recht van een meerderjarig kind om te weten door wie het is verwekt en anderzijds het recht van de moeder om zulks ook tegenover haar kind verborgen te houden, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 april 1994 geoordeeld dat het recht van het kind prevaleert.6 In dat arrest is overwogen dat deze voorrang, behalve door het vitale belang van dit recht voor het kind, daardoor wordt gewettigd dat de moeder in de regel mede verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van dat kind.7 Deze overweging doet evenzeer opgeld in de verhouding tussen een kind en een persoon van wie aannemelijk is dat hij de biologische vader van het kind kan zijn. Daarom heeft ook in die verhouding te gelden dat het recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming voorgaat, ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijke biologische vader af te nemen DNA-test. De – relatief geringe – inbreuk van een DNA-onderzoek op de lichamelijke integriteit van de vermoedelijke biologische vader wordt in een zodanig geval gerechtvaardigd door het zwaarwegende belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is.

3.1.5

Nadat het hof (in rov. 3.8) terecht tot uitgangspunt had genomen dat het belang van het kind dient te prevaleren, heeft het vervolgens (in rov. 3.11-3.12) geoordeeld dat in dit geval het belang van [eiser] niet zwaarder weegt dan de belangen van [verweerder] . De door het hof daartoe in aanmerking genomen omstandigheden komen erop neer dat [eiser] niet een concreet belang heeft bij het verkrijgen van zekerheid omtrent het verwekkerschap van [verweerder] , zoals het verkrijgen van kennis over erfelijke aandoeningen of het tot stand brengen van familiecontact, en dat, mede gezien de gevorderde leeftijd van [verweerder] , het meewerken aan het verkrijgen van die zekerheid belastend voor hem is en de daarmee gepaard gaande inmenging in zijn privéleven een aantasting van zijn welbevinden en gezondheid oplevert. Door op grond van deze omstandigheden tot het oordeel te komen dat het belang van [eiser] niet zwaarder weegt dan dat van [verweerder] , is het hof op ontoereikende gronden afgeweken van het uitgangspunt dat het belang van het kind prevaleert boven dat van de vermoedelijke biologische vader. Het hof heeft miskend dat het belang bij het verkrijgen van informatie over de eigen afstamming in de eerste plaats is gelegen in het kunnen vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid (zie hiervoor in 3.1.2) en dat dit belang als zodanig voorrang heeft boven het belang van de vermoedelijke biologische vader om die informatie niet prijs te geven, ook zonder dat het kind daarbij een concreet belang heeft zoals het belang om informatie te verkrijgen over erfelijke aandoeningen of het belang om familiecontact tot stand te brengen. Verder heeft het hof miskend dat de omstandigheid dat medewerking aan het verkrijgen van door het kind verlangde zekerheid over het biologisch vaderschap voor de vermoedelijke biologische vader belastend is en een aantasting van diens welbevinden en gezondheid oplevert, slechts onder uitzonderlijke omstandigheden tot een andere uitkomst kan leiden, dan wel heeft het zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

De klachten slagen derhalve.

3.2

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2020;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 528,14 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 11 maart 2022.

1 EHRM 29 januari 2019, nr. 62257/15 (Mifsud/Malta), punt 56; EHRM 13 juli 2006, 58757/00 (Jäggi/Zwitserland), punt 37; EHRM 13 februari 2003, nr. 42326/98 (Odièvre/Frankrijk), punten 28 en 44.

2 EHRM 29 januari 2019, nr. 62257/15 (Mifsud/Malta), punt 56; EHRM 7 februari 2002, nr. 53176/99 (Mikulić/Kroatië), punt 54; vgl. HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:452, rov. 5.1.3-5.1.4.

3 EHRM 29 januari 2019, nr. 62257/15 (Mifsud/Malta), punt 60; EHRM 16 juni 2011, nr. 19535/08 (Pascaud/Frankrijk), punt 65; EHRM 13 juli 2006, 58757/00 (Jäggi/Zwitserland), punt 40.

4 EHRM 29 januari 2019, nr. 62257/15 (Mifsud/Malta), punt 61; EHRM 25 september 2012, nr. 33783/09 (Godelli/Italië), punten 50 en 53; EHRM 13 februari 2003, nr. 42326/98 (Odièvre/Frankrijk), punt 44.

5 EHRM 29 januari 2019, nr. 62257/15 (Mifsud/Malta), punt 57; EHRM 16 juni 2011, nr. 19535/08 (Pascaud/Frankrijk), punt 59; EHRM 13 juli 2006, 58757/00 (Jäggi/Zwitserland), punt 33; EHRM 13 februari 2003, nr. 42326/98 (Odièvre/Frankrijk), punten 40 en 46-47; EHRM 7 februari 2002, nr. 53176/99 (Mikulić/Kroatië), punten 57-58 en 64-65.

6 HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1337 (Valkenhorst I), rov. 3.4.3.

7 HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1337 (Valkenhorst I), rov. 3.4.3.