Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:307

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-02-2022
Datum publicatie
25-02-2022
Zaaknummer
20/03579
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2020:1721, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:917, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Art. 4:55 BW. Art. 3:34 BW. Testament dat met toestemming van kantonrechter is gemaakt door erflaatster die wegens geestelijke stoornis onder curatele was gesteld. Is testament onder invloed van stoornis in de geestvermogens tot stand gekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/542
ERF-Updates.nl 2022-0065
NJ 2022/105
RvdW 2022/258
RFR 2022/70
Jurisprudentie Erfrecht 2022/82 met annotatie van W. Breemhaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/03579

Datum 25 februari 2022

ARREST

In de zaak van

PARTIAR B.V.,
gevestigd te Sassenheim, gemeente Teylingen,

EISERES tot cassatie,

hierna: Partiar,

advocaat: M.E. Bruning,

tegen

[de neef],
wonende te [woonplaats], Canada,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [de neef],

advocaat: D. Rijpma.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaak C/09/536794/ HA ZA 17-797 van de rechtbank Den Haag van 11 april 2018;

  2. de arresten in de zaak 200.242.359/01 van het gerechtshof Den Haag van 30 juli 2019 en 4 augustus 2020, hersteld bij beslissing van 18 augustus 2020.

Partiar heeft tegen de arresten van het hof van 30 juli 2019 en 4 augustus 2020, zoals hersteld bij beslissing van 18 augustus 2020, beroep in cassatie ingesteld.

[de neef] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor [de neef] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en tot verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In 2017 is te [plaats] de tante van [de neef] overleden. De tante (hierna: erflaatster) was toen 105 jaar oud.

(ii) Bij testament van 1 mei 2012 (hierna: het testament uit 2012) heeft erflaatster [de neef] benoemd tot enig en algeheel erfgenaam en de notaris tot executeur.

(iii) Bij beschikking van de kantonrechter van 24 april 2013 is erflaatster wegens een geestelijke stoornis onder curatele gesteld, met benoeming van een curator (hierna: de curator).

(iv) Op 30 juli 2015 heeft de curator namens erflaatster de kantonrechter verzocht om op de voet van art. 4:55 lid 2 BW toestemming te verlenen tot het maken van een testament door erflaatster. Bij beschikking van 12 augustus 2015 heeft de kantonrechter deze toestemming verleend en daartoe onder meer het volgende overwogen:

“Bij het verzoekschrift is een schriftelijke “Beoordeling wilsbekwaamheid” gevoegd, waaruit blijkt, dat (…), onafhankelijk medisch adviseur/arts curanda op 28 juli 2015 thuis heeft bezocht en dat zij curanda medisch gezien in staat acht haar eigen uitdrukkelijke wil voldoende duidelijk en consistent kenbaar te maken en wilsbekwaam acht. Ook is een e-mail overgelegd van 15 juli 2015 van de huisarts van curanda, (…), aan de curator, waarin de huisarts bericht dat hij zich kan vinden in de stelling dat curanda niet handelingsbekwaam is, maar wel wilsbekwaam. Bij brief van 5 augustus 2015 aan de curator heeft de huisarts onder meer bevestigd dat hij vindt dat curanda wilsbekwaam is en dat hij zijn mening baseert op de jarenlange band die hij met haar heeft, waarbij hij haar regelmatig bezoekt en het verloop in de jaren goed in beeld heeft.

Ten slotte is in het verzoekschrift gesteld dat ook de notaris curanda wilsbekwaam acht en heeft curanda zelf in haar brief van 6 augustus 2015 aan de kantonrechter bericht dat toestemming haar de nodige rust zou brengen.

De kantonrechter heeft voorts kennis genomen van de inhoud van het concept testament en vastgesteld dat die inhoud overeenstemt met hetgeen curanda wenst volgens de door de curator verstrekte inlichtingen daaromtrent en hetgeen curanda daarover tijdens de mondelinge behandeling aan de kantonrechter heeft medegedeeld.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is gebleken, dat de geestelijke stoornis van de curanda niet verhindert dat zij de gevolgen van het testament voldoende overziet en dat de wil van curanda in overeenstemming is met haar verklaring. De kantonrechter zal de gevraagde toestemming dan ook verlenen, met dien verstande dat daaraan de voorwaarden worden verbonden

1 dat het testament binnen een maand na het afgeven van deze beschikking wordt gepasseerd en

2 dat gepasseerd wordt in aanwezigheid van twee getuigen.”

