Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2022:1281

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-09-2022
Datum publicatie
23-09-2022
Zaaknummer
21/04241
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:458
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht; art. 8:119 Awb; verzet tegen uitspraak waarbij verzoek om herziening is afgewezen; verzoek om herziening beoordeeld door hetzelfde lid van de rechtbank dat de uitspraak waarop het herzieningsverzoek ziet, heeft gedaan; onpartijdige rechtspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-9-2022
V-N Vandaag 2022/2290
FutD 2022-2592
NTFR 2022/3359 met annotatie van mr. R.C.H. Graves
V-N 2022/41.16 met annotatie van Redactie
NLF 2022/1920 met annotatie van Nicoline Bergman
JOM 2022/434
USZ 2022/297
FED 2022/113 met annotatie van J.A. SMIT
JB 2022/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/04241

Datum 23 september 2022

ARREST

in de zaak van

de erfgenamen van [X], gewoond hebbende te [Z], (hierna: belanghebbenden)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 9 september 2021, nr. SGR 21/01251V, op het verzet van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank van 15 juni 2021 (nr. SGR 21/01251) betreffende een verzoek van belanghebbenden om herziening van een uitspraak van de Rechtbank van 26 augustus 2020. De uitspraak op verzet is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank op verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 13 mei 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Na het overlijden van [X] op [...] 2017 hebben belanghebbenden in diens naam twee aangiften ingediend voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2017. In de eerste aangifte is als belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 28.329 vermeld, in de tweede aangifte is dat belastbaar inkomen op nihil gesteld.

2.2

De aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2017 is opgelegd conform de eerste aangifte. Belanghebbenden hebben daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar gesplitst in verband met een aanwijzing van de staatssecretaris van Financiën waarbij voor het jaar 2017 de rechtsvraag inzake verenigbaarheid met de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen met verdragsbepalingen als massaal bezwaar is aangewezen. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen voor zover het ertoe strekt dat sprake is van een individuele buitensporige last.

2.3

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Een enkelvoudige kamer van de Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 26 augustus 2020 ongegrond verklaard.

2.4

Belanghebbenden hebben de Rechtbank om herziening van deze uitspraak verzocht. Dezelfde rechter als die welke de uitspraak van 26 augustus 2020 deed, heeft in enkelvoudige kamer het verzoek om herziening met toepassing van artikel 8:54 Awb, dus zonder onderzoek ter zitting, bij uitspraak van 15 juni 2021 afgewezen.

2.5.1

Belanghebbenden hebben tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek verzet gedaan. Bij de in cassatie bestreden uitspraak heeft de Rechtbank in enkelvoudige kamer dat verzet ongegrond verklaard. Deze enkelvoudige kamer bestond uit een andere rechter dan de hiervoor in 2.3 en 2.4 bedoelde rechter.

2.5.2

De Rechtbank heeft over de in verzet aangevoerde gronden geoordeeld dat het verzoek om herziening terecht is afgewezen op de grond dat belanghebbenden in het verzoek om herziening enkel omstandigheden hebben aangevoerd die hun vóór de uitspraak op het beroep bekend waren. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek om herziening daarom zonder zitting kon worden afgedaan. Daarnaast heeft de Rechtbank geoordeeld dat de wet zich niet verzet tegen een behandeling van het verzoek om herziening door de rechter die de uitspraak heeft gedaan waarvan herziening wordt verzocht.

3 Beoordeling van de klachten

3.1

De klachten voeren aan dat het herzieningsverzoek niet had mogen worden behandeld door de rechter die had beslist op het oorspronkelijke beroep. Daartoe wordt betoogd dat die rechter in de herzieningsprocedure niet als onpartijdig kan worden beschouwd, omdat hij zijn eigen uitspraak moest beoordelen. De klachten betogen in dat kader ook dat die rechter door toepassing van artikel 8:54 Awb belanghebbenden de mogelijkheid heeft ontnomen tijdens een openbare behandeling hun standpunten kenbaar te maken en die rechter desgewenst te wraken.

3.2

Belanghebbenden miskennen dat het recht op een onderzoek ter zitting niet absoluut is en dat de beperking die voortvloeit uit toepassing van artikel 8:54 Awb niet zonder meer ontoelaatbaar is.2 Het achterwege blijven van een mondelinge behandeling van het herzieningsverzoek heeft belanghebbenden ook niet de mogelijkheid ontnomen de door hen gestelde grond voor wraking bij de Rechtbank naar voren te brengen. Tegen een met toepassing van artikel 8:54 Awb gedane uitspraak kan immers, zoals belanghebbenden hebben gedaan, verzet worden ingesteld waarbij kan worden aangevoerd dat de in verzet bestreden uitspraak niet is gedaan door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

3.3.1

Voor zover de klachten voorts aanvoeren dat in verzet ten onrechte het betoog is verworpen dat het verzoek om herziening niet is behandeld door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, overweegt de Hoge Raad als volgt.

3.3.2

Het beginsel van eerlijke en onafhankelijke rechtspraak, dat onder meer tot uitdrukking is gebracht in artikel 6 EVRM, verlangt dat toewijzing van een zaak aan een of meer rechters plaatsvindt op basis van algemene en objectieve principes.3 Anders dan de klachten tot uitgangspunt nemen, brengen deze algemene en objectieve principes niet mee dat een verzoek om herziening nimmer kan worden behandeld door de rechter die de uitspraak heeft gewezen waarvan herziening wordt verzocht.

3.3.3

Dit neemt niet weg dat een klacht over het gebrek aan onpartijdigheid of onafhankelijkheid steeds per geval en aan de hand van de concrete omstandigheden moet worden beoordeeld. Uit hetgeen hiervoor in 3.3.2 is vooropgesteld, volgt dat de enkele omstandigheid dat een herzieningsverzoek is beoordeeld door de rechter die de uitspraak heeft gewezen waarvan herziening werd verzocht, niet de conclusie rechtvaardigt dat het herzieningsverzoek niet door een onafhankelijke en onpartijdige rechter is behandeld. In de bestreden uitspraak ligt het oordeel besloten dat belanghebbenden geen concrete omstandigheden hebben aangevoerd die in dit geval de schijn van gebrek aan onpartijdigheid of onafhankelijkheid hadden kunnen wekken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre falen de klachten.

3.4.1

De klachten herhalen ten slotte dat grond bestond voor herziening van de uitspraak van 26 augustus 2020 vanwege het nadien op 17 december 2020 verschenen verslag ‘Ongekend Onrecht’ van de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag.

3.4.2

De klachten falen ook in dit opzicht. Het is niet onbegrijpelijk dat de Rechtbank in de algemene en niet-specifieke verwijzing naar dit verslag geen aanduiding heeft gezien van feiten of omstandigheden die volgens artikel 8:119 Awb aan een verzoek tot herziening ten grondslag moeten worden gelegd.

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2022.

1 ECLI:NL:PHR:2022:458.

2 HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966, rechtsoverwegingen 2.5.1 tot en met 2.5.4.

3 Zie bijvoorbeeld EHRM 12 januari 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0112JUD005777413, rechtsoverweging 58.