Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:162

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2022
Datum publicatie
11-02-2022
Zaaknummer
20/01430
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:737, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2020:25, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Pensioenrecht. Pensioen tot 2001 ondergebracht bij verzekeraar. Na onderbrenging bij andere uitvoerder wordt indexatieregeling gewijzigd. Kon hof voormalige verzekeraar veroordelen tot nakoming oude indexatieregeling t.a.v. tot 2001 opgebouwd pensioen? Motivering verwerping verjaringsverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0164
NJB 2022/465
RvdW 2022/215
NJ 2022/76
PJ 2022/16 met annotatie van E. Lutjens
PR-Updates.nl PR-2022-0050
JIN 2022/61 met annotatie van Donner-Broersma,W.C.M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01430

Datum 11 februari 2022

ARREST

In de zaak van

ASR LEVENSVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Utrecht,

EISERES tot cassatie,

hierna: ASR,

advocaat: M.E. Bruning,

tegen

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [verweerder],

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaak 5951652 \ CV EXPL 17-15544 van de kantonrechter te Rotterdam van 5 januari 2018;

  2. het arrest in de zaak 200.237.496/01 van het gerechtshof Den Haag van 21 januari 2020.

ASR heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor ASR toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van ASR heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder] is op 1 november 1987 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) Allianz Global Corporate & Specialty SE (hierna: Allianz). Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het verzekeringsbedrijf Binnendienst van toepassing (hierna: de cao). [verweerder] is aan de cao gebonden door een incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst. De cao bepaalt op welk pensioen [verweerder] tegenover Allianz aanspraak heeft.

(ii) Voor de dekking van de pensioentoezegging had Allianz een collectieve pensioenverzekeringsovereenkomst gesloten met AMEV Levensverzekering N.V., de rechtsvoorgangster van ASR (hierna gezamenlijk ook: ASR), op basis van een zogenoemde gemitigeerde eindloonregeling.

(iii) In art. 16 AMEV-pensioenreglement (hierna: pensioenreglement) is een regeling opgenomen voor de indexering van de opgebouwde pensioenen na de beëindiging van het deelnemerschap.

(iv) Met ingang van 1 januari 2001 heeft Allianz de pensioenovereenkomst van [verweerder] ondergebracht bij Stichting Pensioenfonds Allianz Nederland (hierna: SPAN).

(v) [verweerder] heeft niet ingestemd met overdracht van de waarde van zijn tot 1 januari 2001 opgebouwde pensioenaanspraken aan SPAN.

(vi) Met ingang van 2013 is de cao gewijzigd in die zin dat het recht op indexering is omgezet naar een voorwaardelijk recht op basis van zogenoemde overrente.

(vii) SPAN heeft de bij ASR opgebouwde pensioenaanspraken van [verweerder] tot 1 januari 2013 geïndexeerd volgens de maatstaf van art. 16 pensioenreglement.

2.2

[verweerder] heeft – voor zover in cassatie van belang – een verklaring voor recht gevorderd dat de bij ASR opgebouwde pensioenaanspraken vanaf januari 2001 geïndexeerd moeten worden op grond van art. 16 pensioenreglement. Verder heeft hij veroordeling van Allianz en ASR gevorderd tot nakoming van, wat betreft Allianz de pensioenovereenkomst, en wat betreft ASR het pensioenreglement, in die zin dat de door [verweerder] tot 1 januari 2001 opgebouwde pensioenaanspraken bij ASR op grond van art. 16 pensioenreglement vanaf 1 januari 2001 onvoorwaardelijk zullen worden geïndexeerd.

2.3

De kantonrechter heeft het door Allianz gevoerde verjaringsverweer verworpen en daartoe het volgende overwogen (rov. 5.1):

“In ieder geval is onbetwist gesteld dat [verweerder] pas sinds 2013 bekend is met het feit dat er niet meer onvoorwaardelijk (op grond van het AMEV pensioenreglement) wordt geïndexeerd ten aanzien van zijn tot 1 januari 2001 opgebouwde pensioenaanspraken. Gelet op het feit dat er tot januari 2013 volledige indexatie heeft plaatsgevonden, bestaat er tot dat moment geen nadeel voor [verweerder] en derhalve ook geen vordering tot nakoming. Dat betekent dat de verjaringstermijn op grond van artikel 3:307 BW van vijfjaren eerst kan zijn gaan lopen vanaf dat moment. Dat betekent dat de door [verweerder] in deze procedure ingestelde vordering jegens [Allianz] niet is verjaard.”

Vervolgens heeft de kantonrechter de vorderingen van [verweerder] afgewezen op de grond dat [verweerder] geen gewezen deelnemer is in de zin van art. 16 pensioenreglement.1

2.4

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en voor recht verklaard dat de door [verweerder] opgebouwde pensioenaanspraken bij ASR vanaf 1 januari 2013 geïndexeerd moeten worden krachtens de maatstaf van art. 16 pensioenreglement.2 Verder heeft het hof Allianz en ASR veroordeeld tot nakoming van de pensioenovereenkomst, in die zin dat de door [verweerder] tot 1 januari 2001 opgebouwde pensioenaanspraken bij ASR, krachtens de maatstaf van art. 16 pensioenreglement, vanaf 1 januari 2013 onvoorwaardelijk zullen worden geïndexeerd. Allianz is veroordeeld tot financiering van deze indexatie.

