Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:298

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-02-2022
Datum publicatie
25-02-2022
Zaaknummer
20/02317
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:741, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:3417, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Conservatoir beslag, gevolgd door hoofdzaak waarin in appel verklaring voor recht in plaats van veroordeling wordt gevorderd. Art. 700 lid 3 Rv. Levert arrest executoriale titel op? Verjaringstermijn. Art. 3:324 lid 1 BW. Rangregeling. Art. 552 Rv. Renvooiprocedure. Art. 486 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/540
NJ 2022/104
RvdW 2022/257
JIN 2022/51 met annotatie van mr. M.A.J.G. Janssen
RBP 2022/29
JOR 2022/138 met annotatie van Steneker, A.
TvPP 2022, afl. 3, p. 101
JBPr 2022/36 met annotatie van Krzeminski, K.J.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/02317

Datum 25 februari 2022

ARREST

In de zaak van

1. [eiser 1],
hierna: [eiser 1],
wonende te [woonplaats], België,

2. [eiser 2],
hierna: [eiser 2],
wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],
hierna: [eiser 3],
wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie, verweerders in het incidentele cassatieberoep,

hierna gezamenlijk: [eisers],

advocaat: J.H.M. van Swaaij,

tegen

LISMAN EN LISMAN B.V.,
gevestigd te Zeist,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,

hierna: Lisman,

advocaat: R.L.M.M. Tan.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/05/318181 / HZ ZA 17-176 van de rechtbank Gelderland van 26 juli 2017 en 20 december 2017;

  2. de arresten in de zaak 200.237.852 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2019 en 28 april 2020.

[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 28 april 2020 beroep in cassatie ingesteld.

Lisman heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [eisers] mede door J.M. Moorman.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt zowel in het principale cassatieberoep als in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.

De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Lisman heeft in 2004 een kantoorpand verhuurd aan Rentec B.V. (hierna: Rentec). [eiser 1] was enig bestuurder van Rentec.

(ii) Lisman heeft in 2004 conservatoir beslag gelegd op een pand van [eiser 1] voor een vordering op [eiser 1] die voorlopig was begroot op € 260.000,--.

(iii) Bij vonnis van 17 januari 2007 heeft de kantonrechter te Harderwijk in een procedure tussen Lisman enerzijds en Rentec en [eiser 1] anderzijds (hierna ook: de hoofdzaak) de huurovereenkomst ontbonden verklaard. In die procedure heeft Lisman tevens gevorderd Rentec en [eiser 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van achterstallige huur. De kantonrechter heeft de vorderingen tegen [eiser 1] afgewezen. Het dictum luidt verder – voor zover van belang – als volgt:

“5.2 Veroordeelt Rentec om aan Lisman tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 260.397,82, vermeerderd met de contractuele rente van 2% per maand over dit bedrag vanaf 7 oktober 2004 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.3

Veroordeelt Rentec tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Lisman, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 4.190,--, waarin begrepen € 4.000,-- aan salaris gemachtigde.

5.4

Veroordeelt Rentec tot betaling van de beslagkosten groot € 1.761,84, waarin begrepen € 1.000,-- aan salaris gemachtigde.”

(iv) Rentec heeft niet aan het vonnis voldaan.

(v) Lisman heeft van het vonnis hoger beroep ingesteld, waarin zij alleen [eiser 1] heeft betrokken. Lisman heeft in hoger beroep gevorderd om [eiser 1] hoofdelijk aansprakelijk te verklaren voor al hetgeen waartoe Rentec in eerste aanleg is veroordeeld.

(vi) Begin 2008 is het pand van [eiser 1] op verzoek van de hypotheekhoudster met toestemming van de voorzieningenrechter ondershands verkocht. Van de opbrengst resteerde na aflossing van de hypothecaire geldlening ruim € 100.000. Dit bedrag is bij een notaris in depot gebleven.

