Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:1339

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2022
Datum publicatie
30-09-2022
Zaaknummer
21/02295
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:235, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2021:553, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Art. 4:126 BW. Art. 4:7 BW. Quasi-legaat? Omzetting van natuurlijke verbintenis in rechtens afdwingbare verbintenis. Strekking van de omzetting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/2249
RvdW 2022/889
ERF-Updates.nl 2022-0305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/02295

Datum 30 september 2022

ARREST

In de zaak van

[A],
wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

hierna: [A],

advocaat: C.G.A. van Stratum,

tegen

1. [B],
wonende te [woonplaats],

2. [de zoon],
wonende te [woonplaats],

Beiden pro se en in hun hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [de erflater],

VERWEERDERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: [verweerders], en afzonderlijk: [B] en [de zoon],

advocaat: J.W. de Jong.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/09/555353 / HAZA 18-712 van de rechtbank Den Haag van 12 september 2018, 24 juli 2019 en 11 september 2019;

  2. het arrest in de zaak 200.268.805/01 van het gerechtshof Den Haag van 2 maart 2021.

[A] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor [verweerders] toegelicht door hun advocaat, en mede door J.B.B. Heinen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [A] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of een vordering op de nalatenschap uit hoofde van huwelijkse voorwaarden moet worden aangemerkt als een zogenoemd quasi-legaat. Het antwoord op die vraag bepaalt de rangorde van die vordering ten opzichte van de overige schulden van de nalatenschap. Dat is van belang omdat de nalatenschap ontoereikend is om alle aanspraken te voldoen.

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [A] en [de erflater] (hierna: erflater) zijn in 2010 met elkaar gehuwd.

(ii) Erflater heeft, voorafgaand aan zijn huwelijk met [A], een langdurige affectieve relatie gehad met [B]. Erflater en [B] hebben bij de beëindiging van die relatie een vaststellingsovereenkomst gesloten die onder meer inhoudt dat erflater het vruchtgebruik van een bedrag van € 1.000.000,-- schuldig zal erkennen aan [B] onder de opschortende voorwaarde dat zij nog in leven is ten tijde van het overlijden van erflater.

(iii) [de zoon] is de zoon van erflater.

(iv) Voorafgaand aan hun huwelijk zijn [A] en erflater huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Art. 6 van de huwelijkse voorwaarden luidt, voor zover relevant:

6. Uitkering

Mede ter nakoming van zijn natuurlijke verbintenis tot verzorging en onderhoud van [[A]], is [erflater] bij het einde van het huwelijk door overlijden en bij het einde van het huwelijk anders dan overlijden, verplicht uit te keren aan [[A]] een bedrag in contanten groot vijfhonderdduizend euro (€ 500.000,00), welk bedrag wordt vermeerderd met eenhonderdduizend euro voor elk jaar dat zijn huwelijk met [[A]] voortduurt, met dien verstande dat de uitkering nimmer meer zal bedragen dan een miljoen euro (€ 1.000.000,00).

Genoemd bedrag zal worden geïndexeerd op basis van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek te publiceren ConsumentenPrijsIndexcijfer (CPI), reeks alle huishoudens, met als basisjaar tweeduizend is honderd (2000=100). (…)”

(v) [A] heeft op 22 januari 2016 een verzoek tot echtscheiding ingediend.

(vi) Erflater heeft, onder herroeping van eerder gemaakte uiterste wilsbeschikkingen, bij testament van 5 september 2016 de wettelijke verdeling uitgesloten, [A] onterfd en [verweerders] als erfgenamen aangewezen.

(vii) Op 9 augustus 2017 is erflater overleden.

(viii) [verweerders] hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. [de zoon] heeft een beroep gedaan op zijn legitieme portie.

(ix) De rechtbank heeft bij beschikking van 6 oktober 2017 [A] niet-ontvankelijk verklaard in haar echtscheidingsverzoek omdat erflater was overleden.

2.3

[A] vordert, voor zover in cassatie van belang, dat voor recht wordt verklaard dat zij uit hoofde van art. 6 van de huwelijkse voorwaarden een vordering heeft op de nalatenschap ten bedrage van € 1.115.000,-- en dat deze vordering een schuld als bedoeld in art. 4:7 lid 1, onder a, BW betreft. [verweerders] vorderen, voor zover in cassatie van belang, dat voor recht wordt verklaard dat de vordering van [A] uit hoofde van art. 6 van de huwelijkse voorwaarden moet worden gekwalificeerd als een quasi-legaat en dat die vordering een schuld als bedoeld in art. 4:7 lid 1, onder i, BW betreft.

