Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:1332

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-09-2022
Datum publicatie
30-09-2022
Zaaknummer
21/01256
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:77, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2020:3578, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Arbitrage. Bedrog door achterhouden stukken. Ontdekking tijdens arbitrale procedure na tussenvonnis met bindende eindbeslissingen maar vóór einduitspraak in eerste aanleg. Verplichting arbiters beroep op bedrog te onderzoeken. Terugkomen van beslissingen in vonnis waartegen tussentijds arbitraal hoger beroep was ingesteld. Herroeping, art. 1068 lid 1 (oud) Rv. Strijd met de openbare orde, art. 1065 lid 1, onder e, (oud) Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2022/2248
RvdW 2022/888
JIN 2022/166 met annotatie van Rijswijk, M.C. van, Boer, J.A.G. de
NTHR 2022, afl. 6, p. 233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 21/01256

Datum 30 september 2022

ARREST

In de zaak van

[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

hierna: [eiseres],

advocaten: R.P.J.L. Tjittes en H. Boom,

tegen

ELITE SYSTEMEN B.V.,
gevestigd te Oss,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Elite,

advocaat: M.A.J.G. Janssen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/13/635699 / HA ZA 17-973 van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2019 en 22 mei 2019;

  2. het arrest in de zaak 200.261.836/01 van het gerechtshof Amsterdam van 22 december 2020.

[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Elite heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [eiseres] mede door C.A. Bosma en voor Elite mede door T.M. Subelack.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaten van [eiseres] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1

(i) Tussen [eiseres] als hoofdaannemer en Elite als onderaannemer is een geschil gerezen over de levering en montage van systeemplafonds voor een nieuwbouwproject. In de overeenkomst tussen partijen was een arbitragebeding opgenomen.

(ii) In 2011 is Elite een procedure begonnen tegen [eiseres] bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw met een vordering tot betaling van haar eindfactuur. [eiseres] heeft in reconventie gesteld dat Elite aansprakelijk is voor vertragingsschade.

(iii) Bij arbitraal tussenvonnis van 11 december 2012 heeft het scheidsgerecht in eerste aanleg geoordeeld dat Elite niet aansprakelijk is voor vertraging. Het scheidsgerecht heeft daartoe overwogen dat tussen partijen vaststaat dat de vertraging door [A], de leverancier van Elite, is veroorzaakt, dat [A] als een door [eiseres] aangewezen leverancier moet worden aangemerkt en dat Elite het redelijkerwijs nodige heeft gedaan om [A] tot tijdige nakoming te bewegen.

(iv) [eiseres] heeft tegen het arbitraal tussenvonnis tussentijds arbitraal hoger beroep ingesteld. Bij arbitraal vonnis van 7 juli 2014 heeft het scheidsgerecht in hoger beroep de grieven van [eiseres] verworpen.

(v) Vervolgens heeft [eiseres] op grond van het achterhouden door Elite van feiten en stukken aan het scheidsgerecht in eerste aanleg verzocht terug te komen van de beslissingen dat tussen partijen vaststaat dat de vertraging door [A] is veroorzaakt en dat Elite het redelijkerwijs nodige heeft gedaan om [A] tot tijdige nakoming te bewegen.

(vi) Het scheidsgerecht in eerste aanleg heeft bij arbitraal eindvonnis van 15 oktober 2015 geoordeeld dat het geen aanleiding zag om terug te komen van deze beslissingen. Het heeft daartoe onder meer overwogen:

“De brief van 21 oktober 2010 werpt geen nieuw licht op het geschil zodanig dat daardoor een overweging voor heroverweging in aanmerking komt. Dat de leverancier in haar eigen brief meldt dat zij van mening is niet aansprakelijk te zijn voor vertraging, is op zich niet verrassend. Die eigen mededeling levert dan ook geen bewijs op van een feit, laat staan een nieuw feit. (...)

Arbiters hebben bij tussenvonnis overwogen dat uit de uitspraken van de leverancier tijdens die vergadering blijkt dat de leverancier organisatorische en productieproblemen had en zich niet aan de toegezegde levertijd van zes weken kon houden. Daarmee staat vast dat de leverancier vertraging heeft veroorzaakt. Enige vertraging aan de zijde van onderaanneemster heeft hoofdaanneemster daartegenover niet aannemelijk gemaakt. Uit het verslag van de vergadering blijkt met name niet dat de vertragingsoorzaken gelegen zijn in aan onderaanneemster te wijten oorzaken. Arbiters zien derhalve geen aanleiding terug te komen op hun overwegingen in het tussenvonnis.

