Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:13

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
20/01724
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:522, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2020:269, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Art. 23 Wet Bpf 2000. Pensioenrecht. Melding betalingsonmacht. Overgang van onderneming. Vervaltermijn van art. 7:663 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0071
OR-Updates.nl 2022-0014
NJB 2022/241
INS-Updates.nl 2022-0028
RvdW 2022/126
NJ 2022/29
JAR 2022/51 met annotatie van prof. mr. drs. M. Heemskerk
JIN 2022/32 met annotatie van Steenhoven, J. van der
PJ 2022/22
JOR 2022/111 met annotatie van Waninge, M.P.
RAV 2022/24
JONDR 2022/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01724

Datum 14 januari 2022

ARREST

In de zaak van

STICHTING PENSIOENFONDS ZORG EN WELZIJN,
gevestigd te Utrecht, kantoorhoudende te Zeist,

EISERES tot cassatie,

hierna: PFZW,

advocaat: S.F. Sagel,

tegen

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [verweerder] ,

advocaat: J.W. de Jong.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak C/10/530430/HA ZA 17-657 van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2018 en 14 november 2018;

  2. het arrest in de zaak 200.254.513/01 van het gerechtshof Den Haag van 3 maart 2020.

PFZW heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor PFZW mede door E.M.T. Huijzer.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) PFZW is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een Bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000).

(ii) [A] B.V. (hierna: [A] ) was verplicht bij haar werknemers ingehouden pensioenpremie af te dragen aan PFZW.

(iii) [verweerder] heeft vanaf 2008 managementactiviteiten verricht voor [A] . Vanaf 17 juli 2008 was [verweerder] statutair bestuurder van [A] .

(iv) De toenmalige bestuurder van [A] heeft in mei 2008 met PFZW een betalingsregeling getroffen ten aanzien van een toen nog onbetaalde factuur van PFZW van eind maart 2008 ten bedrage van ruim € 700.000. [A] heeft aan die betalingsregeling uitvoering gegeven tot eind augustus 2008, door betalingen te doen van in totaal ruim € 410.000.

(v) In de periode daarna heeft PFZW nog diverse facturen aan [A] gezonden, die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. [verweerder] heeft aan PFZW geschreven dat [A] niet in staat is de pensioenpremie tijdig te voldoen, tussen PFZW en [A] is opnieuw een betalingsregeling getroffen en [verweerder] heeft met PFZW gesproken over een mogelijk faillissement van [A] of een schuldeisersakkoord.

(vi) Op grond van een overeenkomst van 20 januari 2009 heeft [A] haar activa overgedragen aan Stichting [B] (hierna: de Stichting). Van de 569 werknemers van [A] zijn er 548 in dienst gekomen bij de Stichting. [verweerder] heeft [A] begin februari 2009 geïnformeerd over de overdracht van activiteiten en personeel aan de Stichting en over de financiële situatie van [A] .

(vii) PFZW heeft begin november 2010 [verweerder] op grond van art. 23 Wet Bpf 2000 aansprakelijk gesteld voor de toen nog resterende schuld van [A] aan PFZW van ruim € 673.000.

(viii) [A] is met ingang van 31 december 2010 ontbonden.

2.2

PFZW vordert, voor zover in cassatie van belang, veroordeling van [verweerder] tot betaling van € 669.856,43. PFZW heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [verweerder] als bestuurder van [A] op grond van art. 23 Wet Bpf 2000 hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [A] onbetaald gelaten pensioenpremie, omdat [A] niet onverwijld nadat gebleken is dat zij niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling aan PFZW heeft gedaan.

2.3

De rechtbank heeft die vordering tot een bedrag van € 545.171,83 toegewezen.1

2.4

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van PFZW afgewezen.2 Het hof heeft daartoe, samengevat, als volgt overwogen.

a. De verplichting van [A] om de premieachterstand in te lopen is bij de overgang van onderneming op grond van art. 7:663 BW overgegaan op de Stichting. [A] was nog gedurende een jaar na de overgang naast de Stichting hoofdelijk verbonden voor de nakoming van deze verplichting. Deze termijn van een jaar is een vervaltermijn. Het recht om [A] aansprakelijk te houden is vervallen omdat PFZW niet binnen die termijn een daad van rechtsvervolging heeft verricht. (rov. 6-8)

De aansprakelijkheid van de bestuurder is afhankelijk van het bestaan van de aansprakelijkheid van het lichaam in de zin van art. 23 lid 1 Wet Bpf 2000. Dat volgt uit art. 23 lid 5 Wet Bpf 2000, waarin is bepaald dat de bestuurder slechts kan worden aangesproken indien het lichaam met de betaling daarvan in gebreke is, in samenhang met de ratio van de meldingsregeling. Dat betekent dat nu de aansprakelijkheid van [A] is vervallen, ook de aansprakelijkheid van [verweerder] is vervallen. (rov. 10 en 11)

b. [A] heeft tijdig haar betalingsonmacht aan PFZW gemeld. [verweerder] is ook om deze reden niet hoofdelijk aansprakelijk op grond van art. 23 Wet Bpf 2000. (rov. 12 en 13)

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 2 van het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat [A] tijdig haar betalingsonmacht aan PFZW heeft gemeld.

