Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:1430

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2022
Datum publicatie
14-10-2022
Zaaknummer
17/03685
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:348, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

IPR. Arbeidsovereenkomst bij internationaal wegvervoer. Uitleg van Detacheringsrichtlijn. Vrij verkeer van diensten (art. 56 VWEU). Afdoening na beantwoording van prejudiciële vragen door HvJEU. Vervolg van HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2174, HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2322 en HvJEU 1 december 2020, zaak C-815/18, ECLI:EU:C:2020:976.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-1146
NJB 2022/2380
RvdW 2022/960
JAR 2022/287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 17/03685

Datum 14 oktober 2022

ARREST

In de zaak van

FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,

rechtsopvolgster van FNV Bondgenoten,
gevestigd te Utrecht,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: FNV,

advocaat: S.F. Sagel

tegen

1. [verweerster 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de vennootschap naar vreemd recht

[verweerster 2] GMBH,
gevestigd te [vestigingsplaats], Duitsland,

3. de vennootschap naar vreemd recht

SILO-TANK KFT,
gevestigd te Székesfehérvar, Hongarije,

VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,

hierna: [verweerster 1], [verweerster 2] GmbH en Silo-Tank, en gezamenlijk [verweersters],

advocaat: F.M. Dekker.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:

a. zijn tussenarrest van 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2174 (hierna: het eerste tussenarrest);

b. zijn tussenarrest van 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2322 (hierna: het tweede tussenarrest);

c. het arrest in de zaak C-815/18 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 1 december 2020 (ECLI:EU:C:2020:976), zoals gerectificeerd bij beschikking van 2 februari 2021 (ECLI:EU:C:2021:87).

Naar aanleiding van het arrest van het HvJEU hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

De conclusie na prejudiciële verwijzing van de Advocaat-Generaal strekt in het principale beroep tot vernietiging en verwijzing ter verdere behandeling en beslissing en in het incidentele beroep tot verwerping.

De advocaat van FNV heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

De Hoge Raad verwijst voor de uitgangspunten en feiten, voor de vordering van FNV en voor de beslissingen van de kantonrechter en het hof naar de rov. 3.1, 3.2, 3.3 respectievelijk 3.4.1-3.4.4 van het tweede tussenarrest.

3. De prejudiciële vragen van de Hoge Raad en de beantwoording daarvan door het HvJEU

3.1

Naar aanleiding van onderdeel 1 van het middel in het principale beroep van FNV en naar aanleiding van onderdeel 1.1 van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep van [verweersters] heeft de Hoge Raad in het tweede tussenarrest, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de volgende prejudiciële vragen aan het HvJEU gesteld:

“1. Moet Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PbEG 1997, L 18/1; hierna: Detacheringsrichtlijn) aldus worden uitgelegd dat deze mede van toepassing is op een werknemer die als chauffeur werkzaam is in het internationaal wegvervoer, en zijn arbeid dus in meer dan één lidstaat verricht?

2(a). Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, aan de hand van welke maatstaf of welke gezichtspunten moet worden bepaald of een werknemer die als chauffeur werkzaam is in het internationaal wegvervoer, “op het grondgebied van een Lid-Staat” ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in art. 1 leden 1 en 3 Detacheringsrichtlijn, en of die werknemer “gedurende een bepaalde periode werkt op het grondgebied van een Lid-Staat die niet de Staat is waar die werknemer gewoonlijk werkt” als bedoeld in art. 2 lid 1 Detacheringsrichtlijn?

2(b). Komt bij de beantwoording van vraag 2(a) betekenis toe, en zo ja welke, aan de omstandigheid dat de onderneming die de in vraag 2(a) bedoelde werknemer ter beschikking stelt, is gelieerd – bijvoorbeeld in concernverband – aan de onderneming waaraan die werknemer ter beschikking wordt gesteld?

2(c). Indien de arbeid van de in vraag 2(a) bedoelde werknemer deels bestaat in cabotagevervoer – dat wil zeggen: vervoer dat uitsluitend wordt verricht op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat waar die werknemer gewoonlijk werkt – wordt die werknemer dan in elk geval voor dat gedeelte van zijn werkzaamheden geacht tijdelijk te werken op het grondgebied van eerstgenoemde lidstaat? Zo ja, geldt in dit verband een ondergrens, bijvoorbeeld in de vorm van een minimumperiode per maand waarin dat cabotagevervoer plaatsvindt?