(…) Ter zitting benadrukte hoofdaanneemster nog dat uit de brief van 21 oktober 2010 voor het eerst blijkt dat de leverancier niet verantwoordelijk is voor het inmeten en dat zij dat uitdrukkelijk van haar opdracht had uitgesloten. Arbiters zijn van oordeel dat daarin niets nieuws besloten ligt. (...) Voor zover hoofdaanneemster meende niet volledig op de hoogte te zijn van de inhoud van de contractuele relatie tussen onderaanneemster en de leverancier, had zij van de standaard uit kunnen gaan. De brief van 21 oktober 2010 meldt in dat opzicht niets bijzonders. (...) ”

(vii) [eiseres] heeft tegen deze uitspraak arbitraal hoger beroep ingesteld.

(viii) Bij arbitraal vonnis van 12 december 2016 heeft het scheidsgerecht in hoger beroep overwogen dat het scheidsgerecht in eerste aanleg niet kon terugkomen van beslissingen waartegen in het eerdere hoger beroep niet was gegriefd of die in dat eerdere hoger beroep waren bekrachtigd. In aansluiting daarop heeft het scheidsgerecht overwogen dat ook als mocht blijken dat Elite feiten en stukken heeft achtergehouden, dat niet tot heroverweging van onherroepelijke bindende eindbeslissingen kan leiden. Volgens het scheidsgerecht rest dan slechts de mogelijkheid van een verzoek tot herroeping op de voet van art. 1068 (oud) Rv.

(ix) De arbitrale vonnissen van 11 december 2012, 7 juli 2014, 15 oktober 2015 en 12 december 2016 worden hierna gezamenlijk aangeduid als de ‘arbitrale vonnissen’.

2.2.1

[eiseres] heeft in deze procedure bij het hof gevorderd dat de arbitrale vonnissen gedeeltelijk worden herroepen op de voet van art. 1068 (oud) Rv, althans gedeeltelijk worden vernietigd op de voet van art. 1065 (oud) Rv.

2.2.2

Het hof heeft de vordering tot herroeping afgewezen op de grond dat niet was voldaan aan het voor herroeping gestelde vereiste dat het achterhouden van stukken en feiten is ontdekt na afloop van de arbitrale procedure. In een overweging ten overvloede heeft het hof als onjuist bestempeld het oordeel van het scheidsgerecht in hoger beroep dat ook als mocht blijken dat Elite stukken en feiten heeft achtergehouden, slechts de mogelijkheid van een verzoek tot herroeping openstaat.2

2.2.3

Het hof heeft zich met betrekking tot de vordering tot gedeeltelijke vernietiging onbevoegd verklaard en heeft de zaak in zoverre verwezen naar de rechtbank.3

2.2.4

De rechtbank heeft de vordering tot vernietiging afgewezen. Zij heeft geoordeeld dat daargelaten of, indien sprake is van bedrog, dit op zichzelf ertoe kan leiden dat de arbitrale vonnissen in strijd zijn met de openbare orde en dit een grond voor vernietiging oplevert, niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van bedrog aan de zijde van Elite.

2.2.5

[eiseres] heeft hoger beroep ingesteld. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de arbitrale vonnissen als gevolg van bedrog door Elite op onjuiste feiten zijn gebaseerd en daarom in strijd zijn met de openbare orde als bedoeld in art. 1065 lid 1, onder e, (oud) Rv.

2.2.6

Het hof heeft in het bestreden arrest4 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft overwogen dat het verwijt dat Elite bedrog heeft gepleegd – indien juist – grond voor herroeping oplevert. Dat daardoor de arbitrale vonnissen op onjuiste feiten zijn gebaseerd, raakt – indien juist – op zichzelf niet de openbare orde en levert geen grond op voor vernietiging. (rov. 3.8)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 2 van het middel voert in de eerste plaats aan dat het hof heeft miskend dat niet aan de vereisten voor herroeping op de voet van art. 1068 lid 1 (oud) Rv is voldaan omdat het bedrog al tijdens de arbitrale procedure is ontdekt. Het onderdeel betoogt voorts dat onjuist is het oordeel van het hof dat het niet de openbare orde raakt en dus geen grond voor vernietiging oplevert als de arbitrale vonnissen als gevolg van bedrog op onjuiste feiten zijn gebaseerd.

3.2.1

Bij de beoordeling van deze klachten dient het volgende tot uitgangspunt.

3.2.2

Herroeping kan ingevolge art. 1068 lid 1 (oud) Rv slechts plaatsvinden op de gronden (a) dat het vonnis geheel of ten dele berust op na de uitspraak ontdekt bedrog, door of met medeweten van de wederpartij in de arbitrale procedure gepleegd, (b) dat het vonnis geheel of ten dele berust op stukken die na de uitspraak vals blijken te zijn, of (c) dat een partij na de uitspraak stukken die op de beslissing van het scheidsgerecht van invloed zouden zijn geweest en door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden, in handen heeft gekregen. Deze gronden worden hierna gezamenlijk aangeduid als: bedrog.5

3.2.3

Herroeping op grond van bedrog is blijkens de tekst van art. 1068 lid 1 (oud) Rv alleen mogelijk als het bedrog na de arbitrale procedure is ontdekt. Uit de strekking van de bepaling volgt dat het erom gaat of het bedrog redelijkerwijs nog in de arbitrale procedure aan de orde had kunnen worden gesteld.