(vii) Het gerechtshof Arnhem heeft bij arrest1 van 22 december 2009 (hierna: het arrest in de hoofdzaak) het vonnis van 17 januari 2007 vernietigd, voor zover dit tussen Lisman en [eiser 1] was gewezen, en verder als volgt beslist:

“1. verklaart voor recht dat [eiser 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor al hetgeen waartoe Rentec in eerste aanleg in het tussen Lisman en Rentec in conventie gewezen vonnis (…) van 17 januari 2007 is veroordeeld (te weten de veroordelingen onder punt 5.2, 5.3 en 5.4 van dit vonnis);

2. veroordeelt [eiser 1] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Lisman begroot op € 2.000,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, op € 251,-- voor griffierecht en op € 70,85 voor explootkosten;

3. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;”

(viii) Lisman heeft het arrest in de hoofdzaak op 21 januari 2010 aan [eiser 1] betekend. Dit heeft niet tot enige betaling aan Lisman geleid.

(ix) Lisman en [eiser 1] zijn het niet eens geworden over de verdeling van het depot.

(x) Op verzoek van [eiser 1] is in 2017 een rechter-commissaris benoemd ten overstaan van wie de verdeling van het depot zal plaatsvinden.

(xi) De rechter-commissaris heeft de bij de rangregeling betrokken partijen (naast [eiser 1] en Lisman ook [eiser 2] en [eiser 3]) niet kunnen verenigen en heeft de zaak verwezen naar de renvooiprocedure.

2.2

In deze renvooiprocedure vordert Lisman een verklaring voor recht dat Lisman een vordering heeft op [eiser 1] op grond van het arrest in de hoofdzaak, en toelating tot de rangregeling voor haar vordering.

2.3

De rechtbank2 heeft Lisman toegelaten tot de rangregeling voor € 260.000,--.

2.4

Het hof3 heeft, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank vernietigd en Lisman toegelaten tot de rangregeling voor € 98.693,30, vermeerderd met rente. Daartoe heeft het hof, samengevat, als volgt overwogen.

Deze renvooiprocedure gaat over de vraag of Lisman op basis van een conservatoir beslag op een onroerende zaak, gevolgd door een verklaring voor recht, mag delen in de na de executieverkoop door de hypotheekhouder resterende netto-executieopbrengst. (rov. 3.1)

Het conservatoir beslag en het instellen van de eis voor de kantonrechter betroffen beide een daad van rechtsvervolging als bedoeld in art. 3:316 lid 1 BW. Het instellen van de eis leidde op grond van art. 3:310 lid 1 BW tot stuiting van de verjaring van de rechtsvordering waarvoor het beslag werd gelegd. (rov. 4.2)

De kantonrechter heeft Rentec veroordeeld tot betaling en de vorderingen tegen [eiser 1] afgewezen. (rov. 4.3)

Tegen deze afwijzing heeft Lisman het beslag vervolgd door het appelexploot van 16 april 2007. Dit vormde een nieuwe daad van rechtsvervolging waardoor de verjaring van de onderliggende rechtsvordering verder werd gestuit. Bijzonder is wel de daarin opgenomen gewijzigde eis om [eiser 1] hoofdelijk aansprakelijk te verklaren voor al hetgeen waartoe Rentec in eerste aanleg is veroordeeld. Zo heeft Lisman ook in het petitum van haar memorie van grieven gevorderd. Naar het oordeel van het hof is dat minder dan een rechtsvordering tot veroordeling en komt het in feite neer op een vermindering van eis. Uit deze resterende eis in de hoofdzaak (zie art. 700 lid 3 Rv) mocht [eiser 1] in redelijkheid niet concluderen dat Lisman haar eis en beslagvordering niet langer handhaafde of introk. Ook bracht dit geen verval van het conservatoir beslag mee, terwijl het beslag evenmin werd opgeheven. (rov. 4.4)

