Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:329

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-02-2022
Datum publicatie
25-02-2022
Zaaknummer
20/02950
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:531, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:1802, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Privacyrecht. Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verzoek tot verwijdering van zoekresultaten, recht op vergetelheid. Gevoelige persoonsgegevens; maatstaf in geval van art. 10 AVG. Proceskosten in AVG-zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/541
GZR-Updates.nl 2022-0082
RvdW 2022/254
JBP 2022/29 met annotatie van Hendriks, A.C.
UDH:IR/17275 met annotatie van mr. K. Konings
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/02950

Datum 25 februari 2022

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: [betrokkene] ,

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

GOOGLE LLC,
gevestigd te Mountain View, Californië, Verenigde Staten van Amerika,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Google,

advocaat: H.J. Pot.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikkingen in de zaak C/13/636885/HA RK 17-301 van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2018 en 19 juli 2018;

  2. de beschikkingen in de zaak 200.248.187/01 van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2020 en 23 juni 2020.

[betrokkene] heeft tegen de beschikking van het hof van 23 juni 2020 beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Google heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [betrokkene] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [betrokkene] is plastisch chirurg.

(ii) Een patiënte die door [betrokkene] in 2014 is geopereerd, heeft een klacht tegen haar ingediend wegens gebrek aan organisatie en nazorg na de operatie. Deze klacht heeft geleid tot een tuchtrechtelijke procedure als bedoeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. In 2016 heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg aan [betrokkene] een voorwaardelijke schorsing van haar inschrijving voor de duur van vier maanden opgelegd met een proeftijd van twee jaar.

(iii) Google is exploitant van de zoekmachine Google Search. Gebruikers kunnen een of meer zoektermen opgeven, waarna de zoekmachine een pagina met zoekresultaten weergeeft. De zoekresultatenpagina toont hyperlinks die onder andere naar webpagina’s (bronpagina’s) verwijzen met daarbij een zogenoemde snippet, een korte samenvatting van de pagina onder de titel. De hyperlink en de snippet worden gezamenlijk aangeduid als een koppeling.

(iv) Als in de zoekmachine van Google de naam van [betrokkene] wordt ingevoerd, wordt een aantal zoekresultaten weergegeven. Ten tijde van het indienen van het verzoekschrift in eerste aanleg bevond zich onder die zoekresultaten een koppeling naar www.zwartelijstartsen.nl, met vermelding van de naam van [betrokkene] , haar BIG-nummer, haar specialisme, een foto van haar, de integrale tekst van de genoemde uitspraak van het Centraal Tuchtcollege en een samenvatting daarvan, alsmede een koppeling naar een artikel op https://drimble.nl. Op de bronpagina van deze koppeling waren de titel en de eerste vijf regels van een artikel over de voorwaardelijke schorsing van [betrokkene] weergegeven, dat in 2016 is gepubliceerd op de website van een regionale krant.

(v) De websites zwartelijstartsen.nl en sin-nl.org zijn opgesteld en worden gebruikt door SIN-NL. Op de website zwartelijstartsen.nl worden onder meer namen van zorgverleners vermeld ten aanzien van wie in het BIG-register een opgelegde tuchtrechtelijke maatregel is vermeld.

(vi) In 2017 heeft [betrokkene] bij Google schriftelijk een verzoek tot verwijdering van een viertal koppelingen (hierna: de koppelingen) ingediend. Google heeft dit verzoek afgewezen.

2.2

In dit geding heeft [betrokkene] verzocht om Google op te dragen de koppelingen te verwijderen en verwijderd te houden uit de zoekresultaten, zodanig dat deze niet meer worden getoond aan gebruikers die vanuit Nederland deze zoekopdracht geven, en ook te verwijderen uit Google.com, Google.nl en alle lokale EU-versies van Google Search. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen.1

2.3

Het hof heeft in zijn eindbeschikking het verzoek afgewezen.2 Voor zover in cassatie van belang heeft het hof als volgt geoordeeld.

[betrokkene] heeft primair aangevoerd dat haar verzoek beoordeeld moet worden aan de hand van art. 10 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG).3 Subsidiair heeft [betrokkene] zich beroepen op art. 17 AVG. Het hof zal eerst de subsidiaire grondslag beoordelen. (rov. 2.10 en 2.12)

In het kader van het subsidiaire beroep van [betrokkene] op art. 17 in verbinding met art. 21 lid 1 AVG dient te worden beoordeeld of haar recht op privacy en bescherming van haar persoonsgegevens zwaarder dient te wegen dan het recht op vrije meningsuiting en informatievrijheid van Google en van derden, te weten informatie-aanbieders en het algemene publiek. (rov. 2.12)

Deze belangen afwegend concludeert het hof dat het recht op vrije meningsuiting en informatievrijheid van Google en van derden zwaarder weegt dan het recht op privacy en bescherming van persoonsgegevens van [betrokkene] . (rov. 2.13-2.17)

Op zichzelf is onjuist dat, zoals [betrokkene] primair heeft aangevoerd, haar verzoek beoordeeld zou moeten worden aan de hand van art. 10 AVG omdat in deze zaak geen sprake is van verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten. Voor zover dat wel het geval zou zijn, overweegt het hof dat dan getoetst dient te worden aan art. 17 lid 3 van de AVG op de wijze zoals is overwogen in het HvJEU GC e.a./CNIL-arrest, punt 66-69, en dat de in dat kader te maken belangenafweging, waarbij het gevoelige karakter van strafrechtelijke persoonsgegevens en het belang deze geheim te houden worden onderkend, niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid dan hiervoor vermeld. (rov. 2.18)

[betrokkene] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties. (rov. 2.20)

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 2 van het middel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat art. 10 AVG ook van toepassing is op de verwerking van tuchtrechtelijke persoonsgegevens en dat het hof in het kader van art. 10 AVG ten onrechte niet is nagegaan of de opname van de koppelingen over [betrokkene] strikt noodzakelijk is ter bescherming van het recht op vrijheid van informatie.