Bij vonnis van 24 juli 2019, zoals aangevuld bij herstelvonnis van 11 september 2019, heeft de rechtbank de hiervoor genoemde vordering van [A] toegewezen en die van [verweerders] afgewezen.

2.4

Het hof1 heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat [A] uit hoofde van art. 6 van de huwelijkse voorwaarden een vordering op de nalatenschap heeft van € 1.115.000,--, welke vordering moet worden gekwalificeerd als een quasi-legaat, en vastgesteld dat deze vordering een schuld is als bedoeld in art. 4:7 lid 1, onder i, BW die moet worden voldaan met inachtneming van hetgeen is bepaald in art. 4:7 lid 2 BW.

Het hof heeft daartoe het volgende overwogen.

De uitkering aan [A] uit hoofde van art. 6 van de huwelijkse voorwaarden valt binnen de omschrijving van het quasi-legaat van art. 4:126 lid 1 in verbinding met lid 2, onder c, BW. De schuld vloeit voort uit een door erflater erkende natuurlijke verbintenis die in de huwelijkse voorwaarden is omgezet in een rechtens afdwingbare, voor zowel de situatie dat het huwelijk door echtscheiding eindigt als de situatie dat het huwelijk door overlijden eindigt. Het huwelijk is geëindigd door het overlijden van erflater. Het is op deze grond dat [A] aanspraak maakt op de uitkering. Voor deze situatie geldt dat de verbintenis in de huwelijkse voorwaarden de strekking heeft eerst na het overlijden van erflater te worden nagekomen. Dat [A] eerder in het kader van de echtscheidingsprocedure aanspraak heeft gemaakt op de uitkering maakt dat niet anders: het huwelijk is niet door echtscheiding geëindigd en de verbintenis is dan ook niet hierop gegrond. De verbintenis is daarnaast ook niet reeds tijdens het leven van erflater nagekomen. De slotsom is dan ook dat de schuld moet worden aangemerkt als een quasi-legaat en als zodanig valt onder de schulden vermeld in art. 4:7 lid 1, onder i, BW. (rov. 22)

3 Beoordeling van het middel

3.1

De onderdelen 2.2.(I) en 2.2.(II) van het middel klagen dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien slechts sprake kan zijn van een quasi-legaat als bedoeld in art. 4:126 lid 2, onder c, BW indien de strekking is dat de verbintenis uitsluitend na het overlijden van de schuldenaar zal worden nagekomen.

3.2.1

Art. 4:126 lid 1 BW bepaalt onder meer dat een schenking of andere gift, voor zover deze de strekking heeft dat zij pas na het overlijden van de schenker of gever wordt uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker of gever is uitgevoerd, voor de toepassing van hetgeen in Boek 4 BW is bepaald betreffende inkorting en vermindering wordt aangemerkt als een legaat ten laste van de gezamenlijke erfgenamen. In de praktijk wordt een dergelijke schenking of gift een ‘quasi-legaat’ genoemd.

Art. 4:126 lid 2, onder c, BW verklaart lid 1 van overeenkomstige toepassing op de omzetting van een natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare, voor zover deze de strekking heeft dat de verbintenis pas na het overlijden van de schuldenaar zal worden nagekomen, en deze verbintenis niet reeds tijdens diens leven is nagekomen.

3.2.2

De woorden ‘voor zover’ in art. 4:126 lid 2, onder c, BW houden uitdrukkelijk rekening met de mogelijkheid dat uit een overeenkomst van omzetting zowel aanspraken op prestaties voortvloeien die pas na overlijden opeisbaar zijn, als aanspraken op prestaties die reeds bij leven opeisbaar zijn. Dit brengt mee dat de eerstgenoemde aanspraken als quasi-legaat kunnen worden aangemerkt, terwijl laatstgenoemde aanspraken buiten het toepassingsbereik van art. 4:126 lid 2, onder c, BW vallen. De strekking van de omzetting behoeft dus niet ertoe te zijn beperkt dat de verbintenis pas na het overlijden van de schuldenaar zal worden nagekomen.

3.2.3

Het hof heeft overwogen dat de schuld aan [A] voortvloeit uit een door erflater erkende natuurlijke verbintenis, die in de huwelijkse voorwaarden is omgezet in een rechtens afdwingbare verbintenis voor zowel de situatie dat het huwelijk door echtscheiding eindigt als de situatie dat het huwelijk door het overlijden van erflater eindigt. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat voor de, zich voordoende, situatie dat het huwelijk door het overlijden van erflater is geëindigd, sprake is van een quasi-legaat omdat de verbintenis de strekking heeft eerst na het overlijden van erflater te worden nagekomen. Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen volgt dat het hof met dit laatste oordeel geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht faalt.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 30 september 2022.

1 Gerechtshof Den Haag 2 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:553.