(v) Op 13 augustus 2015 heeft erflaatster een testament laten opmaken. In dat testament (hierna: het testament uit 2015) is onder meer het volgende opgenomen:

“Considerans:

- De comparante heeft aangegeven een uiterste wilsbeschikking te willen opmaken.

- De comparante is onder curatele gesteld. Aangezien de comparante vanwege een geestelijke stoornis onder curatele is gesteld dient de Kantonrechter op grond van artikel 55 lid 2 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek toestemming te verlenen voor het maken van een uiterste wilsbeschikking door de curandus.

- Gezien de indicatoren is door mij, notaris, het “stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid” gevolgd op grond waarvan onder meer een onderzoek is aangevraagd bij een onafhankelijke arts.

- Het onderzoek is uitgevoerd door mevrouw (…), verbonden als arts aan SCIO consult, van welk onderzoek een rapport is opgesteld welke in kopie aan deze akte zal worden gehecht. Uit het onderzoek blijkt dat de comparante wilsbekwaam wordt geacht.

- Vervolgens is de Kantonrechter verzocht om toestemming te verlenen aan de comparante voor het opmaken van de onderhavige uiterste wilsbeschikking. De Kantonrechter heeft deze toestemming verleend, (…).”

(vi) In het testament uit 2015 heeft erflaatster aan [de neef] haar aandeel in haar woonhuis gelegateerd onder de last om de verkoop van het woonhuis te laten verzorgen door de executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Voorts heeft erflaatster bepaald:

“Ik leg mijn hierna te benoemen executeur de last op een fonds op te richten, eventueel middels een daartoe op te richten stichting, welk fonds wordt ingesteld met als doel om gedurende een periode van vijfentwintig (25) jaar (meer)jaarlijks geld beschikbaar te stellen aan:

- (…) te Sassenheim, voor het organiseren van een muziekconcert door bijvoorbeeld (…) danwel een andere plaatselijke muziekvereniging.

- Nationale Vereniging (…), ter besteding aan de ouderen in Sassenheim.

Dit fonds benoem ik vervolgens, onder bezwaar van voormeld legaat, tot enig erfgenaam van mijn nalatenschap.”

(vii) Partiar is in het testament uit 2015 benoemd tot executeur tevens afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap.

2.2

[de neef] vordert in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, dat voor recht wordt verklaard (i) dat het testament uit 2015 nietig is omdat het onder invloed van een stoornis in de geestvermogens tot stand is gekomen en (ii) dat de nalatenschap van erflaatster moet worden afgewikkeld en verdeeld overeenkomstig het testament uit 2012. Hij heeft daartoe aangevoerd dat erflaatster op het moment van het passeren van het testament uit 2015 niet in staat was haar wil te bepalen.

2.3

De rechtbank heeft de vorderingen van [de neef] afgewezen.1

2.4.1

Het hof heeft bij eindarrest2 het vonnis van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat het testament uit 2015 nietig is en dat de nalatenschap van erflaatster dient te worden afgewikkeld overeenkomstig het testament uit 2012.

2.4.2

Het hof heeft daartoe bij tussenarrest3 onder meer als volgt overwogen:

“55. (…) Voor een redelijke waardering is vereist dat erflaatster inzicht heeft in haar situatie en in staat is om op het gebied van het erfrecht in vrijheid keuzes en beslissingen te nemen, in rationeel en emotioneel opzicht te overzien en dit kenbaar te maken. Verder is vereist dat zij de informatie of voorlichting die zij voor het maken van de uiterste wilsbeschikking heeft verkregen ook heeft kunnen begrijpen. Met betrekking tot de waardering is niet alleen relevant de zwaarte van haar stoornis maar ook de aard en de complexiteit van de uiterste wil.

56. Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen stelt het hof zware zorgvuldigheidseisen aan de beantwoording van de vraag of erflaatster op de hiervoor genoemde momenten wilsbekwaam was. Naar het oordeel van het hof staat vast dat het initiatief tot het maken c.q. wijzigen van het testament door erflaatster mede gelegen was bij de curator. Zij was bij alle gesprekken tussen erflaatster en de notaris, kantonrechter en [de bestuurder van Partiar] aanwezig. Gelet op de leeftijd van de 104-jarige bestaat er een redelijk vermoeden dat zij in enige mate lichamelijk en geestelijk afhankelijk was van de curator die voor haar de zaken regelde. Gezien de feitelijke gang van zaken met betrekking tot het tot stand komen van het testament van erflaatster is het hof van oordeel dat ondanks het door de notaris gevolgde stappenplan onvoldoende zekerheid is dat erflaatster – mede bezien de complexiteit van het testament – de gevolgen van haar uiterste wil heeft kunnen overzien. Ook de toestemming van de kantonrechter waarborgt volgens het hof onvoldoende dat erflaatster de gevolgen van haar uiterste wil heeft overzien. Aan de kantonrechter is wel het concepttestament overgelegd maar de wijze waarop het een en ander tot stand is gekomen is hem niet medegedeeld althans dat hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven kan niet uit de beschikking worden opgemaakt. Voorts heeft de kantonrechter geen inzicht kunnen hebben in de financiële en fiscale consequenties van de uiterste wil van erflaatster. Het betrof een complex testament waarbij nota bene mogelijk nog een stichting moest worden opgericht voor de uitvoering van de last. In dat geval is eveneens de inhoud van de statuten van de stichting van belang om te controleren op welke wijze en door wie kan worden beschikt over de middelen in de stichting. Bovendien betreft het een fonds/stichting dat gedurende 25 jaar moet bestaan vanwege de in het testament geformuleerde eis om gelden ter beschikking te stellen van de in het testament geformuleerde doelen. Het hof acht het niet aannemelijk dat de kantonrechter voor ogen heeft gehad dat geïntimeerde (…) eveneens de controle zou krijgen in de stichting over de gelden die afkomstig waren uit de nalatenschap van erflaatster en dat erflaatster dit ook zo heeft gewild. De verklaring van de onafhankelijke arts is te algemeen, om te kunnen vaststellen of de geestestoestand van erflaatster zodanig was dat zij ook de inhoud van een dergelijk complex testament zou kunnen overzien.

57. Het hof is gelet op het vorenstaande voorshands van oordeel dat appellant heeft bewezen dat erflaatster mede bezien haar geestestoestand de gevolgen van haar testament van 13 augustus 2015 niet heeft overzien.

Bewijs

58. Gezien het feit dat geïntimeerde een voldoende specifiek bewijsaanbod heeft gedaan, zal het hof geïntimeerde toelaten om het volgende te bewijzen dat:

1. de geestestoestand van erflaatster zodanig was –op het moment van het opgeven van haar wil – dat zij zelfstandig kon formuleren dat haar nalatenschap zou vererven naar een fonds of een stichting welk fonds of stichting dat geld gedurende 25 jaar ter beschikking zou stellen aan twee doelen zoals geformuleerd in het testament van erflaatster van 13 augustus 2015 waarbij het fonds of de stichting zelf kon bepalen om welke bedragen het zou gaan en er geen verhouding is aangegeven waarin de beide doelen betaald worden. Zij heeft daarbij tevens kunnen afwegen de financiële en fiscale gevolgen van haar keuze.

2. de geestestoestand van erflaatster tijdens het gesprek met de kantonrechter zodanig was dat zij zelfstandig kon formuleren dat haar nalatenschap zou vererven naar een fonds of een stichting welk fonds of stichting dat geld gedurende 25 jaar ter beschikking zou stellen aan twee doelen zoals geformuleerd in het testament van erflaatster van 13 augustus 2015 waarbij het fonds of de stichting zelf kon bepalen om welke bedragen het zou gaan en er geen verhouding is aangegeven waarin de beide doelen betaald worden. Zij heeft daarbij tevens kunnen afwegen de financiële en fiscale gevolgen van haar keuze.