3.1.2

In het midden kan blijven of art. 10 AVG, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU)4, van toepassing is op de verwerking van tuchtrechtelijke persoonsgegevens omdat, als dat het geval zou zijn, het hof in rov. 2.18 de dan geldende maatstaf onder ogen heeft gezien. Volgens die maatstaf moet in geval van gevoelige gegevens als bedoeld in de art. 9 lid 1 en 10 AVG, op basis van alle relevante elementen van het geval en gelet op de ernst van de inbreuk op de in de art. 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)5 verankerde grondrechten van de betrokkene op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens, om de redenen van algemeen zwaarwegend belang als bedoeld in art. 9 lid 2, onder g, AVG, en onder eerbiediging van de in deze bepaling bedoelde voorwaarden, worden nagegaan of de opname van de koppelingen in de resultatenlijst strikt noodzakelijk blijkt ter bescherming van het recht op vrijheid van informatie.6 In de overwegingen van het hof ligt besloten dat dit naar zijn oordeel het geval was nu het in rov. 2.18 onder verwijzing naar de zojuist aangehaalde maatstaf heeft overwogen dat toepassing daarvan niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid. De klachten falen dus.

3.2.1

Onderdeel 2.12 klaagt dat [betrokkene] ten onrechte in de proceskosten in beide feitelijke instanties is veroordeeld. Volgens het onderdeel mag een natuurlijke persoon in een procedure waarbij hij van zijn rechten in het kader van de AVG gebruikmaakt, niet worden veroordeeld in de proceskosten van de door hem aangesproken verwerker van zijn persoonsgegevens indien hij in het ongelijk wordt gesteld. Het onderdeel beroept zich daarbij op art. 47 Handvest en art. 79 AVG, waaruit volgt dat degene die meent dat rechten geschonden zijn, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte. Het onderdeel beroept zich tevens op het arrest van het HvJEU van 27 september 2017 in zaak C-73/167, waarin is geoordeeld dat het de lidstaten vrij staat om een passende vergoeding vast te stellen voor het instellen van beroep voor een bestuurlijke instantie, maar dat die vergoeding niet op een niveau mag liggen waardoor zij de uitoefening van het door art. 47 Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte kan belemmeren. Het onderdeel klaagt voorts dat, als het hof het voorgaande niet heeft miskend, het zijn oordeel over de proceskosten niet naar behoren heeft gemotiveerd.

3.2.2

Art. 79 lid 1 AVG bepaalt dat elke betrokkene het recht heeft om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien hij van mening is dat zijn rechten uit hoofde van de AVG geschonden zijn ten gevolge van een verwerking van zijn persoonsgegevens die niet aan de AVG voldoet. De verdeling van de kosten van een gerechtelijke procedure bij de nationale rechterlijke instanties valt onder de procesautonomie van de lidstaten, op voorwaarde dat de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in acht worden genomen. De vraag of een nationale procedurele bepaling het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het Unierecht toe te passen, moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure.8

3.2.3

Ingevolge art. 289 Rv is het in een verzoekschriftprocedure overgelaten aan het inzicht van de rechter of hij aanleiding vindt in het gegeven geval een veroordeling in de proceskosten uit te spreken. In beginsel behoeft hij zijn oordeel hierover niet te motiveren, maar de omstandigheden van het geval en stellingen van partijen kunnen dit anders doen zijn.9 Indien de rechter een proceskostenveroordeling uitspreekt, zal zij, uitzonderlijke gevallen daargelaten, beperkt zijn tot een relatief beperkt forfaitair bedrag. Toepassing van art. 289 Rv staat daarom niet in de weg aan een doeltreffende voorziening in rechte voor betrokkene.

3.2.4

Nu [betrokkene] in eerste aanleg en in hoger beroep op dit punt niets heeft aangevoerd, behoefde het hof hierop niet in te gaan. De klacht faalt.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [betrokkene] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Google begroot op € 899,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresident M.J. Kroeze en de raadsheren A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 25 februari 2022.

1 Rechtbank Amsterdam 19 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8606.

2 Gerechtshof Amsterdam 23 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1802.

3 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, PbEU 2016, L 119/1.

4 Vgl. HvJEU 22 juni 2021, C-439/19, ECLI:EU:C:2021:504 (Saeima).

5 PbEU 2000, C 364/1.

6 HvJEU 24 september 2019, C-136/17, ECLI:EU:C:2019:773 (GC/CNIL), punt 68.

7 HvJEU 27 september 2017, C-73/16, ECLI:EU:C:2017:725 (Puškár), punt 75.

8 Vgl. HvJEU 6 december 2001, zaak C-472/99, ECLI:EU:C:2001:663, punt 27-29; HvJEU 16 juli 2020, gevoegde zaken C224/19 en C259/19, ECLI:EU:C:2020:578, punt 85 en 95.

9 HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9444, rov. 3.4.2.