3.1.2

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).3

3.2.1

Onderdeel 1 is gericht tegen het hiervoor in 2.4 onder a weergegeven oordeel van het hof dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van artikel 23 Wet Bpf 2000 afhankelijk is van het bestaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon. Dit oordeel is onjuist omdat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder zelfstandig is ten opzichte van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon, althans de aansprakelijkheid van de bestuurder niet teniet gaat wanneer de rechtspersoon ingevolge art. 7:663 BW bij overgang van onderneming niet meer aansprakelijk kan worden gehouden, aldus het onderdeel.

3.2.2

Omdat het oordeel van het hof dat [verweerder] niet aansprakelijk is zelfstandig wordt gedragen door het in cassatie tevergeefs bestreden oordeel dat [A] tijdig haar betalingsonmacht aan PFZW heeft gemeld, heeft PFZW geen belang bij de behandeling van onderdeel 1. De Hoge Raad ziet niettemin aanleiding dit onderdeel te behandelen.

3.2.3

Art. 23 Wet Bpf 2000 bepaalt in welke gevallen een bestuurder van een rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk is voor de deelnemingsbijdragen die de rechtspersoon verschuldigd is aan een bedrijfstakpensioenfonds.4 Uit de parlementaire geschiedenis van de voorganger van art. 23 Wet Bpf 2000 kan worden afgeleid dat de wetgever is uitgegaan van de toepasselijkheid van de regels over hoofdelijkheid in afdeling 6.1.2 BW.5 Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze afdeling zijn de vorderingsrechten van de schuldeiser jegens de hoofdelijke schuldenaren zelfstandig, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. De zelfstandigheid van vorderingsrechten betekent onder meer dat verjaring of verval van het vorderingsrecht jegens de ene hoofdelijke schuldenaar niet verjaring of verval van het vorderingsrecht jegens de andere hoofdelijke schuldenaar meebrengt.6

3.2.4

Op grond van art. 7:663 BW is, als gevolg van de overdracht door [A] van haar onderneming aan de Stichting, de verplichting om de ten tijde van de overdracht achterstallige pensioenpremie te betalen, overgegaan op de Stichting7 en was [A] naast de Stichting nog gedurende een jaar na de overdracht hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen tot betaling van pensioenpremie die voordien zijn ontstaan. De in art. 7:663 BW genoemde vervaltermijn berust op een afweging van de belangen van de werknemer (waaronder diens belang bij betaling van pensioenpremie door de werkgever) en van de oude werkgever8 en houdt geen verband met de positie van een bestuurder die op grond van art. 23 Wet Bpf 2000 hoofdelijk aansprakelijk is voor achterstallige premie. Voorts gaat de aanspraak van het bedrijfstakpensioenfonds op betaling van achterstallige premie niet teniet, maar gaat de verplichting tot betaling van die achterstallige premie van rechtswege over op de overnemende rechtspersoon. Daarom kan uit de tekst van art. 23 leden 1 en 5 Wet Bpf 2000, inhoudende dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder betrekking heeft op door de rechtspersoon verschuldigde premie, respectievelijk dat de bestuurder slechts kan worden aangesproken indien de rechtspersoon met de betaling van de premie in gebreke is, niet worden afgeleid dat aansprakelijkheid op de voet van art. 23 Wet Bpf 2000 van een bestuurder van een overdragende rechtspersoon voor premieschulden die zijn ontstaan in de periode dat hij bestuurder was, eindigt met het verstrijken van de termijn van een jaar als bedoeld in art. 7:663 BW. Voor die opvatting kan ook geen steun worden ontleend aan de opmerking in de parlementaire geschiedenis dat de verjarings- en vervaltermijnen voor de aansprakelijke bestuurder zijn gekoppeld aan die van de hoofdschuldenaar, omdat die opmerking slechts diende ter motivering van het niet volgen van een advies om voor de bestuurder speciale, korte vervaltermijnen in de wet op te nemen.9 Bij het ontbreken van andere gronden om af te wijken van het uitgangspunt dat de vorderingsrechten van het bedrijfstakpensioenfonds jegens de rechtspersoon en de aansprakelijke bestuurder zelfstandig zijn, geeft het door het onderdeel bestreden oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.2.5

Het onderdeel is dus gegrond, maar kan om de hiervoor in 3.2.2 genoemde reden niet tot cassatie leiden.

3.3

De op de onderdelen 1 en 2 voortbouwende klacht van onderdeel 3 kan evenmin tot cassatie leiden.

4.Beslissing

De Hoge Raad: - verwerpt het beroep;

- veroordeelt PFZW in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.142,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien PFZW deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 14 januari 2022.

1 Rechtbank Rotterdam 27 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:6205 en 14 november 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:10856.

2 Gerechtshof Den Haag 3 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:269.

3 Vgl. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1976, rov. 3.2.3-3.2.5.

4 HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1976, rov. 3.2.1 en HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:754, rov. 3.2.

5 Kamerstukken II 1980/81, 16530, nr. 3, p. 20-21 en Kamerstukken II 1981/82, 16530, nr. 7, p. 47-48.

6 Vgl. HR 8 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1615, rov. 3.3.1.

7 Vgl. HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2375, rov. 3.5-3.12.

8 Kamerstukken II 1979/80, 15940, nr. 3, p. 7.

9 Kamerstukken II 1980/81, 16530, nr. 3, p. 16-17.