3.2.4

Als een arbitraal vonnis tot stand is gekomen onder invloed van bedrog, kan dat grond opleveren voor het oordeel dat het vonnis, of de wijze waarop het vonnis tot stand kwam, in strijd is met de openbare orde zoals bedoeld in art. 1065 lid 1, onder e, (oud) Rv. Een partij kan in een vernietigingsprocedure dus op deze grond vernietiging van een arbitraal vonnis vorderen.6

Als bedrog tijdens een arbitrale procedure wordt ontdekt in een zodanig stadium dat dit redelijkerwijs nog aan de arbiters kan worden voorgelegd, geldt als uitgangspunt evenwel dat de partij die daarbij belang heeft het bedrog in de arbitrale procedure aan de orde moet stellen. Arbiters zijn in zodanig geval immers gehouden het beroep op bedrog op juistheid te onderzoeken, ook indien dat beroep wordt gedaan nadat al een tussenvonnis is gewezen.7 Dat geldt ook indien het gaat om beslissingen in een tussenvonnis waartegen eerder tussentijds arbitraal hoger beroep is ingesteld. Laat die partij dat na, dan kan het gestelde bedrog in beginsel niet alsnog in een vernietigingsprocedure aan de orde worden gesteld.

3.2.5

Indien een partij in een arbitrale procedure stelt dat zij na een tussenvonnis stukken in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden en dat de inhoud daarvan op de beslissing van het scheidsgerecht van invloed zou zijn geweest, zal zij de bedoelde stukken in het geding moeten brengen. Als arbiters het beroep op bedrog na beoordeling van deze stukken hebben verworpen, kan niet na beëindiging van de arbitrale procedure op dezelfde grond vernietiging worden gevorderd. In dat geval kan immers niet meer worden gezegd dat de arbitrale beslissing onder invloed van het achterhouden van stukken tot stand is gekomen en kan op die grond van strijd met de openbare orde geen sprake zijn.

3.3.1

Het volgens [eiseres] door Elite gepleegde bedrog bestaat erin dat Elite stukken heeft achtergehouden. Dat heeft [eiseres] tijdens de arbitrale procedure ontdekt. Onderdeel 2 klaagt in het licht van hetgeen hiervoor in 3.2.3 en 3.2.4 is overwogen terecht dat het hof dit heeft miskend en ten onrechte heeft aangenomen dat herroeping mogelijk was. De beslissing van het hof wordt echter zelfstandig gedragen door zijn oordeel dat de openbare orde niet in het geding is. Dat oordeel, dat kennelijk niet is bedoeld in de algemene zin die het onderdeel veronderstelt, is juist. De volgens [eiseres] door Elite achtergehouden stukken zijn ingebracht in de arbitrale procedure (zie hiervoor in 2.1 onder (v)) en door arbiters beoordeeld, waarmee niet meer kan worden gezegd dat de arbitrale beslissing onder invloed van het achterhouden van de stukken tot stand is gekomen (zie hiervoor in 3.2.5).

3.3.2

Het oordeel van het scheidsgerecht in zijn eindvonnis dat de volgens [eiseres] door Elite achtergehouden stukken geen nieuw licht op de zaak werpen en dat het geen aanleiding ziet om terug te komen van de in het tussenvonnis gegeven beslissingen (zie hiervoor in 2.1 onder (vi)) berustte niet op het gestelde achterhouden van stukken, maar op de waardering van die stukken door het scheidsgerecht. Die waardering raakt niet aan de openbare orde. Dat het scheidsgerecht in hoger beroep de desbetreffende beslissing van het scheidsgerecht in eerste aanleg niet in tweede instantie heeft beoordeeld, op de onjuiste processuele grond dat het scheidsgerecht in eerste aanleg niet kon terugkomen van beslissingen uit het tussenvonnis waartegen eerder tussentijds arbitraal hoger beroep was ingesteld (zie hiervoor in 3.2.4), maakt dat niet anders.

3.4

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.1 en 3.3.2 is overwogen, kan het oordeel van het hof dat het vonnis van de rechtbank, waarbij de vordering tot vernietiging is afgewezen, moet worden bekrachtigd, in stand blijven, ondanks de slagende klachten van onderdeel 2.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Elite begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 30 september 2022.

1 Zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1-2.7 en rov. 2.1-2.10 van het bestreden arrest van het hof Amsterdam van 22 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3578.

2 Gerechtshof Amsterdam 12 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1941.

3 Gerechtshof Amsterdam 29 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3507.

4 Gerechtshof Amsterdam 22 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3578.

5 HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, rov. 5.1.7.

6 HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, rov. 5.1.8.

7 Vgl. voor herroeping HR 20 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6207, rov. 5.7.