3(a). Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, hoe moet het begrip ‘collectieve arbeidsovereenkomsten … die algemeen verbindend zijn verklaard’ als bedoeld in art. 3 lid 1 en lid 8, eerste alinea, Detacheringsrichtlijn worden uitgelegd? Is sprake van een autonoom Unierechtelijk begrip en is dus voldoende dat in feitelijk opzicht is voldaan aan de in art. 3 lid 8, eerste alinea, Detacheringsrichtlijn gestelde voorwaarden, of vereisen deze bepalingen tevens dat de collectieve arbeidsovereenkomst op grond van het nationale recht algemeen verbindend is verklaard?

3(b). Indien een collectieve arbeidsovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst in de zin van art. 3 lid 1 en lid 8, eerste alinea, Detacheringsrichtlijn, verzet art. 56 VWEU zich dan ertegen dat een in een lidstaat gevestigde onderneming die een werknemer beschikbaar stelt op het grondgebied van een andere lidstaat, langs contractuele weg wordt verplicht tot naleving van bepalingen van een dergelijke collectieve arbeidsovereenkomst die geldt in laatstgenoemde lidstaat?”

3.2

Het HvJEU heeft deze prejudiciële vragen als volgt beantwoord:

“1) Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten moet aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing is op transnationale dienstverrichtingen in de sector van het wegvervoer.

2) Artikel 1, leden 1 en 3, en artikel 2, lid 1, van richtlijn 96/71 moeten aldus worden uitgelegd dat een werknemer die als chauffeur werkzaam is in de sector van het internationaal wegvervoer, in het kader van een charterovereenkomst tussen de in een lidstaat gevestigde onderneming waarbij hij in dienst is en een onderneming die zich bevindt in een lidstaat die niet de staat is waar de betrokkene gewoonlijk werkt, een werknemer is die ter beschikking is gesteld op het grondgebied van een lidstaat in de zin van die bepalingen indien het werk dat hij gedurende de aan de orde zijnde bepaalde periode verricht een voldoende nauwe band vertoont met dat grondgebied. Of er sprake is van een dergelijke band wordt bepaald in het kader van een algehele beoordeling van factoren zoals de aard van de werkzaamheden die de betrokken werknemer op dat grondgebied verricht, de mate waarin de werkzaamheden van die werknemer verband houden met het grondgebied van elke lidstaat waar hij werkzaam is en het aandeel van die werkzaamheden op het grondgebied van elke lidstaat in de vervoersdienst als geheel.

Het feit dat een chauffeur die werkzaam is in het internationaal vervoer en door een in een lidstaat gevestigde onderneming ter beschikking is gesteld van een in een andere lidstaat gevestigde onderneming, de instructies voor zijn opdrachten ontvangt, die opdrachten begint of die opdrachten beëindigt op het hoofdkantoor van die tweede onderneming, is op zich ontoereikend om te stellen dat die chauffeur op het grondgebied van die andere lidstaat ter beschikking is gesteld in de zin van richtlijn 96/71, indien het werk dat die chauffeur verricht op basis van andere factoren geen voldoende nauwe band vertoont met dat grondgebied.

3) Artikel 1, leden 1 en 3, en artikel 2, lid 1, van richtlijn 96/71 moeten aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat de ondernemingen die partij zijn bij de overeenkomst voor de terbeschikkingstelling van werknemers gelieerd zijn in concernverband, op zich niet relevant is bij de beoordeling of er sprake is van een terbeschikkingstelling van werknemers.

4) Artikel 1, leden 1 en 3, en artikel 2, lid 1, van richtlijn 96/71 moeten aldus worden uitgelegd dat een werknemer die als chauffeur werkzaam is in de sector van het wegvervoer en die, in het kader van een charterovereenkomst tussen de in een lidstaat gevestigde onderneming waarbij hij in dienst is en een onderneming die zich bevindt in een andere lidstaat, cabotagevervoer verricht op het grondgebied van een lidstaat die niet de lidstaat is waar die werknemer gewoonlijk werkt, in beginsel moet worden geacht ter beschikking te zijn gesteld op het grondgebied van de lidstaat waar dat vervoer wordt verricht. De duur van het cabotagevervoer is geen relevante factor voor de beoordeling of er sprake is van een dergelijke terbeschikkingstelling, onverminderd de mogelijke toepassing van artikel 3, lid 3, van die richtlijn.