3. de geestestoestand van erflaatster op het moment van het passeren van het testament zodanig was dat zij zelfstandig kon formuleren dat haar nalatenschap zou vererven naar een fonds of een stichting welk fonds of stichting dat geld gedurende 25 jaar ter beschikking zou stellen aan twee doelen zoals geformuleerd in het testament van erflaatster van 13 augustus 2015 waarbij het fonds of de stichting zelf kon bepalen om welke bedragen het zou gaan en er geen verhouding is aangegeven waarin de beide doelen betaald worden. Zij heeft daarbij tevens kunnen afwegen de financiële en fiscale gevolgen van haar keuze.”

2.4.3

Het hof heeft, na bewijslevering, bij eindarrest onder meer het volgende overwogen:

“48. In het tussenarrest van 30 juli 2019 heeft het hof al duidelijk aangegeven dat het hof de gang van zaken rond het testament van erflaatster zeer zorgelijk vindt. Uit de getuigenverhoren is gebleken dat de notarissen niet bekend waren met het eerdere testament van erflaatster en derhalve erflaatster niet hebben kunnen wijzen op de gevolgen die het wijzigen van haar testament met zich bracht ten opzichte van haar eerdere testament. Erflaatster was mede door haar curator op de hoogte dat zij een testament maakte in 2012 zodat de notaris door een vraag aan erflaatster dan wél aan de curator beschikking had kunnen verkrijgen over een kopie of afschrift van dat eerdere testament. Juist met betrekking tot kwetsbaren in onze maatschappij dient door de notaris zeer zorgvuldig met hun belangen te worden omgegaan. Erflaatster was een afhankelijke vrouw van 104 jaar oud met een ernstige visuele handicap. Deze feiten stonden te lezen in de medische verklaring die de notaris heeft aangevraagd bij een onafhankelijk arts en die hij aan het testament hechtte maar uit de getuigenverhoren is niet af te leiden dat beide notarissen zich erom hebben bekommerd of erflaatster het concept van het testament kon lezen of niet en ook niet of zij erflaatster zonder de aanwezigheid van de curator hebben gespróken over haar uiterste wil. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen is geïntimeerde niet geslaagd in de bewijsopdracht. De door geïntimeerde naar voren gebrachte getuigen hebben naar het oordeel van het hof bevestigd wat het hof al in zijn tussenarrest van 30 juli 2019 heeft geoordeeld.”

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof art. 3:34 BW en art. 4:55 lid 2 BW onjuist en onbegrijpelijk heeft toegepast. Volgens het onderdeel geldt als maatstaf of erflaatster in de gegeven situatie ondanks haar stoornis wilsbekwaam was, de uiterste wilsbeschikking in overeenstemming was met de in vrijheid gevormde wil van erflaatster en de stoornis bij erflaatster niet een redelijke waardering van de daarbij betrokken belangen belette. Het hof heeft omstandigheden in zijn oordeelsvorming betrokken die niet relevant zijn voor het oordeel of aan die maatstaf is voldaan, aldus het onderdeel.

3.2.1

Voor het maken van een uiterste wilsbeschikking is een op rechtsgevolg gerichte wil noodzakelijk, die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW). Indien de verklaring afkomstig is van iemand van wie de geestvermogens zijn gestoord, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te hebben ontbroken, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan (art. 3:34 lid 1 BW).

3.2.2

Ook een persoon die wegens diens geestelijke toestand onder curatele is gesteld, kan een uiterste wilsbeschikking maken (art. 4:55 lid 1 BW). Daarvoor is toestemming van de kantonrechter nodig (art. 4:55 lid 2 BW).

3.3.1

In cassatie staat vast dat voorafgaande aan het opstellen van het testament uit 2015 een onafhankelijk arts erflaatster heeft onderzocht en dat met erflaatster is gesproken door de kantonrechter en de notaris. De onafhankelijk arts heeft geconcludeerd dat erflaatster in staat is haar eigen uitdrukkelijke wil voldoende duidelijk en consistent kenbaar te maken en dat zij wilsbekwaam wordt geacht. De huisarts van erflaatster heeft dit bevestigd en verklaard dat hij zijn mening baseert op de jarenlange band die hij met haar heeft gehad. Ook de notaris achtte erflaatster wilsbekwaam. De kantonrechter heeft geconstateerd dat de inhoud van het concepttestament overeenstemt met hetgeen erflaatster daarover aan haar heeft meegedeeld en geoordeeld dat voldoende is gebleken dat de geestelijke stoornis van de curanda niet verhindert dat zij de gevolgen van het testament voldoende overziet en dat de wil van curanda in overeenstemming is met haar verklaring.