Bij arrest van 22 december 2009 heeft het hof het vonnis tussen Lisman en [eiser 1] vernietigd en voor recht verklaard dat [eiser 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor al hetgeen waartoe Rentec door de kantonrechter is veroordeeld. Dit arrest heeft in deze renvooiprocedure gezag van gewijsde. (rov. 4.5)

[eisers] betogen dat Lisman niet tot de rangregeling kan worden toegelaten omdat zij daartoe over een executoriale titel moet beschikken; de uitgesproken verklaring voor recht is daartoe onvoldoende. (rov. 4.6)

In het algemeen is geen executoriale titel noodzakelijk om tot de verdeling van een executieopbrengst te worden toegelaten. Lisman kon uit hoofde van art. 3:270 lid 5 BW als conservatoir beslaglegger op het geëxecuteerde goed aanspraak maken op het restant van de executieopbrengst. Om dezelfde reden was Lisman op grond van art. 3:271 BW in verbinding met art. 552 Rv bevoegd toelating tot de rangregeling te verzoeken. (rov. 4.7)

[eisers] beroepen zich op verjaring van de rechtsvordering van Lisman. Zij betogen dat het arrest in de hoofdzaak op 22 maart 2010 in kracht van gewijsde is gegaan, waarmee het geding over de beslagvordering is geëindigd zonder dat daarbij de initiële eis van Lisman is toegewezen. Op grond van art. 3:316 lid 2 BW zijn de vorderingen van Lisman op 22 september 2010 verjaard, aldus [eisers] (rov. 4.8)

Veronderstellenderwijs aangenomen dat dit standpunt van [eisers] zou kunnen worden gevolgd, geldt het volgende. De beslagen zaak was intussen op 24 januari 2008 aan de executiekoper verkocht en geleverd en door hem betaald met zuivering als gevolg (art. 3:273 lid 1 BW). De toen gerealiseerde restant executieopbrengst is veiliggesteld ten behoeve van onder meer Lisman als conservatoir beslaglegger, en behoorde niet tot het vermogen van de geëxecuteerde, [eiser 1]. Verdere executie was dus niet meer aan de orde, alleen nog de verdeling van de executieopbrengst. Ieder van de deelgenoten heeft bij de verdeling van deze gemeenschap een voorwaardelijk recht op toedeling van zijn aandeel onder de opschortende voorwaarde dat zijn aandeel rechtens komt vast te staan. (rov. 4.9)

In het kader van de verdeling van de netto-opbrengst, die geen deel uitmaakt van het vermogen van [eiser 1], is een thans bestaande rechtsvordering of een executoriale titel dan ook niet vereist en is een verklaring voor recht waarin deze vordering werd vastgesteld voldoende. Het bestaan van de beslagvordering was al eerder vastgesteld. Het beslag kan (wegens het karakter van de natuurlijke verbintenis) niet meer actief worden vervolgd, bijvoorbeeld door tot executie over te gaan. Is de executie echter reeds voltooid en wordt de executieopbrengst verdeeld, dan blijft het beslag voor de na executie verjaarde vordering zijn gelding houden. De beslagvordering kan tot de rangregeling worden toegelaten. (rov. 4.10)

Van de executieopbrengst resteert een bedrag van ruim € 90.000. Lisman moet worden toegelaten tot de rangregeling voor het thans nog beschikbare bedrag. (rov. 4.13)

Nu [eiser 2] en [eiser 3] executoriaal derdenbeslag hebben gelegd op het overschot van de executieopbrengst na verdeling, en er geen overschot zal zijn, komt het hof verder niet aan hun standpunt toe. (rov. 4.15)

3 Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep

3.1

Onderdeel 1 van het middel in het principale beroep klaagt onder meer dat onjuist is het oordeel van het hof in rov. 4.4 dat Lisman het beslag vervolgd heeft door het appelexploot van 16 april 2007, hoewel het hof vaststelt dat de gewijzigde eis van Lisman in het appelexploot en de memorie van grieven (slechts) gericht is op een verklaring voor recht en dat dit minder is dan een rechtsvordering tot veroordeling en in feite neerkomt op een vermindering van eis. Eveneens onjuist, aldus het onderdeel, is het oordeel van het hof dat de resterende eis in de hoofdzaak geen verval van het conservatoire beslag meebrengt.

Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het hof in rov. 4.9-4.10 ten onrechte het door [eisers] gedane beroep op verjaring van de rechtsvordering waarvan Lisman toelating tot de rangregeling verzoekt, heeft verworpen. Lisman tracht in dit renvooigeding haar door verjaring sinds 22 september 2010 niet langer afdwingbare vordering af te dwingen. Weliswaar is in het algemeen geen executoriale titel noodzakelijk om als rechthebbende tot de verdeling van een restant-executieopbrengst te worden toegelaten, maar wel is nodig dat de beslagvordering bij de aanvang van het renvooigeding rechtens afdwingbaar is, aldus de klacht.

3.2.1

De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.2.2

Aan de klachten ligt de opvatting ten grondslag dat, als gevolg van de wijze waarop Lisman in het hoger beroep in de hoofdzaak haar petitum heeft geformuleerd en de daarop door het hof gegeven beslissing, de in eerste aanleg ingestelde eis tot veroordeling van [eiser 1] tot betaling niet is toegewezen en dat de door het instellen van die eis gestuite verjaring van de rechtsvordering, bij gebreke van het instellen van een nieuwe eis, op 22 september 2010 is verjaard. Voorts berusten de klachten op de opvatting dat het arrest in de hoofdzaak voor de vordering van Lisman op [eiser 1] geen executoriale titel oplevert, nu het arrest geen veroordeling tot betaling van die vordering inhoudt.

3.2.3

Deze opvattingen zijn onjuist. Wanneer conservatoir beslag is gelegd voor een vordering, wordt een executoriale titel verkregen doordat de beslagdebiteur wordt veroordeeld tot voldoening van die vordering. Niet uitgesloten is echter dat de beslaglegger volstaat met een eis in de hoofdzaak die strekt tot vaststelling van de gegrondheid en de omvang van zijn vorderingsrecht.4 Bij toewijzing van de eis levert de uitspraak voor het daarin vastgestelde vorderingsrecht dan een executoriale titel op, als met die vaststelling duidelijk is dat de beslaglegger daadwerkelijk aanspraak kan maken op betaling. De vereiste duidelijkheid kan erin bestaan dat in de uitspraak wordt vastgesteld dat de beslagdebiteur hoofdelijk aansprakelijk is voor hetgeen waartoe een andere partij al eerder werd veroordeeld.

3.2.4

Het hof heeft in rov. 4.4 onbestreden vastgesteld dat [eiser 1] uit de resterende eis in de hoofdzaak in redelijkheid niet mocht concluderen dat Lisman haar eis en beslagvordering niet langer handhaafde of introk. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het [eiser 1] duidelijk moet zijn geweest dat de eis van Lisman strekte tot vaststelling dat Lisman daadwerkelijk aanspraak kan maken op betaling van de vordering waarvoor zij ten laste van [eiser 1] beslag had gelegd. In het licht van hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen brengt dit mee dat het arrest in de hoofdzaak een executoriale titel oplevert voor de vordering waarvoor Lisman ten laste van [eiser 1] beslag heeft gelegd. Die vordering heeft, gelet op de verjaringstermijn voor de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken (art. 3:324 lid 1 BW), haar afdwingbaarheid nog niet verloren.

3.2.5

Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2-3.2.4 is overwogen, volgt dat de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

3.3

De overige klachten in het principale beroep en de klachten van het middel in het incidentele beroep kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad: in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Lisman begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan;

in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

veroordeelt Lisman in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 25 februari 2022.

1 Gerechtshof Arnhem 22 december 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BM1524.

2 Rechtbank Gelderland 20 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6615.

3 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3417.

4 Vgl. HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3299, rov. 3.5.6; HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:164, rov. 3.2.3.