Het hof heeft daartoe samengevat het volgende overwogen.

De kantonrechter heeft op juiste gronden beslist dat de door [verweerder] ingestelde vorderingen niet zijn verjaard. Het hof neemt het oordeel van de kantonrechter op dit punt over en maakt dit tot het zijne. (rov. 4)

[verweerder] is geen gewezen deelnemer in de zin van art. 16 pensioenreglement. (rov. 9)

[verweerder] heeft (subsidiair) aangevoerd dat de wijziging van de pensioenovereenkomst – van onvoorwaardelijke naar voorwaardelijke indexatie – in strijd is met art. 20 Pensioenwet (hierna ook: Pw). (rov. 12 en 13) Het verweer dat de Pensioenwet op de wijziging niet van toepassing is gaat niet op, omdat de indexatie op grond van de wijziging in de cao met ingang van 1 januari 2013 is gewijzigd en de Pensioenwet gold ten tijde van die wijziging. (rov. 14)

Een onvoorwaardelijk recht op indexatie kan ingevolge art. 20 Pw niet zonder instemming van de werknemer worden gewijzigd in een voorwaardelijk recht op indexatie. (rov. 16)

Uit art. 1 Pw blijkt dat tot opgebouwde aanspraken of rechten mede behoort de voortzetting van onvoorwaardelijke indexatie daarover/daarvan. (rov. 17)

De bepalingen in de verzekeringsovereenkomst tussen ASR en Allianz kunnen niet aan [verweerder] worden tegengeworpen, omdat hij geen partij is bij deze overeenkomst. Dat door Allianz geen premie voor indexatie is betaald, maar dat de indexatie wordt gefinancierd uit de overrente die Allianz van ASR ontvangt, kan evenmin aan [verweerder] worden tegengeworpen. (rov. 20)

De pensioenovereenkomst is niet rechtsgeldig gewijzigd, zodat de door [verweerder] bij ASR opgebouwde pensioenaanspraken moeten worden geïndexeerd krachtens de indexatiemaatstaf van art. 16 pensioenreglement. (rov. 21)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Het middel klaagt onder meer dat het hof ASR heeft veroordeeld tot nakoming van de pensioenovereenkomst tussen Allianz en [verweerder], waarbij ASR geen partij is, in de vorm van onvoorwaardelijke indexering van de tot 2001 opgebouwde pensioenaanspraken volgens het pensioenreglement, terwijl de rechtsverhouding tussen ASR en [verweerder] alleen wordt beheerst door de verzekeringsovereenkomst tussen ASR en Allianz, die is beëindigd onder de Pensioen- en spaarfondsenwet. De aanspraak op indexering na 2001 is niet door Allianz bij ASR verzekerd en zij heeft hiervoor geen premie ontvangen, aldus de klacht.

3.2

Bij werknemerspensioenen moeten worden onderscheiden de rechtsverhoudingen tussen (i) werkgever en werknemer (de pensioentoezegging), (ii) werkgever en pensioenverzekeraar of -fonds (ter uitvoering van de pensioentoezegging) en (iii) werknemer en pensioenverzekeraar of -fonds (om de aanspraak van de werknemer te bepalen). In deze zaak gaat het in cassatie om de rechtsverhouding tussen ASR als pensioenverzekeraar en [verweerder] als werknemer. [verweerder] heeft de rechten uit de verzekeringsovereenkomst aanvaard en geldt daardoor als partij bij de tussen Allianz en ASR gesloten overeenkomst (art. 6:254 lid 1 BW).

3.3

Het hof heeft ASR op dezelfde voet als Allianz veroordeeld tot nakoming van de tussen Allianz en [verweerder] geldende pensioenovereenkomst. De vordering van [verweerder] op ASR betreft echter een andere rechtsverhouding dan de vordering van [verweerder] op Allianz (zie hiervoor in 3.2). In het licht van de hiervoor in 3.1 weergegeven stellingen heeft het hof onvoldoende inzichtelijk gemaakt of een grondslag aanwezig is voor de gehoudenheid van ASR tot indexering van de tot 1 januari 2001 opgebouwde pensioenaanspraken, en zo ja welke. Het middel slaagt in zoverre.

3.4

Het middel klaagt verder terecht dat het hof het beroep van ASR op verjaring van de vordering van [verweerder] niet of niet toereikend gemotiveerd heeft verworpen.

Het hof heeft het verjaringsverweer van ASR verworpen door te verwijzen naar het oordeel van de kantonrechter dat de vorderingen van [verweerder] niet zijn verjaard, en dit oordeel tot het zijne te maken. De kantonrechter heeft (in rov. 5.1) evenwel alleen het verjaringsverweer van Allianz beoordeeld en verworpen. De vordering van [verweerder] op ASR betreft een andere rechtsverhouding dan de vordering van [verweerder] op Allianz (zie hiervoor in 3.2). Mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, kon het hof wat betreft het door ASR gevoerde verjaringsverweer dan ook niet volstaan met de verwijzing naar het oordeel van de kantonrechter over het verjaringsverweer van Allianz. Ook in zoverre slaagt het middel.

3.5

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 januari 2020;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ASR begroot op € 997,27 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 11 februari 2022.

1 Rechtbank Rotterdam 5 januari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:121.

2 Gerechtshof Den Haag 21 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:25.