5) Artikel 3, leden 1 en 8, van richtlijn 96/71 moet aldus worden uitgelegd dat de vraag of een collectieve arbeidsovereenkomst algemeen verbindend is verklaard, moet worden beantwoord op basis van het toepasselijke nationale recht. Een collectieve arbeidsovereenkomst die niet algemeen verbindend is verklaard maar die door de onder die collectieve arbeidsovereenkomst vallende ondernemingen moet worden nageleefd om vrijstelling te verkrijgen van een andere collectieve arbeidsovereenkomst die wel algemeen verbindend is verklaard, en waarvan de bepalingen in essentie gelijkluidend zijn aan de bepalingen van die andere collectieve arbeidsovereenkomst, voldoet aan het in artikel 3, leden 1 en 8, van richtlijn 96/71 bedoelde begrip.”

4 Verdere beoordeling van het middel in het principale beroep

Inleiding

4.1

Onderdeel 1 van het middel ziet op de uitleg van art. 1 leden 1 en 3 Detacheringsrichtlijn. Naar aanleiding van de klachten van dit onderdeel heeft de Hoge Raad de (hiervoor in 3.1 vermelde) prejudiciële vragen 1, 2(a), 2(b) en 2(c) aan het HvJEU gesteld. Het HvJEU heeft deze vragen beantwoord onder 1-4 van het dictum van zijn arrest.

Internationaal wegvervoer en de Detacheringsrichtlijn

4.2.1

In rov. 4.5 van het tweede tussenarrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de primaire klacht van onderdeel 1 feitelijke grondslag mist voor zover deze tot uitgangspunt neemt dat het hof heeft geoordeeld dat het internationaal wegvervoer geheel buiten de reikwijdte van de Detacheringsrichtlijn valt, omdat het hof een dergelijk oordeel niet heeft gegeven. Niettemin heeft de Hoge Raad hierover de (hiervoor in 3.1 vermelde) prejudiciële vraag 1 gesteld, nu niet buiten twijfel is of de Detacheringsrichtlijn op internationaal wegvervoer van toepassing is en het antwoord op deze vraag voorafgaat aan beantwoording van de vragen die de primaire klacht van onderdeel 1 aan de orde stelt.

4.2.2

Het antwoord van het HvJEU op de eerste prejudiciële vraag houdt in dat de Detacheringsrichtlijn van toepassing is op transnationale dienstverrichtingen in de sector van het wegvervoer.

Primaire klacht van onderdeel 1: uitleg van art. 1 Detacheringsrichtlijn

4.3.1

Onderdeel 1 stelt de vraag aan de orde hoe het begrip ‘op het grondgebied van een lidstaat’ als bedoeld in art. 1 leden 1 en 3 Detacheringsrichtlijn moet worden uitgelegd ingeval van internationaal wegvervoer, zoals in deze zaak aan de orde. Het hof heeft dit begrip aldus uitgelegd dat de werkzaamheden van de betrokken werknemer in elk geval overwegend op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat moeten worden uitgevoerd (zie rov. 3.16.5 van het in cassatie bestreden arrest). Volgens de primaire klacht van onderdeel 1 is deze uitleg onjuist.

4.3.2

Hetgeen het HvJEU onder 2 en 3 van het dictum van zijn arrest – in antwoord op de prejudiciële vragen 2(a) en 2(b) – voor recht heeft verklaard, kan als volgt worden weergegeven.

Er is sprake van het ter beschikking stellen van een werknemer ‘op het grondgebied van een lidstaat’ als bedoeld in art. 1 Detacheringsrichtlijn indien het werk dat de ter beschikking gestelde werknemer verricht gedurende de aan de orde zijnde bepaalde periode, een voldoende nauwe band vertoont met het grondgebied van de lidstaat waar die werknemer dat werk verricht.

Of sprake is van een dergelijke band wordt bepaald in het kader van een algehele beoordeling van factoren zoals de aard van de werkzaamheden die de betrokken werknemer op dat grondgebied verricht, de mate waarin de werkzaamheden van die werknemer verband houden met het grondgebied van elke lidstaat waar hij werkzaam is en het aandeel van die werkzaamheden op het grondgebied van elke lidstaat in de vervoersdienst als geheel.