3.3.2

Het hof heeft in het tussenarrest aan zijn voorlopige oordeel dat erflaatster mede bezien haar geestestoestand de gevolgen van het testament uit 2015 niet heeft overzien (rov. 57) de volgende omstandigheden ten grondslag gelegd (rov. 56): (i) het initiatief tot het maken dan wel wijzigen van het testament door erflaatster was mede gelegen bij de curator, (ii) de curator was bij alle gesprekken tussen erflaatster en de notaris, kantonrechter en de bestuurder van Partiar aanwezig, (iii) gelet op de leeftijd van de erflaatster bestaat er een redelijk vermoeden dat zij in enige mate lichamelijk en geestelijk afhankelijk was van de curator die voor haar de zaken regelde, (iv) aan de kantonrechter is wel het concepttestament overgelegd maar de wijze waarop het een en ander tot stand is gekomen is hem niet medegedeeld, althans dat hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven, kan niet uit de beschikking worden opgemaakt, (v) de kantonrechter heeft geen inzicht kunnen hebben in de financiële en fiscale consequenties van de uiterste wil van erflaatster, (vi) het betrof een complex testament, en (vii) de verklaring van de onafhankelijke arts is te algemeen om te kunnen vaststellen of de geestestoestand van erflaatster zodanig was dat zij ook de inhoud van een dergelijk complex testament zou kunnen overzien.

Bij eindarrest heeft het hof geoordeeld dat Partiar niet in de bij tussenarrest gegeven (tegen)bewijsopdracht is geslaagd. Het heeft daarmee het voorlopige oordeel definitief gemaakt en daartoe in de kern nog overwogen (rov. 48) dat het de gang van zaken rond het testament uit 2015 zeer zorgelijk vindt, dat de notaris erflaatster niet heeft gewezen op de wijziging van het testament ten opzichte van het testament uit 2012 en dat erflaatster een afhankelijke vrouw van 104 jaar oud met een ernstige visuele handicap was.

3.3.3

De hiervoor in 3.3.2 genoemde omstandigheden kunnen, mede in het licht van hetgeen hiervoor in 3.3.1 is overwogen, het oordeel dat de geestelijke stoornis van erflaatster een redelijke waardering van de bij het testament uit 2015 betrokken belangen belette, niet dragen. Zonder nadere motivering is immers onbegrijpelijk waarom deze omstandigheden betrekking hebben op de geestelijke stoornis van erflaatster en op de eventuele invloed van deze stoornis op de bekwaamheid van erflaatster tot waardering van de bij het testament uit 2015 betrokken belangen. De daarop gerichte klachten van onderdeel 1 slagen. De overige klachten van het onderdeel behoeven geen behandeling.

3.4

Voor zover onderdeel 2 klaagt dat het hof in het tussenarrest op basis van de hiervoor in 3.3.2 genoemde omstandigheden voorshands bewezen heeft geacht dat erflaatster mede bezien haar geestestoestand de gevolgen van het testament uit 2015 niet heeft overzien, slaagt het, gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.3 is overwogen, eveneens.

3.5

De overige klachten van onderdeel 2 en de klachten van onderdeel 3 kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.6

Onderdeel 4 behoeft geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad: - vernietigt de arresten van het gerechtshof Den Haag van 30 juli 2019 en 4 augustus 2020,

zoals hersteld bij beslissing van 18 augustus 2020;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt [de neef] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Partiar begroot op € 1.013,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de neef] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 25 februari 2022.

1 Rechtbank Den Haag 11 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:4815.

2 Gerechtshof Den Haag 4 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1721.

3 Gerechtshof Den Haag 30 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2039.