Daarbij heeft het HvJEU overwogen dat het feit dat een chauffeur die werkzaam is in het internationaal vervoer en door een in een lidstaat gevestigde onderneming ter beschikking is gesteld van een in een andere lidstaat gevestigde onderneming, de instructies voor zijn opdrachten ontvangt, die opdrachten begint of die opdrachten beëindigt op het hoofdkantoor van die tweede onderneming, op zich ontoereikend is om te stellen dat die chauffeur op het grondgebied van die andere lidstaat ter beschikking is gesteld in de zin van de Detacheringsrichtlijn, indien het werk dat die chauffeur verricht op basis van andere factoren geen voldoende nauwe band vertoont met dat grondgebied.

Ten slotte heeft het HvJEU overwogen – in antwoord op de prejudiciële vraag 2(b) – dat de omstandigheid dat de ondernemingen die partij zijn bij de overeenkomst voor de terbeschikkingstelling van werknemers gelieerd zijn in concernverband, op zich niet relevant is bij de beoordeling of sprake is van een terbeschikkingstelling van werknemers.

4.3.3

Uit hetgeen hiervoor in 4.3.2 is weergegeven, volgt dat de primaire klacht van onderdeel 1 slaagt. Door het vereiste te stellen dat de werkzaamheden van de betrokken werknemer in elk geval overwegend op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat worden uitgevoerd, heeft het hof miskend dat voor de toepassing van de art. 1 leden 1 en 3 en art. 2 lid 1 Detacheringsrichtlijn beslissend is – kort gezegd – of sprake is van een voldoende nauwe band tussen het werk dat de betrokken werknemer tijdelijk verricht en het grondgebied van de lidstaat waar hij dat werk verricht, waarbij die voldoende nauwe band wordt bepaald op de hiervoor in 4.3.2 omschreven wijze. Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven.

4.3.4

In het geding na verwijzing dienen partijen in de gelegenheid te worden gesteld hun stellingen aan te passen naar aanleiding van hetgeen het HvJEU in verband met de beantwoording van de prejudiciële vragen 2(a) en 2(b) heeft overwogen en voor recht heeft verklaard.

4.3.5

Opmerking verdient dat – anders dan FNV in haar reactie op de conclusie na prejudiciële verwijzing van de Advocaat-Generaal betoogt – in (punt 50 van) het arrest van het HvJEU niet een regel ligt besloten die meebrengt dat de partij die zich op het standpunt stelt dat een voldoende nauwe band ontbreekt met het grondgebied van de lidstaat waar een chauffeur op- en afstapt en waarvandaan aan hem instructies worden gegeven, moet aanvoeren welke factoren duiden op afwezigheid van die voldoende nauwe band.

Subsidiaire klacht van onderdeel 1: cabotage

4.4.1

Onderdeel 1 voert subsidiair aan dat het hof heeft miskend dat een deel van de ritten die [verweerster 2] GmbH en Silo-Tank voor [verweerster 1] uitvoeren, geheel in Nederland plaatsvindt, zodat de betrokken chauffeurs voor dat deel van hun werkzaamheden wel degelijk rechten kunnen ontlenen aan de Detacheringsrichtlijn.

In rov. 4.6.2 van het tweede tussenarrest heeft de Hoge Raad overwogen dat in cassatie tot uitgangspunt moet worden genomen dat een deel van de ritten die [verweerster 2] GmbH en Silo-Tank voor [verweerster 1] uitvoeren, geheel in Nederland plaatsvindt, nu het hof de juistheid van de stelling van FNV op dit punt in het midden heeft gelaten.

Voorts heeft de Hoge Raad in rov. 4.6.3 van het tweede tussenarrest de vraag onder ogen gezien of zogenoemde cabotage – ritten die geheel binnen de grenzen van een lidstaat worden uitgevoerd door een buitenlandse transportonderneming – binnen de reikwijdte van de Detacheringsrichtlijn valt.

Een en ander heeft ertoe geleid dat de Hoge Raad de (hiervoor in 3.1 vermelde) prejudiciële vraag 2(c) aan het HvJEU heeft gesteld.

4.4.2

Uit hetgeen het HvJEU onder 4 van het dictum van zijn arrest voor recht heeft verklaard, volgt dat een werknemer die cabotagevervoer verricht op het grondgebied van een lidstaat die niet de lidstaat is waar die werknemer gewoonlijk werkt, in beginsel moet worden geacht ter beschikking te zijn gesteld op het grondgebied van de lidstaat waar dat vervoer wordt verricht, een en ander als bedoeld in de Detacheringsrichtlijn. Daarbij is de duur van het cabotagevervoer geen relevante factor.1

4.4.3

Het vorenstaande brengt mee dat ook de subsidiaire klacht van onderdeel 1 slaagt.

Overige klachten

4.5

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

5 Verdere beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep

Inleiding

5.1

Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat de klachten in het principale beroep (deels) slagen en tot vernietiging van het bestreden arrest leiden. Uit hetgeen hiervoor in 4.3.3 en 4.4.3 is overwogen, volgt dat deze voorwaarde is vervuld, zodat het middel in het incidentele beroep dient te worden behandeld.

Onderdeel 1.1: het begrip algemeen verbindend verklaarde cao

5.2.1

Onderdeel 1.1 van het middel ziet op de uitleg van art. 3 leden 1 en 8 Detacheringsrichtlijn. Naar aanleiding van de klacht van dit onderdeel heeft de Hoge Raad de (hiervoor in 3.1 vermelde) prejudiciële vragen 3(a) en 3(b) aan het HvJEU gesteld. Het HvJEU heeft deze vragen beantwoord onder 5 van het dictum van zijn arrest.

5.2.2

Het onderdeel stelt de vraag aan de orde hoe het begrip ‘algemeen verbindend verklaard’ als bedoeld in art. 3 leden 1 en 8 Detacheringsrichtlijn moet worden uitgelegd. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat op grond van art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn voor een buitenlandse dienstverlener slechts arbeidsvoorwaarden verplicht kunnen worden gesteld die zijn vastgelegd in een cao die algemeen verbindend is verklaard. De desbetreffende cao voldoet niet aan die voorwaarde, aldus het onderdeel.

5.2.3

Hetgeen het HvJEU onder 5 van het dictum van zijn arrest voor recht heeft verklaard, kan als volgt worden weergegeven.

De vraag of een cao algemeen verbindend is verklaard in de zin van art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn, moet worden beantwoord op basis van het toepasselijke nationale recht.

Een cao die niet algemeen verbindend is verklaard maar die door de onder die cao vallende ondernemingen moet worden nageleefd om vrijstelling te verkrijgen van een andere cao die wel algemeen verbindend is verklaard, en waarvan de bepalingen in essentie gelijkluidend zijn aan de bepalingen van die andere cao, voldoet aan het in art. 3 leden 1 en 8 Detacheringsrichtlijn bedoelde begrip.

5.2.4

Het vorenstaande brengt mee dat de hiervoor in 5.2.2 weergegeven klacht faalt. Het hof heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over art. 3 leden 1 en 8 Detacheringsrichtlijn door te oordelen (in rov. 3.14.4-3.14.6 van het in cassatie bestreden arrest) dat de situatie die zich in dit geval voordoet – te weten: (i) dat de cao Beroepsgoederenvervoer algemeen verbindend is verklaard, (ii) deze cao en de niet algemeen verbindend verklaarde cao GN vrijwel gelijkluidend zijn, en (iii) [verweerster 1] vrijstelling heeft verkregen van de toepasselijkheid van de cao Beroepsgoederenvervoer op de grond dat zij viel onder de cao GN – materieel op één lijn moet worden gesteld met het geval dat de cao GN wel algemeen verbindend zou zijn verklaard.

Overige klachten

5.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 mei 2017;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt [verweersters] in de kosten van het geding in cassatie, daaronder begrepen de kosten verband houdende met de behandeling van de zaak bij het HvJEU, tot op deze uitspraak aan de zijde van FNV begroot op € 1.041,90 aan verschotten en € 4.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweersters] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan;

in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [verweersters] in de kosten van het geding in cassatie, daaronder begrepen de kosten verband houdende met de behandeling van de zaak bij het HvJEU, tot op deze uitspraak aan de zijde van FNV begroot op € 68,07 aan verschotten en € 4.400,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 14 oktober 2022.

1 Zie de conclusie na prejudiciële verwijzing van de Advocaat-Generaal onder 4.19 voor de betekenis van de verwijzing door het HvJEU onder 4 van het dictum van zijn arrest naar art. 3 lid 3 Detacheringsrichtlijn.